Open Mind (continued) Nr. 113 Integriteit in toezicht

Goed bestuur blijft in beweging. Het is nooit af maar evolueert mee met de maatschappelijke ontwikkeling. Zo duiken er steeds nieuwe thema’s op die in de aandacht staan. Denk maar aan thema’s als boardroom dynamics, diversiteit, aanspreekbaarheid en integriteit. Over dat laatste begrip wil ik het hier met u hebben.

Integriteit is een ingewikkeld begrip om met elkaar in een raad van toezicht te bespreken. Het is gemakkelijk om te roepen dat het aankomt op de inzet van een zuiver moreel kompas, maar waar is dat dan weer precies de metafoor voor? Hoe beeldend de vergelijking ook is, hij verduidelijkt niet echt.

Misschien is het handig om het begrip integriteit te ontrafelen in een aantal van zijn verschijningsvormen: in welk type situaties is er evident sprake van expliciete aandacht voor integriteit? Collega Jos van Elderen en ik hebben in ons boek De zachte kant van governance verschillende soorten situaties benoemd waarin integriteit er beslist toe deed. Zo is er echt verschil tussen institutionele integriteit, professionele integriteit en persoonlijke integriteit; elk van deze drie vormen stelt eigen eisen aan het intern toezicht.

Van institutionele integriteit is sprake als het gaat om het primaire belang van de stichting. Dit primaire belang betreft dan het stichten en in stand houden van scholen in een of meer sectoren en vaak ook met een bepaalde pedagogische of levensbeschouwelijke identiteit. Statuten voorzien in de regel van een goede markering hiervan. Het is aan de toezichthouders om voorstellen van het bestuur hier steeds te toetsen.  Dat klinkt wellicht wat ‘conserverend’ in een tijd die schreeuwt om verandering, maar toch … het is geen overbodige luxe om deze toets uit te voeren.

Professionele integriteit speelt op verschillende levels i de organisatie. Op dat van de raad van toezicht zelf maar ook op andere niveaus. Wat het eerste betreft, er bestaan amper maatstaven voor ‘de professionele toezichthouder’, maar dit betekent niet dat integriteit er niet toe doet. Hierover straks meer. Eerst wil ik melding maken van een spanning die kan bestaan tussen governance-regels enerzijds en professionele maatstaven die inherent zijn aan de beoefenaren van de kerntaak van de instelling: de onderwijsgevenden anderzijds. Om een simpel maar wel veelvoorkomend voorbeeld te geven: de spanning tussen aan de ene kant voldoen aan rendementseisen met het oog op de bekostiging en aan de andere kant pedagogische en onderwijskundige doelstellingen. In het voortgezet onderwijs is er vaak de spanning tussen onderbouw (kansen geven) en de bovenbouw (afgerekend worden op rendement). Maar ook een verschijnsel als diploma-stapelen is er een. De overheid houdt er niet van omdat het geld kost, maar vanuit een oogpunt van pedagogiek en ontwikkelingspsychologie zijn er goede argumenten pro aan te voeren.

En dan de persoonlijke integriteit – wanneer er expliciet over gesproken wordt is dat vaak omdat er iets aan de hand is. Denk aan de schijn van belangenverstrengeling die ontstaat door het niet tijdig melden van een wijziging in de persoonlijke situatie van de toezichthouder. Veel raden van toezicht hebben hier goede afspraken over, bijvoorbeeld de afspraak dat wijzigingen altijd worden voorgelegd aan de voorzitter van de raad van toezicht. Of de afspraak dat nevenfuncties jaarlijks worden geïnventariseerd ter gelegenheid van het jaarverslag. Maar helaas, dit blijkt niet te verhinderen dat het soms fout gaat en er gedoe ontstaat.

Er is nog een situatie op het vlak van persoonlijk integriteit die ik hier wil aankaarten, zij het met de nodige voorzichtigheid en voorbehouden. Ik doel op de vele gesprekken in raden van toezicht over de hoogte van de vergoeding. De discussies hierover en ook de meest gebruikte argumenten zullen bekend zijn. Waar het mij om gaat, is dat ik me niet aan de indruk kan onttrekken dat er situaties zijn waarin het argument ‘toezicht houden is een vak’ wel erg letterlijk wordt genomen. De richtlijn van de VTOI ondersteunt dit argument met bijgevolg een opdrijvende werking van de kosten van het intern toezicht.

Het Nederlandse onderwijsbestel kent van oudsher een sterke traditie van actieve ‘burgerparticipatie’ op allerlei posities: in de medezeggenschap, in het klassieke bestuur, in het intern toezicht en zo meer. Soms lijkt het er op dat we deze burgerparticipatie definitief aan het vervangen zijn voor een complete kolom van oude en nieuwe beroepsgroepen.

Moeten we dit zien als een natuurlijke ontwikkeling of zit hier ook een aspect van integriteit aan?

Deze column verschijnt ook in de Nieuwsbrief van de VTOI, december 2016.

 

 

Share
This entry was posted in Open Minds and tagged , , . Bookmark the permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>