Verborgen filosofie in de taal van de adviseur -3- Over metaforen

In mijn vorige blog analyseerde ik een opmerkelijke metafoor in een column van Ephimenco in dagblad Trouw. In dit blog verdiep ik me verder in de verschillende manieren waarop we ons in het dagelijks leven, in onze contacten thuis of met vrienden en op ons werk bedienen van metaforen. En wat dat werk betreft kies ik voor wat tot voor kort mijn beroep was: het advieswerk.

Metaforen in het dagelijks gebruik

lodewickMisschien is uw eerste associatie bij de aanduiding metafoor een vage herinnering aan het literatuuronderwijs op de middelbare school. Zelf beleefde ik op de HBS veel plezier aan het vak Nederlands, waar we onder meer het boekje Literaire kunst van Lodewick gebruikten: lesjes poëtica voor middelbare scholieren. En ja, daarin werden natuurlijk niet alleen allerlei rijm- en ritmeschema’s behandeld maar ook allerlei stijlfiguren, waaronder de metafoor, de metonymie, de vergelijking en de asyndetische vergelijking. Om even de herinnering te activeren van elk een prozaïsch voorbeeld:

Metafoor: hij brandde zijn vingers liever niet aan deze kwestie (beeld).
Metonymie: zij kocht een van Gogh (verschuiving van schilderij naar schilder).
Vergelijking: hij keek als een boer met kiespijn (gebruik van ‘als’)
Asyndetische vergelijking: wat liep zij mooi hard, een hinde! (weglating ‘als’).

Zoals gezegd gaat het bij Lodewick c.s. om het gebruik van de metafoor in de stijlleer, in het bijzonder in die van de poëzie (poëtica), maar die is probleemloos aan te vullen met de stijlleer in de retorica, de kunst van de welsprekendheid, sinds de klassieke tijd de grote zus van de poëtica.

Deze vermoedelijke eerste kennismaking met de metafoor in de middelbare schooltijd bestrijkt een specifiek gebruik van de metafoor: die van ornament, van versiering, van iets wat wordt toegevoegd om iets anders mooier, aansprekender te maken. Ik noem dit zowel een specifiek als een beperkt gebruik van de metafoor. Het is een gebruik met een mooie staat van dienst gezien de lange traditie en ook gezien de creatieve dynamiek die er in besloten ligt die keer op keer leidt tot verrijking van onze taal. Maar het gebruik van de metafoor gaat aanzienlijk verder dan die van ornament. Want ook los van alle bewust gekozen versieringen door middel van metaforen, gebruiken we ook heel veel metaforen in ons normale, onopgesmukte taalgebruik. Sterker nog: we zijn ons er vaak nauwelijks van bewust hoe vaak en hoeveel metaforen wij gebruiken als we met elkaar communiceren. We kunnen bijna niet zonder.

Hij sprong een gat in de lucht.
Zij viel om van verbazing.
Twee politieke partijen stonden in het debat over dit heikele thema op de rem.
Het debat ontspoorde daardoor volledig.
Anderen konden daar juist geen traan om laten.
Later werden zij daarover stevig aan de tand gevoeld

In al deze voorbeelden, en het is niet moeilijk om er binnen vijf minuten twintig aan toe te voegen, wordt een concreet beeld gebruikt om iets abstracts in uit te drukken. (In het vervolg van dit blog zal ik af en toe een uitroepteken plaatsen achter een metafoor die nauwelijks meer opvalt.) We gebruiken dan iets herkenbaars en zegbaars om iets dat moeilijk onder woorden is te brengen, toch te benoemen. In de eerste zin wordt beeldend uitdrukking gegeven aan het gevoel van enorme blijdschap dat het onderwerp van de zin (‘Hij’) vermoedelijk spontaan overvalt. De uitdrukking (het beeld) markeert een moment van verrassing leidend tot een explosieve ontlading van tot dan ingehouden emoties. We vervangen deze complexe situatie, A (het moeilijk verwoordbare) door B (het herkenbare en bekende). In het wetenschappelijk denken over metaforen wordt dit de substitutietheorie genoemd, een theorie met oude rechten die teruggaan tot Aristoteles.

Onze taal is dus doorspekt (!) met metaforen. Vaak hebben we niet door dat we die gebruiken. Sterker nog: we zijn ons pas bewust van het gebruik van een metafoor als die nieuw, oorspronkelijk en verrassend is en het dagelijkse routineuze taalgebruik overstijgt. Want, eerlijk is eerlijk, we beschouwen iets pas echt als een metafoor als daarin op een opmerkelijke wijze een nieuwe verbinding wordt gelegd tussen A en B, tussen het moeilijk verwoordbare en het beeld dat het substituut daarvoor is. Alle andere, routineuze metaforen, die als het ware zijn ingedaald (!) in het ‘normale taalgebruik’, worden om die reden wel ‘dode metaforen’ genoemd. Juist vandaag las ik een voor mij verrassende metafoor in dekrand. Een reputatiedeskundige merkt over de perikelen rond de beloning van de ING-topman op: ‘Bankiers en beloningen, dat is een rode lap op een stier, en de ING heeft dat onvoldoende gezien. Je draagt het hout nar je eigen brandstapel’. Die stier en die lap die kende ik natuurlijk wel, maar dat hout en die brandstapel waren nieuw voor me.

Terzijde, er zlakoffijn goede redenen te geven om de aanduiding ‘dode metaforen’ met een flinke korrel zout te nemen. Zo hebben psycholinguïsten veel onderzoek gedaan naar de relatie taal – denken en daarbij geconstateerd dat aan veel metaforen onderliggende vaste denkstructuren ten grondslag liggen. Met andere woorden, metaforen zijn meer dan leuke beelden en taalversieringen, ze zijn ook meer dan vervangingen van onze onmacht om dingen rechtstreeks te benoemen: metaforen zijn een soort categorieën van ons denken. We leven erin of erdoor, zoals Lakoff en Johnson in Metaphors we live by al lieten zien. Sinds de verschijning van dat boek is er veel onderzoek gedaan, met name in de VS. Een aantrekkelijke en levendig geschreven samenvatting daarvan is te vinden in Steven Pinker, De stof van het denken. (Enerzijds intrigerende analyses, anderzijds wel erg Angelsaksisch, met een aureool van superioriteit en met weinig tot geen referentie naar de continentale taalfilosofie, tenzij op badinerende toon).

Tot zover over het gebruik van metaforen in de dagelijkse taal.

Metaforen in de toolbox (!) van de adviseur

Naast het ‘normale’ gebruik van metaforen (de zogenoemde ‘dode metaforen’), naast de metafoor als stijlmiddel (ornament) en naast de metafoor als het moeilijk benoembare tot zeggen, is de metafoor een graag gebruikt instrument (!) in allerlei beroepen.
Politici gebruiken graag metaforen om in debatten zaken op een bepaalde manier voor te stellen. Hans de Bruin bespreekt in zijn wekelijkse bijdrage in dagblad Trouw de vele manieren waarop framing van bepaalde onderwerpen in de politiek plaatsvindt. Het aardige is dat daardoor zichtbaar wordt dat de keuze van een bepaald beeld de zaak die er achter schuilgaat, vanuit een ander pinkerperspectief laat zien waardoor de discussie erover volledig kan kantelen (!).

Politici grossieren graag in metaforen, zeker als het gaat om het winnen van een debat. Maar ook in andere beroepen is het gebruik om metaforen in te zetten in de uitoefening van het métier. Therapeuten gebruiken metaforen om hun cliënten op een herkenbare manier mee te nemen in de fasen van de begeleiding. Leerkrachten gebruiken metaforen om te verwoorden hoe zij naar het leren door en vormen van de leerlingen kijken. Wetenschappelijk onderzoekers gebruiken metaforen onder meer om maatschappelijk draagvlak voor hun onderzoekswerk te verkrijgen (‘de strijd tegen kanker’). Ontwerpers gebruiken metaforen om nieuwe wegen in te slaan (!). En ga zo maar door.

Ook adviseurs, waartoe ik ook vele jaren behoorde, maken graag gebruik van metaforen en wel op verschillende manieren. Ik noem er hier twee: de metafoor als onderzoeksinstrument en de metafoor als instrument om na te denken over de toekomst.

De metafoor als onderzoeksinstrument

Terwijl ik dit blog schrijf, betrap ik mezelf keer op keer op de vele metaforen die opgesloten liggen in onze taal. Neem de aanduiding: onderzoeksinstrument. Het tweede deel van dit woord berust op overdracht van een heel concrete verwijzing (instrument: hamer, beitel, schep) naar een abstracte betekenis.

Laat ik beginnen met een heel herkenbaar voorbeeld. Vaak wordt in onderzoek van onderwijsorganisaties (scholengroepen, scholengemeenschappen, scholen) melding gemaakt van aanwezigheid van een ‘familiecultuur’. De argeloze buitenstaander zal dit woord al snel met ‘warm’, ‘knus’ en ‘intiem’ associëren, maar de betere verstaander weet dat in de regel het tegendeel wordt bedoeld: de afwezigheid van een ‘professionele cultuur’, de standaard van deze tijd en daarmee een standaardoppositie. Familiecultuur staat voor gesloten cultuur, voor elkaar ontzien, voor je onthouden van feedback, voor het laten voortleven van het zwarte schaap, en zo meer. Onderwijsadviseurs lepelen feilloos de kenmerken van beide culturen (familiecultuur resp. professionele cultuur) op, gevolgd door het voorspelbare advies dat er werk aan de winkel is.

De populaire televisieserie De luizenmoeder geeft een prachtige karikatuur van een organisatiecultuur waarin iedere leerkracht koning (en in de serie met name: koningin) in eigen klas is. De deuren zijn dicht, de juf is de baas in de klas en in de functioneringsgesprekken wordt dit zorgvuldig in stand gehouden. Eilandjes zonder inhoudelijke verbinding, een directeur die zichzelf als een visionair aanduidt maar waar we alleen kolderieke voorbeelden van zien zoals de Winterklaas – heerlijke kost (!) vooral bedoeld om een royale glimlach op te wekken. (Waar De luizenmoeder vooral een hilarmorganisch beeld schetst, geeft de Netflix-serie Rita een veel serieuzer en realistischer beeld van de maatschappelijke vraagstukken waarmee scholen en ouders te maken hebben.)

Metaforen als onderzoeksinstrument bieden de mogelijkheid om de cultuur en praktijken in een organisatie te benoemen in een beeld. Een van de eersten die hier veel aandacht aan besteedde, was Gareth Morgan die een typologie van organisatiemetaforen gaf met daarin:

– Organisaties als machines. Arbeidsdeling, specialisatie, eenheid van productie, scheiding beleid en uitvoering, stabiele omgeving.
– Organisaties als organismen. Subsystemen, behoeften, survival of the fittest, open naar de omgeving.
– Organisaties als hersenen. Lerende organisaties, reflectie, single-loop-learning, double-loop-learning.
– Organisaties als culturen. Ideologie, waarden, wetten, rituelen, symbolische betekenissen.
– Organisaties als politieke systemen. Processen, conflicten, machtssystemen, belangen.
– Organisaties als mentale gevangenis. Orwelliaanse omgeving.
– Organisaties als voortdurende verandering en transformatie. Identiteit organisatie, interne gehechtheid, interne balans t.o.v. buitenwereld.

Een ander bekend voorbeeld is de kleurensymboliek van De Caluwé c.s. waarin de kleur staat voor een bepaald cultuurkenmerk (zoals een ‘blauwe’ organisatie).

In dit gebruik van de metafoor als onderzoeksinstrument zitten zowel positieve als kritische kanten. Het is interessant en ook wel verleidelijk om de cultuur en praktijken binnen een organisatie te duiden in termen van een van deze typeringen maar in de regel zijn organisaties veel complexer en diffuser dan deze typeringen je willen doen geloven. Morgan is zelf trouwens de eerste om je te behoeden voor de valkuil om te kiezen voor slechts één typering: vaak is sprake van een mix!

Filosofisch is er nog een kanttekening te plaatsen: in elk van deze typeringen wordt uitgegaan van ‘organisatie’ als een vaststaande entiteit, een ontologische eenheid, maar dat is wel een aanname. Voor hetzelfde geldt is een veel diffusere omschrijving van een organisatie mogelijk: ‘werkte ik bij B&T of werkte B&T bij mij en bij mijn collega’s?’ Met andere woorden, wat is de precieze aard van de structuur die ons verbindt tot wat we labelen als ‘B&T’?

De metafoor in denken over de toekomst

Organisaties bezinnen zich permanent en in sommige periodes zelfs in verhevigde mate op de toekomst. We noemen het met een impliciete verwijzing naar de krijgskunst: ‘strategische’ discussies. Adviseurs (en zij niet alleen) zetten graag de metafoor in om discussies hierover binnen een organisatie te voeren op een wijze dat veel belanghebbenden (steeds vaker liefst van binnen èn van buiten) zich kunnen verbinden aan zowel het proces als het resultaat. Zo zag ik tijdens mijn loopbaan strategische beleidsplannen van onderwijsorganisaties vorm krijgen in spoorboekjes, routekaarten, stadsplattegronden, landkaarten, fotoboeken met bijschrift, placemats, …..

En zo zag ik in toekomstgerichte discussies heel veel metaforen voorbij komen. Ik noem er een paar:

– De toekomst vergt strijd/gevecht met termen uit de krijgskunst: strategie, doelen, effecten, opdracht, missie, tactiek, wapens, interventies, (concurrentie-)slag leveren, (ook steeds populairder:) vlootschouw, … Onderliggende metafoor: organisaties bevinden zich in een permanente oorlogssituatie.
– Sturen en besturen is als navigeren met termen als sturen en bijsturen, op koers liggen, koersplan, opstomen, stip op de horizon, tegen de stroom oproeien, stroomlijnen (?), aanvliegroute, optuigen, zinkend schip, ten onder gaan, landen, kompas. Leidinggeven is een boot resp. vliegtuig besturen.
– We bevinden ons met onze scholen in een marktsituatie: Ouders en leerlingen zijn klanten en gedragen zich als consumenten, er is onderlinge concurrentie, er is behoefte aan een profiel, merk , USP, afnemer, afrekenen,…
– De toekomst is als een onbekend gebied en wij gaan op ontdekkingsreis: mijlpalen, ontdekken, route, bestemming, hindernis/obstakel, verrassing, expeditie, afzien, onderweg zijn, je laten verrassen, op weg gaan, stappen zetten, meters maken, in kaart brengen,….
– De toekomst is net zo wispelturig als het weer: storm, wind mee/tegen, na regen komt zonneschijn, kan vriezen of dooien, overwinteren, ….
– We bevinden ons in permanente competitie met anderen. De metafoor van de sport: de lat hoog leggen, uitdagen, presteren, knallen, coachen, succesjes vieren, grenzen verleggen, teamwork, samenspel, uitdaging, winnen en verliezen, hoe zitten we in de wedstrijd?….
– We zijn authentieke professionals. Metafoor van het ambacht met gebruik van termen als toolbox, gereedschapskist, instrument, handvatten, stroomschema, iets in elkaar timmeren, iets opbouwen of afbouwen, ontmantelen, dichtkitten, afhechten, handwerk, opruimen, …..

Wat gebeurt er als we dit soort metaforen gebruiken in advieswerk?

– Ze appelleren aan de verbeelding en worden in de regel breed herkend waardoor er ook een breed draagvlak voor is.
– Ze dagen uit om in een bepaalde richting (mee) te denken, ze genereren positieve energie.
– Ze lokken creatieve (= onverwachte, nieuwe) gedachten uit: door de beelden gaan deelnemers hun eigen werkelijkheid op een andere manier bezien en herdefiniëren.
– Ze stimuleren, genereren beweging (letterlijk en figuurlijk).
– Ze creëren een werkelijkheid waarin realiteit en beeld in elkaar overgaan, elkaar annexeren (de metafoor en het gemetaforiseerde gaan in elkaar op).

De keuze voor een bepaalde metafoor is bepalend voor de uitkomst; de metafoor genereert een eigen werkelijkheid. (Denk bijvoorbeeld aan de sportmetafoor in onderwijs-/opvoedingssituaties: de overheersende nadruk op het competitieve karakter leidt onherroepelijk tot een eenzijdig beeld van opvoeding en vorming).

Slot

Tot zover over metaforen in ons dagelijkse taalgebruik en over metaforen die in werksituaties veelvuldig worden gebruikt. Metaforen, we kunnen niet zonder. Toch blijft het opletten geblazen. Daarom sluit ik af met en waarschuwing van de bestuurskundige Mark van Twist:
‘Als je niet oppast, nemen metaforen je eerst bij de hand en dan bij de neus’ (ze laten je geloven in je zelfgecreëerde werkelijkheid).

Eerdere blogs in deze serie Verborgen filosofie in de taal van de adviseur:

blog 1:http://harmklifman.nl/2017/11/15/verborgen-filosofie-in-de-taal-van-de-adviseur-1/

blog 2:http://harmklifman.nl/2017/12/01/verborgen-filosofie-in-de-taal-van-de-adviseur-2/

 

Share
This entry was posted in Reflecties and tagged , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *