De zevende functie van taal

Om maar gelijk bij het eind te beginnen: vijf sterren voor De zevende functie van taal van Laurent Binet. Want dat verdient hij! Wat een lekker boek. Origineel, gewaagd, verrassend, sprankelend, superieur, welsprekend, en zo kan ik meer welluidende kwalificaties geven. Van zevendezijn Hhhh was ik al erg gecharmeerd – een voortreffelijk geschreven en spannend verhaal over een aanslag op de man achter (gepaster: het brein van) Himmler. In De zevende functie van taal speelt Binet opnieuw met de werkelijkheid, nu die van het filosofisch milieu in het Frankrijk van het begin van de jaren ’80 van de vorige eeuw.

Alleen al het idee, hoe kom je erop. De periode van de grote kopstukken uit de Franse filosofie uit die periode: Sartre, Althusser, Derrida, Kristeva, Soller, Foucault natuurlijk en Roland Barthes, de schrijver van onder meer het ook in het Nederlands vertaalde Le plaisir du texte, met wie het allemaal begon. De laatste komt onder een busje en overlijdt kort erna. Historisch is nooit opgehelderd hoe dit kwam. Binet weet er wel raad mee en vult deze leemte met een verhaal dat op een vaak hilarische en regelmatig ironiserende manier ingaat op de grote filosofische controverses die in die tijd spelen. De grote namen in dat vaak in het publiek gevoerde debat (wat verschilt Frankrijk toch van Nederland als het gaat om de publieke aanwezigheid van het filosofisch debat) vormen allemaal een romanpersonage bineten Binet doet alsof hij er ter plekke bij was om niet alleen hun vaak chaotische dialogen vast te leggen maar ook en misschien wel vooral om hun hebbelijkheden en onhebbelijkheden, hun trots en kleinzieligheid te registreren.

We zitten in de tijd van de semiotiek, de wetenschap die gericht is op de betekenis der dingen, een wetenschap die niet alleen het talige als object heeft, maar in feite alle culturele uitingen beschouwt als systemen van samenhangende betekenissen. Dit is mooi te illustreren aan een van de hoofdpersonages genaamd Simon Herzog, docent semiotiek, die bij het zien van een gevaarlijke tegenstander deze aan de hand van allerlei uiterlijke kenmerken snel plaatst in een culturele en maatschappelijke context waarop hij vervolgens kan inspelen om de tegenstander onschadelijk te maken. Dit riekt allemaal naar geweld en dat klopt want daar is in dit boek volop sprake van.

Het verhaal gaat dat Roland Barthes tijdens zijn ongeluk dat plaatsvond na zijn lunch met presidentskandidaat Francois Mitterand, in het bezit was van een papiertje waarop de zevende functie van taal stond beschreven – een formule die de bezitter ervan de macht over het woord zou geven en daarmee over de werkelijkheid. Het zou gaan om een aanvulling op de dan bekende zes functies van taal die de linguïst Roman Jakobson eerder in beeld bracht. Politiek zeer gevoelig materiaal dus, temeer daar Frankrijk in een heftige verkiezingsstrijd om het presidentschap is verwikkeld. Al snel wordt duidelijk dat meerdere partijen geïnteresseerd zijn in dit document. In de roman volgen we inspecteur Bayart die opdracht heeft van de zittende president Giscard d’Estaing om het document te vinden. Bayart laat zich bijstaan door de genoemde Simon Herzog die de nodige kennis heeft op het gebied van de semiotiek. Samen gaan ze dus op zoek en zo belanden we in de kringen van een internationaal geheim genootschap waarin het disputeren aan de hand van stellingen tot kunst, of beter: tot strijd is verheven. Binnen de organisatie zien we een prachtige hiërarchie die regelt wie wie mag uitdagen. Aan de top staat Protagoras, daaronder de Sofisten, en zo lagere rangen. Binet schildert ons een paar van deze disputen en levert aldus prachtige staaltjes van welsprekendheid. O ja, een dispuut verliezen kost je wat: in elk geval een vingertop; wordt ter plekke ten overstaan van het publiek geregeld. Maar het kan nog erger en dat gebeurt ook. Philippe Soller, onder meer romanschrijver en echtgenoot van Julia Kristeva, kan ervan meepraten. Gelukkig is dit laatste bij mijn weten (tot nu toe?) alleen het geval in de roman, zoals ook Derrida die in de roman het loodje legt, nog in leven is. Maar dat geldt niet voor alle ‘feiten’ uit het boek zoals de moord die Althusser pleegt op zijn vrouw.

Het boek is op veel manieren te interpreteren en te waarderen.

Ik noem: als satire op het doorgeschoten Franse structuralisme dat soms verzandt in een soort geheimtaal dat velen intellectueel bevredigt maar dat ook volkomen buiten de werkelijkheid lijkt te staan. Tegenover deze geheimtaal zet Binet de zevende functie van taal in die ons niet echt wordt onthuld maar die alles lijkt te hebben van de perfecte performatief – een ‘uitvinding’ van Angelsaksische taalfilosofen, met name Austin en Searle: woorden die zelf de daad zijn waarnaar zij verwijzen, werkwoorden die de werkelijkheid door het uitspreken veranderen. Voorbeeld: de ambtenaar van de burgerlijke stand die met het uitspreken van de  woorden ‘ik verbind u in de echt’ het huwelijk voltrekt; het tekenen van de akte is slechts een formaliteit.  Ultiem voorbeeld: de goddelijke schepping uit het begin van het boek Genesis. Wie de zevende functie van taal goed vervult, beheerst de performatief perfect en heeft de macht over de wereld, zo lijkt het beeld.

De rechtstreekse ‘battle‘ tussen beide stromingen in de taalfilosofie (Amerika tegen Europa/Frankrijk, McEnroe tegen Borg, Searle against Derrida) wordt schitterend neergezet in de passage waarin het hele Franse milieu zich verplaatst heeft naar de VS. In het dispuut tussen beide richtingen is Binet werkelijk op zijn best. Overigens fascinerend om te zien hoe Binet speelt met de technieken van ecooverreding (dialectica) en overtuiging (retorica). En ja, bij wie zal hij dat geleerd hebben? Bij Umberto Eco misschien, die ook prominent aanwezig is in dit boek?

Ik noem: als satire op het genre detectiveroman: de alwetende rechercheur die verrassend steeds over nieuwe informatie blijkt te beschikken en er op andere momenten niets van begrijpt. Die een maatje nodig heeft om hem wegwijs te maken – waar kennen we dat van?

Ik noem: als satire op de serieuze karakterschetsen van het intellectuele Parijse milieu in die tijd door niet alleen de grote ideeën van de denker op te blazen maar door vooral hun kleingeestigheden daar doorheen te weven. En wat doet Binet dat knap. Zinnetjes met grote gedachten steeds afwisselen met zinnetjes die verwijzen naar banaliteiten. Klasse.

Ik noem: als satire op de heilige graal romans en al die andere verhalen waarin sprake is van een heilig voorwerp  dat opgespoord moet worden omdat het macht verleent over de wereld; verhalen met complotten waarin Dan Brown grossiert. Neem de bijeenkomsten van het geheime genootschap, zo treffend de Logos Club genoemd: je moet onwillekeurig denken aan Vrijmetselaars, aan alchemisten.

Ik noem de stijl: rechtstreekse taal, actieve zinnen, veel concrete woorden, veelheid aan beelden, vaak associndexiatief, vaak meerdere lagen in één dialoog.

Ik noem een echt Binet-dingetje dat me ook opviel in Hhhh: de auteur is af en toe zelf aanwezig in het boek, doet alsof hij stond toe te kijken en spreekt dan zonder blikken of blozen in de eerste persoon enkelvoud. Zo grappig.

Ik noem de mooie vertaling en las echt Nederlandse woorden als denkraam en Droste-effect. Ook klasse.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Share
This entry was posted in Boeken and tagged , , , . Bookmark the permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>