Verborgen filosofie in de taal van de adviseur -2-

In de eerste aflevering van deze nieuwe serie blogs introduceerde ik het onderwerp dat de komende jaren de rode draad zal zijn in mijn onderzoek. Ook schetste ik de verschillende wegen die openstaan voor nadere verkenning alvorens een meer precieze en concrete route uit te stippelen. Zeker is dat ik de weg op wil van de taalfilosofie – een relatief jonge en bescheiden tak van de wijsbegeerte maar wel een vol voetangels en klemmen. (Lees deze eerste zinnen gerust nog een keer, let op de gebruikte beeldspraak en je krijgt een indruk van waar het over zou kunnen gaan: naar welke werkelijkheid verwijzen al die metaforen die ik in deze korte alinea gebruikte?) 

In mijn inwerkperiode zal ik me dus grondig moeten verdiepen in de verschillende taalfilosofische stromingen. Maar er is nog een andere kant van het verhaal dat ik wil schrijven: die van de taal van de adviseur/consultant.

Om voor mezelf meer beeld te krijgen bij het filosofisch denken over het werkveld van de adviseur las ik de afgelopen weken enkele boeken over deze functionaris en over zijn gesprekspartner annex opdrachtgever: de bestuurder c.q. manager. Dat leverde enkele interessante inzichten op.

Modes in management
Management is uit, leiderschap is in. Een kwestie van bordjes verwisselen en meer van hetzelfde? Het lijkt er wel op: populaire boeken, alles belovende titels, goeroes, met in hun kielzog adviseurs/consultants die zorgen voor verdere verspreiding en ‘implementatie’ . Meer van hetzelfde en toch steeds net even anders, maar telkens met absolute waarheidsaanspraken en exclusiviteitspretenties.

In 2000 schreef de huidige Denker des Vaderlands (deze eretitel verdient hoofdletters, toch?!) René ten Bos een uitdagend boek over Modes in management. Een filosofische analyse van populaire 266px-René_ten_Bos_September_2017organisatietheorieën, oorspronkelijk in het Engels geschreven en in 2002 in een Nederlandse vertaling verschenen. Een paar jaar daarvoor verscheen al van zijn hand Strategisch denken. Op zoek naar nieuwe helden, dat heel goed valt te omschrijven als een voorstudie op Modes in management. Beide boeken stonden jaren in mijn kast, ik had ze ook al gelezen maar waren toch ook weer uit beeld geraakt. Gelukkig, wie wat bewaart, heeft wat. Deze boeken kwamen nu zeer goed van pas, te meer daar Ten Bos in Modes in management vooral het handelen van goeroes, consultants/adviseurs en ondernemers in het vizier heeft. Passender bij mijn onderwerp kan haast niet.

Cliffhanger
De twee boeken hebben duidelijk iets gemeen. Ten Bos zet als filosoof vraagtekens bij allerlei kennelijke vanzelfsprekendheden in de wijze waarop naar organisaties wordt gekeken en naar de manier waarop die organisaties omgaan met vitale vraagstukken als een bedrijfsstrategie.
Het leuke van de stijl van Ten Bos is, dat niets ‘natuurlijk’ is of logisch of rationeel of vanzelfsprekend waar en daarom niet discutabel. Heilige huisjes bestaan voor hem niet, hij is openlijk polemisch. MiMWaar auteurs van managementboeken graag een appèl doen op het gezond verstand en het rationele denken, geeft Ten Bos ook ruimte aan de rol van minder grijpbare (en daarmee manipuleerbare) zaken als emoties, zintuigen en persoonlijke smaak. Waar menigeen een punt zet, plaatst Ten Bos een vet vraagteken. En waar een ander de alinea afsluit, komt Ten Bos met een onverwachte cliffhanger in de trant van: ’hij zegt dat nu wel maar is dat ook zo?’ ‘Waarom zou de functie van manager een professie moeten worden, zoals neorationalisten bepleiten?’ ‘Wat is er mis met de belangstelling van managers voor modieuze opvattingen over organisaties? Ze konden wel eens een heel goede reden hebben voor die belangstelling!’ ‘Modes kunnen ons vanuit een heel onverwachte kant mogelijk iets leren over de manier waarop organisaties werken’. Ten Bos grossiert in dit soort statements en geeft altijd een nadere toelichting of onderbouwing.

Vijf modes
Ten Bos heeft wel wat met managementmodes, hij bagatelliseert ze niet zoals academici en bepaalde categorieën van organisatie-adviseurs dat doen (zonder door te hebben dat ook hun opvattingen vaak modieus zijn), maar is toch ook niet onkritisch. Sterker, hij verwijt goeroes van managementmodes zoals de Peters, Mintsbergs, Prahalads, Hammers en Coveys van de laatste decennia, juist dat ze niet kritisch en consequent genoeg zijn en uiteindelijk ten prooi vallen aan het utopistisch denken waar ze zich in de regel tegen verzetten. En daarmee raken we aan een wezenlijk uitgangspunt in de analyse van Ten Bos over de situatie in de organisatiekunde: elke theorie (en elke mode) draagt uiteindelijk elementen in zich die zijn te herleiden tot utopistisch denken. Terwijl modes juist een tegenwicht tegen utopistisch denken zouden kunnen vormen; helaas schieten ze daarin uiteindelijk tekort waardoor ze allereerst zichzelf tekort doen. Dat is tegelijk de conclusie van zijn verhaal nadat hij heeft ingezet op een beschrijving van de ‘titanenstrijd’ tussen mode enerzijds en utopie anderzijds. Ten Bos beschrijft die strijd vanuit vijf modieus onderwerpen in de organisatiekunde van de laatste decennia: strategie, leiderschap, cultuur, de lerende organisatie en business process redesign. Me dunkt, onderwerpen die nog niet zijn bijgezet in de galerij van afgesloten hypes.

Sleutelwoorden
‘Utopistisch denken’ en ‘mode’ – om de strijd tussen die twee begrippen draait het dus in het boek Modes in management. Juist omdat deze twee begrippen zo’n cruciale rol spelen is het goed te weten wat Ten Bos er onder verstaat. Laat ik met ‘mode’ beginnen.

Dat woord ‘mode’ gebruikt hij in drie verschillende maar wel semantisch samenhangende betekenissen: (1) mode in de zin van stijl die populair is, vgl. fashion, (2) als metafoor voor alles wat vluchtig, esthetisch, stijlvol, oppervlakkig experimenteel, emotioneel etc is. Ten Bos gebruikt hier liever adjectieven dan substantieven omdat die laatsten vaak massiever zijn, vastleggen en vastliggen, en (3) mode is de zin van ‘theorie’, hier tussen aanhalingstekens gezet om aan te geven dat hieronder niet een rationeel onderbouwde theorie wordt verstaan maar een veel lichtere variant ‘die gelooft in het primaat van de zintuigen en zich richt op processen en continuïteit.’ Daarmee gaat het om een theorie ‘die ons aanspoort om aan de oppervlakte te blijven. Daarom geloof ik dat mode ons meer plausibele inzichten in de wereld van de managers biedt dan wetenschappelijke of utopistische idealiseringen’ (pag. 16). Daarmee doet Ten Bos een groot beroep op zijn lezers omdat deze derde betekenis van ‘mode’ alles in zich draagt van een contradictio in terminis.

266px-Achterhuis2017

Foto: Vysotsky (Wikimedia Commons).

Utopisme
En dan die tegenpool: utopisme, of beter utopistisch denken (als vergrotende trap van ‘utopisch’ denken). Ten Bos baseert zich voor de betekenis van dit woord op de ‘briljante beschouwing’ van de Nederlandse filosoof (en toevallig de eerste Denker des Vaderlands) Hans Achterhuis. Die kwam met een rijtje kenmerken waarmee het begrip utopie zich goed laat omschrijven (pag. 31-33). Ik geef ze hier verkort weer om in elk geval een beeld te geven:
– Het utopisme maakt het individu ondergeschikt aan het collectief.
– Het utopisme gelooft sterk in de maakbaarheid van dromen, leidend tot een ‘beangstigende beheerslogica’.
– Het utopisme keert zich tegen de mythe van de aangeboren goedheid van de mens.
– Het utopisme gelooft in de ‘verbondenheid van totaliteit en detail’. Waardoor afwijkende opvattingen niet op prijs worden gesteld.
– Het utopisme is radicaal en wenst te breken met het verleden.
– Liefde en seksualiteit zijn gevaarlijk omdat ze onbeheersbaar zijn.
– Een obsessie met hygiëne en zuiverheid.
– Utopia is geen luilekkerland. Schone arbeid staat hoog in het vaandel.
– Het geluk vormt de rechtvaardiging van Utopia, maar dan wel geluk in de utilitaire, berekenende betekenis van het woord.
– Het geweld is onvermijdelijk, niet alleen om anderen op afstand te houden, maar ook om alle inwoners onder controle te houden.

Gereduceerd beeld werkelijkheid
Ik geef dit lijstje om te laten zien dat het voldoen aan deze kenmerken niet mogelijk is anders dan door strakke regie, rationele liefst wetenschappelijke planning, expliciete of impliciete hiërarchie en volledige overgave aan het ideaal. Welnu, doorheen Modes in management, maar ook in Strategisch denken laat Ten Bos zien hoe veel van deze kenmerken ook terugkomen in de vijf managementmodes die hij bespreekt, zoals die van ‘de lerende organisatie’. Ik moet zeggen – het leverde frequent voor mij onthullende inzichten op. Aan eye-openers geen tekort in deze boeken. En steeds keerde hierbij terug de kritiek dat in die managementvisies sprake was van een gereduceerd beeld van de complexiteit die eigen is aan de werkelijkheid. Iedere goeroe creëert een beeld van een werkelijkheid die deze herleidt tot herkenbare, hanteerbare en daarmee te manipuleren eigenschappen. In Strategisch denken ent hij dit gecreëerde beeld van de werkelijkheid op een strategisch denkendaaraan inherent gebruik van een ‘verarmde rationaliteit’ die als kenmerken heeft dat ze volledig in dienst staat van efficiëntie, volledig vertrouwt op procedures, alles verwerpt wat hier niet in past en de illusie van controle en zekerheid bevordert (pag. 105-106). Zoiets als ‘toeval’ zul je niet gauw uit de mond van een goeroe horen. Evenmin over de rol van ‘toeval’ in het succes van de ene organisatie en in het uitblijven daarvan in een andere. ‘Toeval’ als vorm van onbeheersbaarheid bestaat in hun ogen niet. ‘De goeroe en de consultant moeten die onbeheersbaarheid in de doofpot stoppen om hun eigen nering niet te schaden’ (Mim, pag. 139).

Managers relativeren
Terwijl goeroes hun best doen om hun inzichten succesvol over het voetlicht te brengen als een definitieve stap in de goede richting (cynisch genoeg verzetten goeroes zich tegen bestaande modes terwijl ze daar zelf zonder blikken of blozen de volgende tegenaan zetten) en adviseurs graag meeliften op het succes daarvan, is het toch bepaald niet zo dat managers zich onkritisch laten inpalmen door weer de volgende ‘trend in management’. Ten Bos relativeert de invloed van goeroes tot een aangenaam reflectiemoment voor de manager die, in zijn of haar ‘dagje op de hei’ even de mogelijkheid krijgt om aan de hectiek van alledag te ontsnappen.

Metaforen
Er is nog veel meer te zeggen over deze twee interessante en qua gedachten rijke boeken. Zo zit er in Modes in management een uitvoerige beschouwing over de rol van metaforen. En door de studies van Gareth Morgan weten we dat deze stijlfiguur ook zijn weg heeft gevonden in de organisatiekunde. Ook hier maakt Ten Bos een opmerking die me aan het denken heeft gezet: horen metaforen wel thuis in de wereld van de rationele organisatiekunde? Zijn het niet meer stijlmiddelen die juist hun betekenis ontlenen aan een andere, meer lyrische of muzische manier om naar de werkelijkheid te kijken? En als ik daar op door redeneer: zijn er niet goede redenen te geven om de metafoor te bevrijden van wat genoemd kan worden ‘het oneigenlijk gebruik’ ervan in andere ‘werelden’ dan die van de retorica? Ik denk dat dit een wel erg vėrgaande conclusie zou zijn, gelet op het gegeven dat metaforen niet alleen in de poézie en literatuur in het algemeen een belangrijke rol spelen – ook ons dagelijks taalgebruik is ermee doorspekt, zie de openingsalinea van dit blog.

Andere motieven managers?
Ik rond af. Er is meer over beide boeken te zeggen dan ik in het voorgaande heb gedaan. Zo heb ik de neiging om kanttekeningen te plaatsen bij de relevantie van de oppositie of ‘titanenstrijd’ tussen mode en utopie zoals Ten Bos die schetst, hoe leerzaam en onthullend zijn analyses ook zijn. Om daarvan een indicatie te geven: als het waar is dat managers heel goed kunnen omgaan met de betrekkelijkheid van (alweer) een ‘ ieuw en definitief inzicht’ in hoe organisaties zouden moeten functioneren, wat is dan het spel dat tussen goeroes annex adviseurs enerzijds/consultants en anderzijds managers/ondernemers wordt gespeeld? Reageren die managers/ondernemers inderdaad op het alles belovende beeld dat de goeroe hem of haar voorhoudt of is er sprake van een heel andere impuls? Ten Bos noemde al het ‘voor een moment ontvluchten’ van de dagelijkse hectiek en dat is echt een andere impuls dan de goeroes met hun nadruk op vergroting van de bedrijfsresultaten doen voorkomen. Ik stel me voor dat een onderzoek onder de motieven van die managers ook andere beweegredenen zou blootleggen, zoals onzekerheidsreductie, collega’s ontmoeten, interessante ideeën horen, vergroting van persoonlijke vaardigheden, beeld vormen van actuele zaken,…. Een dergelijk onderzoek zou de impliciete heftigheid in de dichotomie tussen mode en utopie (‘titanenstrijd’) kunnen relativeren.

Daar komt bij dat veel managementgoeroes afkomstig zijn uit of schrijven over het Angelsaksische bedrijfsleven waar de rol van de manager een andere invulling krijgt dan die hij heeft in het meer Rijnlands ingerichte bedrijfsleven zoals wij dat kennen en dat hier te lande nog eens wordt aangedikt met een stevige laag polderklei.

Kuil
Een laatste kritische kanttekening: Ten Bos verwijt goeroes dat ze een sterk gereduceerd beeld geven van de werkelijkheid waar ze dan hun eigen ‘beloofde werkelijkheid’ (hun ‘utopie’) tegenover zetten. Het aardige is dat ik met name in Strategisch denken daar heel wat voorbeelden tegen kwam, zoals de figuur op pagina 140 waarin de ‘bureaucratische overheid’ geplaatst wordt tegenover de ‘ondernemende overheid’.
Inderdaad, Ten Bos was, toen hij dat boek schreef, zelf actief als adviseur/consultant bij Schouten en Nelissen. Het lijkt erop dat hij soms zelf in de kuil valt die hij voor anderen had gegraven.
Ben benieuwd of hij in die tijd een spanning heeft ervaren in de twee rollen van adviseur/consultant enerzijds en filosoof anderzijds.

Volgende stap?
Tot zover de beide boeken van Ten Bos die me veel leerde over op een filosofische manier kijken naar management. Wat moet mijn volgende stap worden? Op dit moment kom ik tot twee conclusies:
Ten Bos bevestigt mijn beeld dat in de wereld en met name in de taal van de adviseur stijlmiddelen metapherszoals de metafoor, een belangrijke rol spelen. Las ik al eerder de befaamde en vernieuwende studie van George Lakoff, Metaphers we live by, het begrip metafoor heeft toch een veel ruimere traditie dan Lakoff er aan geeft. Misschien is het goed om mijn beeld hiervan te scherpen en daarbij vooral te letten op een mogelijke spanning tussen de lyrische duiding van de metafoor enerzijds en de rationalistische omgang ermee anderzijds.
Metaforen vormen een belangrijk instrument in de handen van (goeroes en) adviseurs. Is er literatuur te vinden die ingaat op het (voornamelijk) talige instrumentarium van deze beroepsgroep?

Andere lectuur
Naast de hier besproken boeken van René ten Bos las ik ook nog andere boeken zoals de spannende thriller van Guido Eekhaut, Slender Man waarin een vrouwelijke gepensioneerde politie-inspecteur uit Edinburgh, in Londen waar ze is gaan wonen met haar veel jongere vriendin, getuige is van een koelbloedige moord op een vrouw door twee meisjes van 14 en Slender-man15 jaar. Kon dit zien ongestraft blijven? Eekhaut varieert in dit boek op een bekend personage uit computerpellen en films

Verder las ik de roman Vaak ben ik gelukkig van Jens Christian Grøndahl waarin een tweevoudig weduwe terugkijkt op haar lang niet altijd gemakkelijke verleden, hetgeen haar niet belet om moedig nieuwe realiteiten te aanvaarden.

UnknownEn ook ben ik bezig met het prachtig verzorgde De geest uit de fles waarin filosoof Ger Groot een mooi
historisch (filosofisch) antropologisch overzicht biedt van de wording van de moderne mens (zeer geschikt eindejaars-/Sinterklaas-/kerstgeschenk!), met de fraaie verzamelbundel Alle vogels van Koos van Zomeren (idem!) en mediteer ik over passages uit Open uw hart van Henri Nouwen.

Vond u dit blog interessant of nuttig en mogelijk ook van belang voor anderen? Deelt u het dan via uw sociale netwerken. 

Share
This entry was posted in Reflecties and tagged , , , , , , . Bookmark the permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *