Het narratief van ‘Egmond’

Daar gaan ze dan, de ruim 18.000 deelnemers aan de halve marathon van Egmond, editie 2018 – de openingsklassieker van elk nieuw jaar. In een lang lint trotseren zij de elementen die zich op dit befaamde parcours altijd duidelijk laten zien. Het rulle zand van het strand, de stevige wind en de zoute bries van de zee doen zich gelden. Deelnemen aan deze loop betekent: tijdelijk verkeren in een bijzondere wereld die gedragen wordt door een even bijzonder ‘verhaal’. ‘Egmond’ mag symbool staan voor dit narratief, als treffend voorbeeld van een ‘wereld’ waarin soms heftige metaforen nodig zijn om de unieke belevingen van zijn ‘bewoners’ uit te drukken.

Saamhorigheid

Ook al noem je het een wedstrijd, het overgrote deel van de deelnemers aan deze loop over ruim 21 km zal de tegenstander toch vooral in zichzelf lokaliseren. Waar de toplopers tegen elkaar strijden egmondom het eremetaal zullen de recreanten de loop vooral beschouwen als een wedstrijd met zichzelf, met de eigen ambities en met de resultaten uit het eigen loopverleden. Voor de laatsten gaat het meer om samen strijden tegen jezelf dan om alleen strijden tegen elkaar. Er is onder recreanten dan ook een duidelijke saamhorigheid voelbaar.

Rituelen

Rond de loop is sprake van een reeks geritualiseerde momenten. Velen zullen in hun voorbereiding en op de dag van de loop hun vaste handelingen uitvoeren als quasi religieuze rituelen die vertrouwen moeten wekken en onzekerheden moeten verkleinen. Gehoorzame onderwerping, toegewijde uitvoering van deze handelingen zijn bedoeld om onzekerheid om te vormen tot gezonde spanning.

Gemoedstoestanden

Tijdens de loop is sprake van een min of meer vaste sequentie van gemoedstoestanden. Eerst is er de fase van de concentratie, van hyperbewustzijn, van focus op het in het juiste ritme brengen van het lichaam. Het is de fase waarin de loper verleid wordt om zijn eigen tempo en ritme af te stemmen op die van de lopers in zijn directe omgeving, met het grote risico dat te snel wordt gestart – hetgeen onvermijdelijk leidt tot problemen later. Het is de fase van ombouw van mentale voorbereiding naar gedurige actie van het lichaam.

mark rowlandsDe startfase wordt gevolgd door de fase van het regelmatige ritme. Dit is de fase waarin, om met de filosoof Mark Rowlands te spreken, het geconcentreerde, actieve denken plaats maakt voor gedachten. Het bewustzijn verkeert in een staat van ontvankelijkheid. Gedachten komen en gaan als die gedachten er zelf klaar voor zijn; ze worden niet gemanipuleerd. Of, in de woorden van de bekende romanschrijver Haruki Murakami: gedachten komen en gaan als wolken aan de hemel, meedrijvend op de wind. Veel lopers noemen dit de fase waarin ‘je je hoofd leegmaakt’. Deze bewoording suggereert dat het om een bewust gekozen handeling van het denken gaat, maar dat wordt niet zo bedoeld. Het is een ‘constatering achteraf’ in termen van ‘activiteit tijdens’.

murakamiVoor Murakami is dit de fase waarin er eigenlijk niet zoveel bijzonders gebeurt in het hoofd. Hij krijgt dan ook ‘hoogst zelden’ een idee voor een nieuwe roman. Rowlands gaat op zoek naar een (natuur-)wetenschappelijke verklaring voor het ontstaan van de ervaren leegte en legt die bij de doorwerking van het ritme van de beweging op de geest. Hierdoor ontstaat ruimte voor nieuwe gedachten. Rowlands legt dit moment van ongevulde ruimte later dan ikzelf persoonlijk steeds ervaar. Voor mij komt dat vaak al heel snel: zodra ik in een vast ritme kom, pluk ik als een volleerd goochelaar het ene na het andere nieuwe idee uit het niets. Het levert mij, zeer tot mijn genoegen, de creatiefste momenten van de dag op. Dit doet mij twijfelen aan de natuurwetenschappelijke verklaring rond gammagolven waar Rowlands het in zoekt.

Lijden

En dan is er het moment waarin het harmonische samenspel tussen lichaam en geest stokt omdat er moeheid optreedt in de benen. De strijd begint nu echt, gelet op de weerstand van het lichafil duurloopam. In het narratief van ‘Egmond’ is nu sprake van stevige taal en grote woorden als ‘afzien’, ‘lijden’, ‘doodgaan’ zelfs; kortom het is nu ‘erop of eronder’. De geest moet alle zeilen bijzetten om het lichaam in cadans te houden, tot ‘voorliegen’ (Rowlands) toe. Dit laatste klinkt antagonistisch en bevestigt voor Rowlands het gelijk van Descartes dat lichaam en geest toch echt verschillende dingen zijn. Maar een bewuste duurloper hoeft geen filosoof te zijn om te weten dat elk rigide antagonisme van lichaam en geest leidt tot een mislukte loop. Met andere woorden, lichaam en geest hoeven niet gedurende de hele loop op dezelfde afstand van elkaar de geplande route af te lopen, maar mogen elkaar ook niet uit het zicht verliezen. Samenspel in welke vorm dan ook, blijft van begin tot eind geboden. Murakami verwijst naar een mantra waarmee veel lopers zichzelf in deze fase op de been houden: ‘pain is inevitable, suffering is optional.’ De ervaren loper zal zich realiseren dat de pijn die gevoeld wordt, weliswaar niet valt weg te denken, maar dat hoe je er mee omgaat toch echt je eigen keuze is.

Heroïek

Gelukkig, er komt een moment dat de finish in zicht is en de overwinning nabij. De ware held vergeet op slag het geleden leed en beleeft zijn of haar heroïsche moment in de theatrale beweging van het strekken van de armen op het moment dat hij of zij de meet passeert, om zich vervolgens met het eremetaal te laten omhangen, klaar voor de foto waarop daar de tanden in worden gezet.

Voor velen is deze sequentie van fasen nauw verbonden met het narratief van de strijd: van vooraf zorgvuldig bewapenen met passende kleding en proviand voor onderweg, van verwachtingsvol maar ook gespannen oprukken, van de ontmoeting met stevige tegenstand, van onversaagd doorgaan en zichzelf moed inspreken, en van volharding die eindigt in de extase die de overwinning op de ander (of zichzelf) teweegbrengt, tenslotte gevolgd door de zalige roes van diepe trots.

Grote filosofen

Voor de filosoof Mark Rowlands leverden deze fasen tijdens de marathon waarvan hij in zijn boek verslag doet, een diepgaand, tot zelfs in zijn fysiek voelbare inzichten op in essentiële reflecties van grote filosofen uit de geschiedenis: Spinoza, Descartes, Hume, Sartre (‘de reuzen op wier schouders wij staan’). Via hen en anderen zoals Moritz Schlick herontdekte (‘herinnerde’) Rowlands de ervaring van het kind in zijn spel: het samenvallen met jezelf in de handeling die je verricht, de handeling om de handeling zelf. Rowlands bestempelt dit als de ervaring van intrinsieke waarde die het leven de moeite waard maakt (en daardoor zin geeft).

Lopen en schrijven

boek harukiVoor een romancier als Haruki Murakami is hardlopen een belangrijke leerschool voor zijn schrijverschap. Hij signaleert een belangrijke parallel. Terwijl veel mensen denken dat een schrijver vooral met zijn hoofd bezig is, vestigt Murakami er de aandacht op dat ook het schrijven van een boek ook een zware fysieke activiteit is waarvoor een goede conditie noodzakelijk is. Hardlopen ondersteunt het schrijven en draagt erin bij dat de auteur productief kan blijven. Maar hardlopen is ook meer dan dat.

Intrinsieke waarde

Ondanks de verschillen delen Rowlands en Murakami een belangrijk inzicht, namelijk dat de herhaalde handeling van het hardlopen valt buiten het schema van het zogenoemde ‘instrumentele denken’. We komen dit tegen in uitspraken als ‘ik loop hard om me fit te voelen, om af te vallen, om buiten te zijn,…’- kortom hardlopen met het oog op iets anders, hardlopen als middel om een buiten het hardlopen liggend doel te bereiken. Hardlopen overstijgt dit schema van het instrumentele denken om te worden tot een intrinsieke waarde, een activiteit die om zichzelf beoefend wordt omdat die in zichzelf van waarde is. En Murakami voegt daar aan toe: ’echt waardevolle dingen kun je vaak alleen maar verwerven via onrendabele bezigheden.’

Montaigne266px-Montaigne-Dumonstier

Ik sluit af met een persoonlijke ervaring waarvan de 16de-eeuwse filosoof Michel de Montaigne melding maakt in een van zijn befaamde De Essays: ‘De meest intense genoegens en smarten zijn die van het lichaam, omdat ze zowel mentaal zijn als fysiek, en het meest direct.’ (III,13). De lopers van ‘Egmond’ en van al die andere duurlopen, zullen dit volmondig beamen.

 

Gebruikte literatuur:

Mark Rowlands, Filosofie van de duurloop. Amsterdam: De Arbeiderspers 2016.

Haruki Murakami, Waarover ik praat als ik over hardlopen praat. Amstel-sport 2010.

Michel de Montaigne, De Essays. Amsterdam: Atheneum-Polak & Van Gennep 2004

Denkt u dat dit blog ook interessant is voor anderen? Deel het dan gerust in uw sociale netwerken. 

Share
Posted in Lopen | Tagged , , , | 1 Comment

Passend lezen

Zittend achter mijn bureau of in de bruine, gemakkelijke stoel op mijn studeerkamer ben ik aan drie zijden omgeven met boeken. Vóór mij het raam dat uitzicht biedt op de achtertuin met daar weer achter de huizenrij van de straat die parallel aan de onze loopt. Rechts, links en ook achter mij boekenkasten die uitpuilen. Ook op mijn bureau een rijtje met de boeken die me op dit moment bezig houden; om erover te kunnen beschikken hoef ik mijn stoel niet uit. Ik ben, nu met pensioen en weer aan het studeren, weer lekker aan het lezen. Maar, doe ik dat ook goed, dat wil zeggen ‘passend bij het genre’?

Lacune leesgeschiedenis

Ik lees graag en zo mogelijk veel en. Ik ben gewoonlijk in drie of meer boeken tegelijk bezig. Zo wissel ik het lezen van filosofie af met het lezen van romans of thrillers. Daarnaast is er altijd wel een verzamelbundel waar ik regelmatig losse hoofdstukken uit lees. Op dit moment zijn dat de prachtige ger groot geesten mooi geïllustreerde verzamelbundel Alle Vogels van Koos van Zomeren en de breed opgezette en eveneens rijk geïllustreerde geschiedenis van de moderne filosofie De geest uit de fles van Ger Groot.

De waardering voor boeken dateert uit mijn tienerjaren toen we in de derde klas HBS begonnen met literatuur. Vanbigglesaf dat moment heb ik veel gelezen. Daarvoor deed ik dat betrekkelijk weinig hoewel daar geen belemmeringen voor waren. Mijn moeder las veel en haalde ook boeken uit de bibliotheek. Wij kregen als kinderen op 5 december, met kerst en met onze verjaardag ook wel een boek, maar toch, van jeugdliteratuur is me weinig meer bij gebleven dan dat ik Pietje Bel las en deeltjes uit de Biggles-avonturenserie en zo nog een enkel boek, meestal uit de jeugdseries van christelijke uitgever Callenbach. Maar als ik nu zie hoeveel mijn kleinkinderen lezen dan kan ik gerust stellen dat ik de fase van de kinder- en jeugdliteratuur grotendeels heb overgeslagen. Er zit een forse lacune in mijn persoonlijke leesgeschiedenis.

 

Belang van lezen

Lezen is belangrijk omdat het nieuwe werelden opent en daarin nieuwe mogelijkheden toont om met de vragen van het leven om te gaan – dit veelgehoorde statement is een belangrijk argument in het pleidooi voor instandhouding van een leescultuur. Literatuur brengt je in andere werelden dan de jouwe, vergroot daardoor jouw wereld en bied je de mogelijkheid om te proeven aan andere manieren van leven, andere waardepatronen, andere prioriteiten van mensen. En als er iets is waar deze tijd zeker behoefte aan heeft dan is het wel dat mensen empathie ontwikkelen voor manieren van leven die niet de hunne maar die wel aanwezig zijn in hun nabije omgeving, met evenveel recht daarop als zij opeisen voor zichzelf en voor hun eigen manier van leven. Ik ben het met dit statement helemaal eens. Dit alleen al is een goede reden om subsidies aan bibliotheken in stand te houden opdat de lezersbijdrage beperkt kan blijven en niemand verstoken hoeft te zijn van de mogelijkheid om te lezen.

Ik zou er nog een belangrijk argument aan toe willen toevoegen dat ik ontleen aan eigen ervaring maar die door veel leerkrachten in het basisonderwijs in versterkte mate zal worden beaamd. Toen ik na de middelbare school Nederlands ging studeren had ik vaak de ervaring van een tekort aan woord- en zaakkennis. Mijn woordenschat was gewoon niet erg groot, mogelijk als gevolg van een te beperkte leesgeschiedenis. Op de middelbare school heb ik erg goed leren zinsontleden en woordsoorten benoemen maar op het vlak van woordenschat ging ik toch betrekkelijk matig gevuld de universitaire wereld binnen. Allengs is dat bijgetrokken, gelukkig. Ik heb dit overigens nog wel als het gaat om de moderne vreemde talen, maar hier is de oorzaak een andere. Na mijn studies Nederlands en filosofie heb ik ‘ambtshalve’ weinig in het Engels, Duits of Frans hoeven lezen. Nu ik weer ben gaan studeren leg ik daarom woordenlijsten aan van mij onbekende woorden in de teksten (artikelen en boeken) die ik lees om aldus doende mijn woordvoorraad weer te vergroten. Ik volg hierbij het advies van mijn vroegere leraar Frans, de beminnelijke heer Oosterveld, die ons aanraadde om alle onbekende woorden in de eerste tien bladzijden van een boek op te zoeken. Vaak kom je die woorden verderop in de tekst ook weer tegen en weet je dan wat ze betekenen. Ik geef de tip graag door.

Appèl op verbeelding

Lezen, het gebruik van boeken, was eeuwenlang dé manier om kennis te verspreiden en ervaring over te dragen. Dat geldt in principe voor elk boek, fictie en non fictie, en voor studieboeken in het bijzonder. Sinds jaar en dag zijn daar allerlei media bijgekomen die elk weer andere mogelijkheden bieden en waarin niet geschreven tekst maar beeld en geluid de informatiedragers zijn zoals op tv, in films, cd’s, dvd’s, vlogs, noem maar op. Deze combinaties van beeld en geluid maken het mogelijk om te elimineren wat bij het boek tegelijk zowel de sterke als de zwakke kant is: de eigen inbreng van de lezer/kijker, het appèl op en actieve inzet van de verbeelding. Waar het boek een permanent en consequent beroep doet op de verbeelding van de lezer schotelen de andere media, waarin beeld en geluid samenkomen, de kijker veel concreter ingevulde contexten voor dan het boek. Er wordt als het ware voorgesorteerd op de verbeelding van de kijker/luisteraar; die krijgt al richting mee. Overigens is interessant dat er de laatste tijd ook weer veel kritiek is op dit voorsorteren, of het nu gaat om de presentatie van nieuwsfeiten (zie de publicaties van Joris Luyendijk) of om meer abstractie boodschappen zoals in reclames (‘je bent pas gelukkig als….’).

Meanderend schrift

Over het schrift als medium is in de filosofie veel geschreven met, de laatste decennia, het werk van Derrida als het meest uitgesprokene en verdiepende. Waar het schrift eeuwenlang is geschuwd als tweederangs en een afgeleide van het gesproken woord vestigt Derrida de aandacht op de eigenstandigheid van het schrift. Voor Derrida is het schrift een fascinerend fenomeen dat zich niets Derrida-by-Pablo-Seccalijkt aan te trekken van zijn schepper, de auteur, of van zijn lezer. Het schrift meandert vanuit een eigen autonomie door het leven van de mens en opent een schier onmetelijk reservoir van betekenissen hetgeen al genoegzaam duidelijk is uit het gegeven dat iedere lezer afzonderlijk zijn eigen voorstellingen heeft bij hetgeen hij leest. De gedachte dat de tekst een neutraal middel, een medium is dat een objectief vast te stellen boodschap overbrengt, is een illusie – ook al zijn er situaties waarin we wel móeten geloven in die illusies om het samenleven leefbaar te houden.

Nog meer gaten

Wie over een fotografisch geheugen beschikt, zal, zo veronderstel ik, in staat zijn om veel van het gelezene te onthouden. De wiskundige Euler en vóór hem de grote theoloog Thomas van Aquino waren volgens Douwe Draaisma (De metaforenmachine) gezegend met een dergelijk geheugen dat hen in staat stelde tot exacte reproducties van het gelezene. Het komt me voor als een ambivalent metaforenmachinegenoegen maar het heeft deze wetenschappers ver gebracht en in staat gesteld tot uitzonderlijke intellectuele prestaties.
Zelf heb ik zo’n geheugen niet, sterker nog, ik ervaar het als frustrerend dat ik maar zo weinig onthoud van wat ik heb gelezen. Van veel van de boeken die mij omgeven weet ik na een tijdje alleen nog bij benadering waar ze over gingen, laat staan dat ik details heb onthouden. Ik zie dit als een gebrek waar ik op dezelfde wijze mee kan omgaan als met andere gebreken zoals beperkingen in het ver zien en het verlies van een aantal kiezen. Beiden heb ik gecompenseerd door de aanschaf van protheses, in de mond en op de neus.

Protheses
De protheses die ik inzet om de tekorten van mijn geheugen te compenseren zijn er twee. De eerste is dat ik aantekeningen maak tijdens het lezen, in de kantlijn maar ook en vooral achterin een boek. Dit bevordert de concentratie en biedt mij de mogelijkheid om gemakkelijk terug te grijpen op relevante passages of op kritische aantekeningen bij het lezen. Ook noteer ik hier bijzondere woorden, associaties met andere boeken en mooie passages zodat ik ook die gemakkelijk kan terugvinden.

boekenschriftDe tweede prothese, en dat is er een waar ik veel plezier van heb en ook aan beleef, is dat ik een boekenschrift heb. Ik ben hiervoor geïnspireerd na lezing van De plezierfactor van Felix Eijgenraam. In dit boekenschrift ‘registreer’ ik twee dingen. Vanaf de achterste bladzijde terugschrijvend registreer ik welke boeken ik heb gelezen, per jaar en vervolgens per maand. Zo kan ik terugzien of ik een boek al heb gelezen en wanneer. Deze registratie vind ik niet alleen prettig om indien nodig op terug te vallen, maar heeft ook een functie voor de tweede manier van registreren. Die behelst het bewaren van mooie zinnen of passages in het voorstel deel van het boekenschrift. Ook korte recensies, samenvattingen, beoordelingen en dergelijke krijgen daar hun plek. Het is niet zo dat ik van alle boeken die ik lees, iets opschrijf maar van de meeste wel. Elke recensie sluit ik af met het vermelden van de maand waarin die is geschreven. Via de registratie aan de achterzijde kan ik dan bladerend door het eerste deel van het boekenschrift gemakkelijk terugvinden of en zo ja wat ik van een bepaald boek heb opgeschreven.

Vooral dat eerste deel van het boekenschrift met citaten en recensies verschaft me veel plezier. Het gebruik gaat terug op een klassieke manier van ‘bewaren’: die van de florilegia, de bloemlezing. In zijn traditionele gedaante bevat de bloemlezing het beste uit een bepaald genre (poëzie bijvoorbeeld) of het beste uit het oeuvre van een auteur. Zo bezien is mijn boekenschrift daar een variant op namelijk een verzameling van het beste uit wat ik gelezen heb. Ook deze betekenis past goed binnen het concept ‘bloemlezing’.

Varianten in lezen
‘Een roman lees je anders dan een filosofisch werk’ – ja, zo zou het moeten zijn en zo ben ik indertijd ook ‘opgevoed’. Maar gaande de jaren en met heel veel meer romans achter de rug dan filosofische werken is er toch een andere praktijk ontstaan. Die komt er op neer dat ik de neiging heb om filosofische werken te lezen als ware het romans. Is dat erg? Nou ja, het is maar hoe je het bekijkt. Wat ik merk is dat ik de essentiële verschillen tussen twee manieren van lezen, tussen twee leesstrategieën, lang heb genegeerd waar ik. Nu ik weer ben gaan studeren ondervind ik daar toch wel een hinderlijk gevolg van. Als ik het goed zie, doet het lezen van een roman een beroep op andere mentale functies dan het lezen van een filosofisch werk als-filosofisch-werk.

Een roman lezen

Bij het lezen van een roman, zo signaleer ik bij mezelf, zijn verschillende mentale functies actief. Ik kom tot drie daarvan:
– Identificatie: meeleven met de personages in het verhaal, je identificeren met een of enkele personen, in het verhaal meegaan dus, eventueel er in opgaan of er in verdwijnen.
Esthetische oriëntatie: het wel of niet beleven van schoonheid, in het taalgebruik, in de beelden, ook in de compositie of structuur van de roman. Dit uit zich in momenten dat ik aantekeningen maak achterin het boek van mooie passages, aforistische stukjes, originele beelden,… Deze esthetische oriëntatie komt voor mij wel nauwkeurig. Als een boek mij na 50 pagina’s nog niets geboden heeft dan twijfel ik over doorlezen. En een heel enkele keer ben ik al eerder klaar met een boek. Dat overkwam me bij lezing van Boek van de doden van Philip Huff. Na 35 pagina’s had ik genoeg van die bagger. Het omgekeerde komt ook voor. Dan zou ik van elke pagina wel iets willen vasthouden. Dat heb ik bijvoorbeeld bij het beeldrijke werk van Erwin Mortier en bij de mooie stijl van Stefan Hertmans, om maar een paar voorbeelden te noemen.
Kritische functie: het waarderen van een werk. Is het verhaal in zichzelf geloofwaardig? Dit betekent dat ik erop let of het verhaal als verhaal binnen de eigen grenzen daarvan overtuigt. Dat wil dus niet zeggen dat het verhaal moet kloppen met wat in de werkelijkheid wel of niet mogelijk is. heelmeesterNeem de recente roman Heelmeester van Marcel Vaarmeyer (niet te verwarren met het schitterende De heelmeesters van Abraham Verghese) die ik onlangs las. In werkelijkheid kan dit verhaal helemaal niet, daarvoor is het veel te veel een aangehouden hyperbool, met alle hilarische effecten van dien. En toch was het als product van rijke verbeelding maar met een ernstige boodschap in zichzelf geloofwaardig.

Een filosofisch werk lezen

Bij het lezen van een filosofisch werk moeten andere mentale functies actief worden ingezet. Zo leerde ik tijdens mijn studie filosofie dat je een filosofisch werk op drie/vier manieren kritisch kunt lezen:
Feitelijke kritiek: klopt het verhaal met wat we weten over de werkelijkheid? Zitten er geen feitelijke onjuistheden in of (erger) blunders?
Immanente kritiek: Is het verhaal in zichzelf consistent? Doet de auteur wat hij belooft? Gebruikt de auteur cruciale begrippen steeds in dezelfde betekenis of geeft hij er steeds een andere zwengel aan?
Transcendentale kritiek: Is er iets te zeggen over de normatieve waarde van cruciale begrippen? Wat zijn de transcendentale voorwaarden van het gebruik daarvan? Zoals: de auteur heeft het steeds over ‘leven’ of over ‘kunst’ of over ‘waarden’, maar welke normatieve lading geeft hij aan die begrippen? Bijvoorbeeld door de complexe betekenis van een begrip te reduceren tot één element ervan? Denk aan een strikt biologische (‘biologistische’) kijk op menselijk leven of het herleiden van menselijke emoties tot ‘stofjes in het brein’ (materialisme).
Transcendente kritiek: Terwijl de transcendentale kritiek zeer geprezen werd, werd de transcendente kritiek buiten het domein van de geoorloofde filosofische kritiek geplaatst. Met andere woorden: kritiek in de zin van ‘in mijn geloof kijk ik hier anders naar’ of ‘mijn geloof leert me dat…’ werd als niet-filosofische bestempeld.

I. KantHet zal duidelijk zijn dat het bij het lezen van een filosofisch werk gaat om een heel andere omgang met een tekst dan in de situatie van een roman. Daar moesten we als beginnende filosofiestudenten ook echt in oefenen. Het was een apart vak in het rooster. Ook kregen we voor de eerste filosofische kennismaking met het werk van Immanuel Kant, namelijk lezing van diens Prolegomena zu einer jeden künftigen Metaphysik (een boekje van pakweg150 pagina’s) een leeswijzer van 1 A4 om er een weg in te vinden; dat was geen overbodige luxe. En onlangs las ik twee boeken over Nietzsche waarin beide auteurs (Paul van Tongeren resp. Michael Tanner) leesaanwijzingen geven bij bepaalde werken van deze denker. Zo wijst Van Tongeren op het proeven en vervolgens herkauwen van de vele aforismen en op de kunst om goede vragen bij de tekst te stellen.

Nu ik mijn aandacht aan het verleggen ben in de richting van de filosofie zal ik me dus weer iets van die oude en specifieke leestechnieken moeten toe-eigenen.

Hoe werkt dit bij u, lezer van dit blog? Herkent u zich in de onderscheiden mentale functies of komt u tot andere inzichten? Reacties zijn welkom!

Denkt u dat dit blog ook interessant is voor anderen? Deel het dan gerust in uw sociale netwerken.

Share
Posted in Boeken | Tagged , , , | 1 Comment

Machtsrelaties onder de waterspiegel?

‘Dwingen’ vreemde ogen wel echt en zo ja, hoe lang dan? En is externe verantwoording iets wat een professional echt ‘uit zichzelf moet willen’ of is hier sprake van ‘opgedrongen spontaniteit’? Is de klaagzang over bureaucratie uiting van frustratie en onmacht? En zo ja, onmacht ten opzichte van wie of wat? Het zijn niet de minste vragen en zal er ooit een afdoende of ieder bevredigende beantwoording mogelijk zijn? De vragen lijken uitdrukking van een complexiteit waaraan namelijk maar moeilijk valt te ontsnappen. Hoewel?

Actief als auditor

Laat ik beginnen met een persoonlijke ervaring. Een van de opdrachten die ik de afgelopen jaren met veel plezier heb uitgevoerd, was het uitvoeren van audits in opdracht van de Stichting Technasium. Scholen voor voortgezet onderwijs die het vak Onderzoek en Ontwerpen conform de principes van deze Stichting in hun onderwijsaanbod opnemen, onderwerpen zich daarmee aan een gezamenlijk overeengekomen systeem van kwaliteitshandhaving. (Dit systeem is recentelijk in revisie genomen; technasiumik spreek van de situatie die hier tot medio 2017 aan voorafging).
Een belangrijk onderdeel in dit systeem van kwaliteitshandhaving was het periodiek uitvoeren van audits waarbij een (extern) auditteam (‘de auditor’) volgens een bepaalde, tevoren afgesproken en bij de school dus bekende procedure, checkt of de school (‘auditee’) voldoet aan de overeengekomen kwaliteitsindicatoren. De auditor brengt vervolgens advies uit aan het bestuur van de Stichting dat beslist over verlenging van het predicaat. Er is daarmee sprake van een belangrijk civiel effect van de audit als instrument van kwaliteitshandhaving en toezicht.

Auditing kan worden omschreven als een vorm van externe verantwoording. Ik gebruik hier ‘verantwoording’ in de zin van ‘het leveren van bewijs dat voldaan wordt aan tevoren bekende criteria/normen’. Auditing is goed te situeren vanuit het perspectief van kwaliteitszorg: de gerichtheid op verantwoording vraagt naar de mate waarin zaken onder controle zijn. Daarmee onderscheidt auditing zich van visitatie waarin externen (vaak: collegiale) feedback geven op de school met het oog op ontwikkeling.
Terzijde: in de situatie van de Stichting Technasium werd gezocht naar een zekere mix van verantwoording en ontwikkeling al leerde de praktijk dat in de context van de audit de verantwoording toch altijd als de dominante dimensie werd ervaren. En juist dat laatste plaatst auditing volgens bepaalde auteurs en criticasters van dit toezichtinstrument in een bedenkelijk daglicht. In het proces van auditing is volgens hen sprake van een zo fundamentele en ingrijpende vorm van asymmetrie dat de praktijk van de audit kan worden opgevat als een panoptis200px-Jeremy_Bentham_by_Henry_William_Pickersgill_detailche situatie. En toen ik dat las, was mijn interesse direct en volledig gewekt want het panopticum kende ik van de ideeën van de Engelse filosoof Jeremy Bentham (1748-1832) en ik wist ook van de indrukwekkende wijze waarop de befaamde Franse Michel Foucault daar later mee aan de haal is gegaan. En nu keert dit panopticum dus terug als metafoor voor de situatie in de auditpraktijk – of beter: in een onderzoek naar de vraag of de auditpraktijk inderdaad vergeleken kan worden met die van het panopticum. Ik heb het over de dissertatie van Marja Creemers, getiteld Van panopticum tot arena. Een etnografie van een auditpraktijk waarop zij op 9 mei van dit jaar promoveerde aan de Universiteit voor Humanistiek. Een intrigerende titel!

Het panopticum als ideale gevangenis

Over Jeremy Bentham en in zijn spoor andere vertegenwoordigers van het utilitarisme las ik een jaar of wat terug het boek van Peter Venmans, Over de zin van nut. Een filosofisch essay. In dit boek gaat Venmans in op het denken van onder meer Bentham, John Stuart Mill, John Dewey, Peter Singer en 250px-Jeremy_Bentham_Auto-IconRichard Rorty. Op de omslag een mooie foto van Bentham (zie hiernaast) in zijn gedaante als (zoals hij dat vooraf zelf al noemde) auto-icoon. Hij gaf namelijk de opdracht dat hij na zijn dood geprepareerd wilde worden om daarna tentoongesteld te kunnen worden. Nou, en daar zit hij dan. Volgens Venmans is alleen het hoofd niet origineel maar een replica. Het illustreert mooi dat Bentham een origineel en gewaagd denker was die dwars tegen gevestigde opvattingen in durfde te denken. Als grondlegger van het later invloedrijke ‘Principe van het Grootste Geluk’ hield hij zich permanent bezig met de vraag hoe dingen anders, dat wil zeggen: beter, efficienter, goedkoper, en vooral, tot nut van meer mensen kunnen.

Eén zo’n probleem in zijn tijd was dat van de erbarmelijke omstandigheden in de gevangenissen. Om daar wat aan te doen ontwierp hij het panopticum: een zeer specifieke vorm van gevangenis die we nu nog terug kunnen zien in de koepelgevangenis in onder meer Breda. Bentham’s panopticum is een rond gebouw met in een buitenste cirkel verschillende, gestapelde lagen van gevangeniscellen met in het midden een toren. D250px-Panopticone cellen hebben naar buiten toe ramen, naar binnen toe tralies. Vanuit de toren biedt het tegenlicht de mogelijkheid om elke gevangene in beeld te hebben. Omgekeerd is het niet mogelijk voor de gevangene om in de toren te kijken. Daardoor zijn weinig bewakers nodig; de idee dat je als gevangene 24/7 gevolgd wordt, doet zijn werk. Gevangenen konden wel elkaar zien en daarmee elkaar in het gareel houden. En Foucault signaleerde later terecht dat de overgang van lijfstraffen naar volstrekte disciplinering daarmee was voltrokken.
Bentham vond het, aldus Venmans maar niets dat gevangenen niets deden; ze kostten alleen maar geld in plaats van iets op te leveren. Daarom zocht hij ook naar mogelijkheden om hen aan het werk te zetten, eveneens een nieuw idee voor die tijd. Bentham zag een grote toekomst weggelegd voor zijn ontwerp en achtte dat ook bruikbaar voor de oplossing van onder meer het grote armoedevraagstuk in zijn tijd.

Het panopticum als metafoor

Terwijl Bentham zijn ideale gevangenis beschouwde als een heel concreet en zeer nuttig middel om iets te doen aan maatschappelijke problemen, gebruikte Michel Foucault het panopticum als een metafoor voor de manier waarop machtssystemen in allerlei sectoren van de samenleving onderhuids hun diep inwerkende invloed uitoefenen op ons gedrag. En dat gaat in zijn beeld foucaultaanzienlijk verder dan het permanent geobserveerd worden (zoals dat nu weer ter discussie staat als gevolg van de ongebreidelde expansie van cameratoepassingen) – de machtssystemen beïnvloeden niet alleen ons denken maar ook en allereerst onze fysieke gesteldheid. Foucault ziet de mens om zich heen ingekapseld in ritmes, dagroosters, planningen, impulsen, vele vormen van gezag, toezicht, controle, verantwoording etc. Disciplinering is bij Foucault een vorm van strikte onderworpenheid aan een overall systeem waar je als individu nagenoeg geen invloed op hebt, sterker, waar je je zelfs klakkeloos naar voegt zonder er weet van te hebben, laat staan ervoor gekozen. Dat bedoel ik met onderhuids en met onder de waterspiegel. En het is dit indringende metaforische beeld van het panopticum, deze metafoor waarin Bentham’s project door Foucault wordt geradicaliseerd, dat door de criticasters van auditing als instrument in toezichtrelaties wordt opgevoerd als symbool van hun ergernis. Auditing is een systeem waarin de auditor alomtegenwoordig is, en waarin de auditee permanent zichtbaar, volstrekt onderworpen en niet méér dan object van informatie is en nooit subject daarvan. ‘Maar klopt het wel?’ zo was de vraag die Creemers zich stelde en waaraan zij een tweede perspectief toevoegde, dat van sensemaking zoals Karl Weick dat ontwikkelde.

creemersHet was een boeiende leeservaring om te zien hoe Creemers het karikaturale, Foucaultiaanse panopticum inzet als een heuristiek om een scherp beeld te tekenen van enerzijds de asymmetrische elementen in auditing maar die anderzijds ook te relativeren, wijzend op onder meer de vele momenten dat auditor en auditee de mogelijkheid hebben om via sensemaking de asymmetrie te neutraliseren. De vele anekdotische beschrijvingen uit dcreemers2e auditpraktijk zijn zeer illustratief en voor mij vaak ook herkenbaar uit mijn persoonlijke ervaring als auditor in opdracht van de Stichting Technasium. Allerlei vormen van gedragingen van auditees komen voorbij: van royale medewerking tot subtiele obstructie. De beschrijvingen zijn heel helder, haar analyses verlopen vooral door het citeren van markante uitspraken terzake uit de literatuur.
Deze dissertatie, die allereerst een proeve van bekwaamheid is van de promovenda en een bijdrage aan de wetenschap, is tegelijk zo concreet, praktisch, herkenbaar en toegankelijk geschreven, dat ik het boek graag aanraad aan iedereen die hetzij als auditor of auditee, hetzij als toezichthouder (en opdrachtgever van audits) actief is in dit domein van kwaliteitszorg.

De strekking van het onderzoek van Creemers is dat de situatie ten aanzien van auditing wel een stuk genuanceerder ligt dan het beeld van het panopticum waarmee Foucault de vele disciplineringsmechanismen in de moderne samenleving schetst. Het proces van auditing is weliswaar opgetuigd met een veelheid aan zogenoemde ‘sturingstechne’, maar is tegelijkertijd ook ingebed in complexe systemen en relatienetwerken waarin heel wat ruimte is voor sensemaking en tegenkracht (‘trekkrachten’). En ja, dan zijn er soms situaties waarin de kansen op sensemaking onbenut blijven en het hard tegen hard gaat. Dan is de arena daar een beter beeld voor dan het panopticum.

Auditing als exempel

Het aardige van het boek van Creemers is dat het me opnieuw bepaalde bij de vanzelfsprekendheid en het gemak waarmee in het publieke domein gesproken wordt over toezicht, verantwoording, transparantie, borgen, documenteren, aantonen, bewijzen, …. en bij het gemak waarmee deze begrippen operationeel worden voorzien van ‘sturingstechne’ zoals bestanden, protocollen, reglementen, afspraken, normen, criteria …. En ook al hebben de criticasters van auditing volgens Creemers geen correct beeld van hoe auditing in de praktijk werkt waardoor hun oordeel in de lucht komt te hangen, de Foucaultiaanse interpretatie van Bentham’s panopticum maakte me wel opnieuw gevoelig voor de machtsrelaties die onder de waterspiegel hun werking hebben en niet ter discussie staan. Terwijl er wel een grote behoefte is aan minder druk vanuit de diepte en aan meer oog voor positief drijvende krachten zoals inspiratie, ruimte, innovatie, …..

Nieuwe balans

Die behoefte aan ruimte voor professionaliteit, aan eigen verantwoordelijkheid, aan de mogelijkheid om als individuele beroepsbeoefenaar gebruik te kunnen maken van je ‘discretionaire bevoegdheid’ maar ook aan in gezamenlijkheid te zoeken naar nieuwe wegen – die behoefte klinkt ook duidelijk door cover-boek-de-geest-uit-de-fles_1000-185x230in het boekje De geest uit de fles. Van bureaucratie naar bezieling. De titel laat geen misverstand bestaan omtrent de bedoeling. In dit boek is Tijmen Bolk samen met enkele schoolleiders op zoek naar een nieuwe balans tussen verantwoorden enerzijds en innoveren anderzijds. In ons onderwijsstelsel is er behoefte aan beiden en de kunst is ‘hoe realiseer je een goed evenwicht?’.
Bolk is bepaald een gekende en erkende autoriteit op het gebied van kwaliteitszorg en weet zijn brede ervaring en uitgebreide kennis steeds goed te vertalPublicatie_kwaltiteitszorg-185x228en in overzichtelijke beschouwingen. In De geest uit de fles geeft hij acht principes voor de controlekant en eveneens acht principes voor de ontwikkelkant. Het gelijke aantal is op zich al uitdrukking van het streven naar balans. Met het geven van ‘principes’ vervolgt hij de richting die hij en zijn collega’s eerder uitzetten in Kwaliteitszorg heeft een geest!? Ook in dat boek wordt een pleidooi gehouden voor de zachte kanten van kwaliteitszorg.

Na bespreking van de beide reeksen principes reflecteren drie schoolleiders (PO, VO, (V)SO) aan de hand van trefwoorden als ‘bezieling’, ‘leiderschap’, ‘vertrouwen’, ‘toegevoegde waarde’ op de ontwikkeling van kwaliteitszorg en op wat zij daar vanuit hun functie zelf aan bijdragen. Dat leidt vaak tot mooie observaties, tot bekentenissen, tot inspirerende gedachten. En wat opvalt is dat de taal van de verantwoording, van de controle, volstrekt helder en eenduiding is en alom bekend, terwijl bij herhaling wordt opgemerkt dat er voor de andere kant van de balans, die van de innovatie en de inspiratie nog onvoldoende taal aanwezig is. Hier wordt nog gezocht, ontdekt, geprobeerd,… de woorden aan deze kant van de balans hebben nog geen afgebakende betekenis, ze zijn meer zoektermen dan oplossingen. Het is alsof hier de lichaamstaal het moet winnen van het gesproken woord. Het waren juist die signaleringen van de schoolleiders zelf die me bepaalden bij het diepere gelijk van Foucault: de disciplinering (het geheel van sturingstechne, de linkerkant van de balans) heeft zich dermate ingevreten in de manier waarop we met de kwaliteit van het onderwijs bezig zijn, dat het is gaan ontbreken aan een levendige taal voor wat ons ten diepste raakt en in beweging zet. De kracht van ‘de machtsrelaties onder de waterspiegel’ is dermate aanwezig dat ze maar moeizaam de weg opent tot een nieuw idioom dat het verlangen naar bevrijding verwoordt. En daarom vervullen ook hier metaforen een functie om in het onzegbare te voorzien, zoals het beeld van de trektocht: durven op pad te gaan zonder duidelijke notie van de bestemming. Daar is geen ondernemerschap voor nodig, zoals zo vaak zo modieus bepleit wordt, maar zin en zelfvertrouwen en vertrouwen in elkaar. Meer is’t niet maar ‘t is wel dat.

Vond u dit artikel nuttig en mogelijk interessant voor anderen? Deel het dan via uw sociale netwerken!

Share
Posted in Boeken | Tagged , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

8 Plussen en 8 minnen van ontwikkelingsmodellen

Verborgen filosofie in de taal van de adviseur -3- 

Je komt ze regelmatig tegen: modellen met daarin een weergave van de historische of conceptuele ontwikkeling van een vak of verschijnsel. Zulke modellen in de vorm van opeenvolgende fasen in de ‘evolutie’ van een vak of verschijnsel zijn in boeken en artikelen en ook in trainingen veelgebruikte hulpmiddelen door onderzoekers en adviseurs. En die hebben goede redenen om dergelijke modellen/schema’s te presenteren. Tegelijkertijd is het nuttig om te bedenken dat er niet alleen voordelen maar ook beperkingen kleven aan zo’n model. Met name die beperkingen komen niet altijd goed over het voetlicht. In dit blog daarom een overzicht van de plussen én minnen van dit soort schematische weergaven van een ontwikkeling.

Drie voorbeelden

Verspreid over dit blog treft u drie ontwikkelingsmodellen aan. Deze modellen zijn op het vrije internet beschikbaar en hier opgenomen om hun exemplarische waarde.
Het eerste is afkomstig uit een artikel dat Theo Schraven schreef voor Goed Bestuur (2, 2012, pag 58-59). Het betreft in het bijzonder de ontwikkeling van de governance in de zorgsector.
Het tweede vond ik op internet en is gericht op interne organisatievraagstukken.
Het derde is afkomstig uit een publicatie over kwaliteitszorg in het onderwijs, Kwaliteitszorg heeft een geest!? uitgegeven door B&T. Ik hoop dat de weergaven voldoende leesbaar zijn ;)

 

schraven!

Model 1: ontwikkeling governance zorg

Het vervaardigen van dit soort ontwikkelingsmodellen gaat niet vanzelf. Ze zijn het resultaat van een aantal mentale operaties die er op gericht zijn om de diversiteit in de werkelijke situatie op een bepaald domein te ontstijgen (abstraheren). Daardoor wordt het mogelijk om individuele situaties te her-vormen tot exempels die vervolgens, als exempels, worden geanalyseerd. Dat klinkt ingewikkelder dan het is, maar neem het schema van Schraven (model 1) als voorbeeld: hierin wordt de bestuurlijke situatie (de inrichting van de governance in de zorg) in allerlei concrete organisaties in beeld gebracht aan de hand van een serie kenmerken, in dit geval ‘dimensies’ genoemd. Daarbij kan het niet anders of er worden keuzes gemaakt omdat niet alle concrete verschillen kunnen worden opgenomen. Vergelijk het met het berekenen van een gemiddelde uit een serie getallen. De ervaring van de opsteller van dit model speelt hierbij een belangrijke rol want het is diens oordeelsvermogen dat hierin zorgt voor de juiste keuzes. En of de opsteller inderdaad de goede keuzes maakt, valt goed af te lezen aan de ontvangst van zijn model door vakgenoten.

gov hub

Model 2: TGH model

Wat zijn nu de plussen en de minnen, de voortreffelijke mogelijkheden en de even belangrijke beperkingen van het soort modellen dat hier wordt besproken?

De plussen

1. Zo’n model heeft de bedoeling en wordt in de regel ook ervaren als verhelderend: het geeft inzicht in een situatie, het brengt de werkelijkheid van een domein of een bepaalde sector gestructureerd en samenhangend in beeld.
2. Zo’n model geeft taal aan die werkelijkheid waardoor daar überhaupt over gesproken kan worden. De gekozen termen verwijzen naar handelingen of interacties die daarmee een naam krijgen, tot een entiteit worden en daardoor herkend en erkend. Het schema verkrijgt zodoende een communicatieve waarde in de zin dat het door de aangereikte taal en onderscheidingen een zinvol gesprek mogelijk maken en daarmee een reflectie op de eigen situatie. De modellen 1 en 3 hebben ook nadrukkelijk die bedoeling.
3. Zo’n schema ordent, integreert, geeft structuur en verleent zodoende ook een zekere logica aan een bepaalde situatie. Alle stukjes vallen op de goede plek, het microsysteem per verticale kolom is in zichzelf consistent. Dit geldt voor alle drie de geïllustreerde modellen.
4. Het model wint aan kracht als de samensteller er in slaagt om voor de invulling van de horizontale lijnen, dus de typerende kenmerken binnen een bepaalde dimensie, termen te vinden die binnen hetzelfde taalregister vallen maar onderling distinctief zijn. Dat maakt de vergelijking inzichtelijk en de verschillen concreet, herkenbaar en van betekenis.
5. De opeenvolgende (verticale) kolommen in model 1 bevatten in hun gezamenlijkheid een reconstructie (een analyse achteraf) van een ontwikkeling. De inherent veronderstelde gelijktijdigheid per verticale kolom zal in werkelijkheid diffuser zijn geweest dan het schema suggereert en dat is eigen aan ontwikkeling. Niet alle organisaties in een bepaalde sector zullen gelijktijdig de overstap van het ene taakopvatting naar de volgende taakopvatting hebben gemaakt. Er zal een zekere mate van ongelijktijdigheid in de synchroniciteit hebben gezeten. Ondanks deze verschillen in tempo is er, door het schema, een gesprek mogelijk.
6. Een ontwikkelingsmodel heeft een didactische waarde omdat het op het niveau van kennisoverdracht een helder beeld biedt van de ontwikkeling van bijvoorbeeld de governance (model 1) of de kwaliteitszorg (model 3) in een sector.
7. Het model heeft een codificerende functie doordat het (met terugwerkende kracht) conceptuele eenheid creëert en als het met enig geweld zijn helderheid oplegt aan het verleden. Met andere woorden, het verleden wordt met terugwerkende kracht geharmoniseerd.
8. Modellen als deze laten in de regel onbesproken wat de reden is voor de overgang van de ene taakopvatting naar de andere taakopvatting terwijl die er toch altijd zal zijn. Met andere woorden, er zal altijd een aanleiding zijn om te veranderen en die aanleiding is extern (nieuwe regelgeving, al dan niet onder invloed van ontsporingen in de sector) en daarmee nieuw en niet eigen aan de vigerende kolom. Óf de aanleiding is te motiveren vanuit ongenoegen in het opereren binnen de vigerende kolom zodat een volgende stap als wenselijk of noodzakelijk wordt ervaren. Het is interessant om bij reflectiebijeenkomsten dit verschil goed in beeld te hebben.
Model-strat-kwaliteitsmanagementkopieModel  3: Kwaliteitszorg onderwijs

De minnen

1. Om maar gelijk aan te sluiten bij het laatstgenoemde pluspunt: spreken over de volgende stap in een ontwikkeling suggereert dat ontwikkeling iets is dat metaforisch geduid kan worden als het afleggen van een bepaalde route en wel stappen in een opwaartse richting, van matig naar voortreffelijk. Iedere organisatie zet stappen en al die stappen volgen een bepaalde richting, als ware het een ‘Jacob’s ladder’. De ‘agile’-situatie in het THG-model oogt als het ultieme perspectief en ook model 3 betreffende kwaliteitszorg suggereert een serie cumulatieve verbeteringen.
2. De reconstructie zoals model 1 dat geeft van de governance-ontwikkeling in de zorgsector is een duiding achteraf die in die duiding spreekt in termen van gefaseerde tijdseenheden. Dit suggereert dat de overstap van de ene kolom naar de volgende systematisch en over de hele linie van dimensies tegelijk gebeurt, maar dit zal zelden het geval zijn.
3. in de lijn van een bekende en tegenwoordig vaak geciteerde uitspraak van de Deense filosoof Kierkegaard: „Het is beslist waar, zoals de filosofen zeggen, dat het leven naar achteren moet worden begrepen. Maar ze vergeten de andere kwestie, dat het leven naar voren moet worden 266px-Kierkegaardgeleefd.” De laatste kolom bevat de beschrijving van de actuele situatie, de situatie dus op het moment dat de opsteller het schema vervaardigt. Het schema suggereert dat de meest rechtse kolom niet alleen de actuele maar tegelijk de finale fase is; terwijl de logica van het schema zelf alles in zich heeft om te veronderstellen dat ook deze bui weer overwaait en er een nieuwe taakopvatting dominant wordt. En Kierkegaard maakt impliciet duidelijk dat daarbij keuzes moeten worden gemaakt met alle onzekerheden van dien. De helderheid achteraf is zelden ook de helderheid vooraf.
4. De categorieën uit de eerste kolom ( de dimensies in het schema 1 van Schraven) bevatten een hoewel weloverwogen, een keuze in kijkrichting. Deze keuze voor een bepaalde kijkrichting is gebaseerd op een combinatie van common sense en praktijkervaring, maar zal voor een wetenschappelijke rechtvaardiging nog wel een nadere onderbouwing behoeven.
5. Het schema heeft, zoals elk schema, een selecterende functie en ziet alleen wat het zien wil. Maar de hamvraag is en blijft ook dan: wordt alles gezien en meegenomen in de analyse of worden er ook zaken weggelaten of geëlimineerd? Ter illustratie model 1: op het eerste gezicht zou het antwoord kunnen zijn dat de linkerkolom echt alle wezenlijke elementen (dimensies) uit de governancestructuur in de zorg bevat. Het is de vraag of het gekozen perspectief (huidige governanceopvattingen) hierin niet voorsorteert. Het TGH-model (model 2) lijkt vooral geïnspireerd door de laatste fase die met terugwerkende kracht zijn stempel drukt op de fasen die eraan voorafgaan.
6. Schema’s zoals hier besproken, hebben in de regel in de ogen van de opsteller een descriptieve status. Ze hebben dus een beschrijvende en, zoals in model 1, een reconstruerende functie maar in het gebruik van dit soort schema’s liggen normatieve implicaties al snel op de loer. Dit geldt zeker in didactische situaties waarin schema’s als deze worden gepresenteerd als een referentiemodel waaraan de eigen ontwikkeling kan worden geanalyseerd. De overgang van sein naar sollen wordt dan al snel gemaakt. Uit mijn advieservaring weet ik dat de Inspectie van het Onderwijs lichtvoetig omgaat met dit verschil. Maar ook in de handen van adviseurs is de verleiding groot om het ontwikkelingsmodel niet alleen gebruiken om iets te verhelderen maar ook om de opdrachtgever op het spoor van (te begeleiden) verandering te zetten. De gekozen terminologieën in de model 2 en de vormgeving in model 3 hebben een impliciet uitnodigende lading.
7. Zo’n schema doet veronderstellen dat de beweging slechts één kant op gaat (naar rechts) terwijl het heel goed mogelijk is dat omstandigheden het noodzakelijk maken om (eventueel op onderdelen/dimensies) een stap terug te doen. Ook is het niet zo dat elke verticale kolom iets volstrekt nieuws brengt, integendeel, vaak wordt er veel ‘meegenomen’ uit de vorige fase, de volgende fase in. Er is altijd sprake van continuïteit en discontinuïteit tegelijk. De schema’s 2 en 3 lijken dit ook te impliceren.
8. De gekozen termen in het schema, met name in de bovenste horizontale balk, suggereren een zekere neutraliteit. Dit roept daardoor wel de vraag op: ‘waar zit de impliciete referentie aan de morele dimensie?’ Met andere woorden, ze lijken een spiegel te zijn van het maatschappelijk bewustzijn op enig moment, of beter: de maatschappelijke preoccupatie met hoe het intern toezicht wordt georganiseerd.

Tot slot

Ik heb in dit blog de plussen en minnen willen schetsen van schematische voorstellingen van ontwikkelingen. Wellicht ten overvloede: ik heb niets tegen dit soort modellen. Ik hoop in het bovenstaande voldoende aangetoond te hebben dat er veel voordelen zitten aan dit soort overzichten maar dat die voordelen de beperkingen niet mogen verhullen.

Dit blog verschijnt in de serie Verborgen filosofie in de taal van de adviseur. Welnu, over die taal en de verborgen filosofische opvattingen daarin, is meer te zeggen dan ik in het voorgaande deed. Voor de adviseur is zo’n model of schema iets voor in zijn Toolkit, een van de instrumenten waarvan hij of 200px-20060513_toolboxzij zich bedient, zoals ook de metafoor of de analogie of de oppositie dat zijn. En wat mij bijzonder fascineert is de vraag: wat doet de adviseur als hij zo’n gereedschapskist voor zichzelf vult? Wat zeggen al die instrumenten (elk voor zich) over de werkelijkheid (of doen ze de werkelijkheid wat aan?) en wat betekent het dat de adviseur dit weer opvat als een ‘gereedschapskist’, immers óók een metafoor! Welnu, ik heb in deze bijdrage het accent willen leggen op de modellen als zodanig. Op een later moment zal ik nader ingaan op de vraag waarom adviseurs graag met dit soort modellen werken.

Vond u dit blog nuttig en mogelijk ook interessant voor anderen? Deel het dan via uw sociale netwerken!

Share
Posted in Reflecties | Tagged , , , | Leave a comment

Verborgen filosofie in de taal van de adviseur -2-

In de eerste aflevering van deze nieuwe serie blogs introduceerde ik het onderwerp dat de komende jaren de rode draad zal zijn in mijn onderzoek. Ook schetste ik de verschillende wegen die openstaan voor nadere verkenning alvorens een meer precieze en concrete route uit te stippelen. Zeker is dat ik de weg op wil van de taalfilosofie – een relatief jonge en bescheiden tak van de wijsbegeerte maar wel een vol voetangels en klemmen. (Lees deze eerste zinnen gerust nog een keer, let op de gebruikte beeldspraak en je krijgt een indruk van waar het over zou kunnen gaan: naar welke werkelijkheid verwijzen al die metaforen die ik in deze korte alinea gebruikte?) 

In mijn inwerkperiode zal ik me dus grondig moeten verdiepen in de verschillende taalfilosofische stromingen. Maar er is nog een andere kant van het verhaal dat ik wil schrijven: die van de taal van de adviseur/consultant.

Om voor mezelf meer beeld te krijgen bij het filosofisch denken over het werkveld van de adviseur las ik de afgelopen weken enkele boeken over deze functionaris en over zijn gesprekspartner annex opdrachtgever: de bestuurder c.q. manager. Dat leverde enkele interessante inzichten op.

Modes in management
Management is uit, leiderschap is in. Een kwestie van bordjes verwisselen en meer van hetzelfde? Het lijkt er wel op: populaire boeken, alles belovende titels, goeroes, met in hun kielzog adviseurs/consultants die zorgen voor verdere verspreiding en ‘implementatie’ . Meer van hetzelfde en toch steeds net even anders, maar telkens met absolute waarheidsaanspraken en exclusiviteitspretenties.

In 2000 schreef de huidige Denker des Vaderlands (deze eretitel verdient hoofdletters, toch?!) René ten Bos een uitdagend boek over Modes in management. Een filosofische analyse van populaire 266px-René_ten_Bos_September_2017organisatietheorieën, oorspronkelijk in het Engels geschreven en in 2002 in een Nederlandse vertaling verschenen. Een paar jaar daarvoor verscheen al van zijn hand Strategisch denken. Op zoek naar nieuwe helden, dat heel goed valt te omschrijven als een voorstudie op Modes in management. Beide boeken stonden jaren in mijn kast, ik had ze ook al gelezen maar waren toch ook weer uit beeld geraakt. Gelukkig, wie wat bewaart, heeft wat. Deze boeken kwamen nu zeer goed van pas, te meer daar Ten Bos in Modes in management vooral het handelen van goeroes, consultants/adviseurs en ondernemers in het vizier heeft. Passender bij mijn onderwerp kan haast niet.

Cliffhanger
De twee boeken hebben duidelijk iets gemeen. Ten Bos zet als filosoof vraagtekens bij allerlei kennelijke vanzelfsprekendheden in de wijze waarop naar organisaties wordt gekeken en naar de manier waarop die organisaties omgaan met vitale vraagstukken als een bedrijfsstrategie.
Het leuke van de stijl van Ten Bos is, dat niets ‘natuurlijk’ is of logisch of rationeel of vanzelfsprekend waar en daarom niet discutabel. Heilige huisjes bestaan voor hem niet, hij is openlijk polemisch. MiMWaar auteurs van managementboeken graag een appèl doen op het gezond verstand en het rationele denken, geeft Ten Bos ook ruimte aan de rol van minder grijpbare (en daarmee manipuleerbare) zaken als emoties, zintuigen en persoonlijke smaak. Waar menigeen een punt zet, plaatst Ten Bos een vet vraagteken. En waar een ander de alinea afsluit, komt Ten Bos met een onverwachte cliffhanger in de trant van: ’hij zegt dat nu wel maar is dat ook zo?’ ‘Waarom zou de functie van manager een professie moeten worden, zoals neorationalisten bepleiten?’ ‘Wat is er mis met de belangstelling van managers voor modieuze opvattingen over organisaties? Ze konden wel eens een heel goede reden hebben voor die belangstelling!’ ‘Modes kunnen ons vanuit een heel onverwachte kant mogelijk iets leren over de manier waarop organisaties werken’. Ten Bos grossiert in dit soort statements en geeft altijd een nadere toelichting of onderbouwing.

Vijf modes
Ten Bos heeft wel wat met managementmodes, hij bagatelliseert ze niet zoals academici en bepaalde categorieën van organisatie-adviseurs dat doen (zonder door te hebben dat ook hun opvattingen vaak modieus zijn), maar is toch ook niet onkritisch. Sterker, hij verwijt goeroes van managementmodes zoals de Peters, Mintsbergs, Prahalads, Hammers en Coveys van de laatste decennia, juist dat ze niet kritisch en consequent genoeg zijn en uiteindelijk ten prooi vallen aan het utopistisch denken waar ze zich in de regel tegen verzetten. En daarmee raken we aan een wezenlijk uitgangspunt in de analyse van Ten Bos over de situatie in de organisatiekunde: elke theorie (en elke mode) draagt uiteindelijk elementen in zich die zijn te herleiden tot utopistisch denken. Terwijl modes juist een tegenwicht tegen utopistisch denken zouden kunnen vormen; helaas schieten ze daarin uiteindelijk tekort waardoor ze allereerst zichzelf tekort doen. Dat is tegelijk de conclusie van zijn verhaal nadat hij heeft ingezet op een beschrijving van de ‘titanenstrijd’ tussen mode enerzijds en utopie anderzijds. Ten Bos beschrijft die strijd vanuit vijf modieus onderwerpen in de organisatiekunde van de laatste decennia: strategie, leiderschap, cultuur, de lerende organisatie en business process redesign. Me dunkt, onderwerpen die nog niet zijn bijgezet in de galerij van afgesloten hypes.

Sleutelwoorden
‘Utopistisch denken’ en ‘mode’ – om de strijd tussen die twee begrippen draait het dus in het boek Modes in management. Juist omdat deze twee begrippen zo’n cruciale rol spelen is het goed te weten wat Ten Bos er onder verstaat. Laat ik met ‘mode’ beginnen.

Dat woord ‘mode’ gebruikt hij in drie verschillende maar wel semantisch samenhangende betekenissen: (1) mode in de zin van stijl die populair is, vgl. fashion, (2) als metafoor voor alles wat vluchtig, esthetisch, stijlvol, oppervlakkig experimenteel, emotioneel etc is. Ten Bos gebruikt hier liever adjectieven dan substantieven omdat die laatsten vaak massiever zijn, vastleggen en vastliggen, en (3) mode is de zin van ‘theorie’, hier tussen aanhalingstekens gezet om aan te geven dat hieronder niet een rationeel onderbouwde theorie wordt verstaan maar een veel lichtere variant ‘die gelooft in het primaat van de zintuigen en zich richt op processen en continuïteit.’ Daarmee gaat het om een theorie ‘die ons aanspoort om aan de oppervlakte te blijven. Daarom geloof ik dat mode ons meer plausibele inzichten in de wereld van de managers biedt dan wetenschappelijke of utopistische idealiseringen’ (pag. 16). Daarmee doet Ten Bos een groot beroep op zijn lezers omdat deze derde betekenis van ‘mode’ alles in zich draagt van een contradictio in terminis.

266px-Achterhuis2017

Foto: Vysotsky (Wikimedia Commons).

Utopisme
En dan die tegenpool: utopisme, of beter utopistisch denken (als vergrotende trap van ‘utopisch’ denken). Ten Bos baseert zich voor de betekenis van dit woord op de ‘briljante beschouwing’ van de Nederlandse filosoof (en toevallig de eerste Denker des Vaderlands) Hans Achterhuis. Die kwam met een rijtje kenmerken waarmee het begrip utopie zich goed laat omschrijven (pag. 31-33). Ik geef ze hier verkort weer om in elk geval een beeld te geven:
– Het utopisme maakt het individu ondergeschikt aan het collectief.
– Het utopisme gelooft sterk in de maakbaarheid van dromen, leidend tot een ‘beangstigende beheerslogica’.
– Het utopisme keert zich tegen de mythe van de aangeboren goedheid van de mens.
– Het utopisme gelooft in de ‘verbondenheid van totaliteit en detail’. Waardoor afwijkende opvattingen niet op prijs worden gesteld.
– Het utopisme is radicaal en wenst te breken met het verleden.
– Liefde en seksualiteit zijn gevaarlijk omdat ze onbeheersbaar zijn.
– Een obsessie met hygiëne en zuiverheid.
– Utopia is geen luilekkerland. Schone arbeid staat hoog in het vaandel.
– Het geluk vormt de rechtvaardiging van Utopia, maar dan wel geluk in de utilitaire, berekenende betekenis van het woord.
– Het geweld is onvermijdelijk, niet alleen om anderen op afstand te houden, maar ook om alle inwoners onder controle te houden.

Gereduceerd beeld werkelijkheid
Ik geef dit lijstje om te laten zien dat het voldoen aan deze kenmerken niet mogelijk is anders dan door strakke regie, rationele liefst wetenschappelijke planning, expliciete of impliciete hiërarchie en volledige overgave aan het ideaal. Welnu, doorheen Modes in management, maar ook in Strategisch denken laat Ten Bos zien hoe veel van deze kenmerken ook terugkomen in de vijf managementmodes die hij bespreekt, zoals die van ‘de lerende organisatie’. Ik moet zeggen – het leverde frequent voor mij onthullende inzichten op. Aan eye-openers geen tekort in deze boeken. En steeds keerde hierbij terug de kritiek dat in die managementvisies sprake was van een gereduceerd beeld van de complexiteit die eigen is aan de werkelijkheid. Iedere goeroe creëert een beeld van een werkelijkheid die deze herleidt tot herkenbare, hanteerbare en daarmee te manipuleren eigenschappen. In Strategisch denken ent hij dit gecreëerde beeld van de werkelijkheid op een strategisch denkendaaraan inherent gebruik van een ‘verarmde rationaliteit’ die als kenmerken heeft dat ze volledig in dienst staat van efficiëntie, volledig vertrouwt op procedures, alles verwerpt wat hier niet in past en de illusie van controle en zekerheid bevordert (pag. 105-106). Zoiets als ‘toeval’ zul je niet gauw uit de mond van een goeroe horen. Evenmin over de rol van ‘toeval’ in het succes van de ene organisatie en in het uitblijven daarvan in een andere. ‘Toeval’ als vorm van onbeheersbaarheid bestaat in hun ogen niet. ‘De goeroe en de consultant moeten die onbeheersbaarheid in de doofpot stoppen om hun eigen nering niet te schaden’ (Mim, pag. 139).

Managers relativeren
Terwijl goeroes hun best doen om hun inzichten succesvol over het voetlicht te brengen als een definitieve stap in de goede richting (cynisch genoeg verzetten goeroes zich tegen bestaande modes terwijl ze daar zelf zonder blikken of blozen de volgende tegenaan zetten) en adviseurs graag meeliften op het succes daarvan, is het toch bepaald niet zo dat managers zich onkritisch laten inpalmen door weer de volgende ‘trend in management’. Ten Bos relativeert de invloed van goeroes tot een aangenaam reflectiemoment voor de manager die, in zijn of haar ‘dagje op de hei’ even de mogelijkheid krijgt om aan de hectiek van alledag te ontsnappen.

Metaforen
Er is nog veel meer te zeggen over deze twee interessante en qua gedachten rijke boeken. Zo zit er in Modes in management een uitvoerige beschouwing over de rol van metaforen. En door de studies van Gareth Morgan weten we dat deze stijlfiguur ook zijn weg heeft gevonden in de organisatiekunde. Ook hier maakt Ten Bos een opmerking die me aan het denken heeft gezet: horen metaforen wel thuis in de wereld van de rationele organisatiekunde? Zijn het niet meer stijlmiddelen die juist hun betekenis ontlenen aan een andere, meer lyrische of muzische manier om naar de werkelijkheid te kijken? En als ik daar op door redeneer: zijn er niet goede redenen te geven om de metafoor te bevrijden van wat genoemd kan worden ‘het oneigenlijk gebruik’ ervan in andere ‘werelden’ dan die van de retorica? Ik denk dat dit een wel erg vėrgaande conclusie zou zijn, gelet op het gegeven dat metaforen niet alleen in de poézie en literatuur in het algemeen een belangrijke rol spelen – ook ons dagelijks taalgebruik is ermee doorspekt, zie de openingsalinea van dit blog.

Andere motieven managers?
Ik rond af. Er is meer over beide boeken te zeggen dan ik in het voorgaande heb gedaan. Zo heb ik de neiging om kanttekeningen te plaatsen bij de relevantie van de oppositie of ‘titanenstrijd’ tussen mode en utopie zoals Ten Bos die schetst, hoe leerzaam en onthullend zijn analyses ook zijn. Om daarvan een indicatie te geven: als het waar is dat managers heel goed kunnen omgaan met de betrekkelijkheid van (alweer) een ‘ ieuw en definitief inzicht’ in hoe organisaties zouden moeten functioneren, wat is dan het spel dat tussen goeroes annex adviseurs enerzijds/consultants en anderzijds managers/ondernemers wordt gespeeld? Reageren die managers/ondernemers inderdaad op het alles belovende beeld dat de goeroe hem of haar voorhoudt of is er sprake van een heel andere impuls? Ten Bos noemde al het ‘voor een moment ontvluchten’ van de dagelijkse hectiek en dat is echt een andere impuls dan de goeroes met hun nadruk op vergroting van de bedrijfsresultaten doen voorkomen. Ik stel me voor dat een onderzoek onder de motieven van die managers ook andere beweegredenen zou blootleggen, zoals onzekerheidsreductie, collega’s ontmoeten, interessante ideeën horen, vergroting van persoonlijke vaardigheden, beeld vormen van actuele zaken,…. Een dergelijk onderzoek zou de impliciete heftigheid in de dichotomie tussen mode en utopie (‘titanenstrijd’) kunnen relativeren.

Daar komt bij dat veel managementgoeroes afkomstig zijn uit of schrijven over het Angelsaksische bedrijfsleven waar de rol van de manager een andere invulling krijgt dan die hij heeft in het meer Rijnlands ingerichte bedrijfsleven zoals wij dat kennen en dat hier te lande nog eens wordt aangedikt met een stevige laag polderklei.

Kuil
Een laatste kritische kanttekening: Ten Bos verwijt goeroes dat ze een sterk gereduceerd beeld geven van de werkelijkheid waar ze dan hun eigen ‘beloofde werkelijkheid’ (hun ‘utopie’) tegenover zetten. Het aardige is dat ik met name in Strategisch denken daar heel wat voorbeelden tegen kwam, zoals de figuur op pagina 140 waarin de ‘bureaucratische overheid’ geplaatst wordt tegenover de ‘ondernemende overheid’.
Inderdaad, Ten Bos was, toen hij dat boek schreef, zelf actief als adviseur/consultant bij Schouten en Nelissen. Het lijkt erop dat hij soms zelf in de kuil valt die hij voor anderen had gegraven.
Ben benieuwd of hij in die tijd een spanning heeft ervaren in de twee rollen van adviseur/consultant enerzijds en filosoof anderzijds.

Volgende stap?
Tot zover de beide boeken van Ten Bos die me veel leerde over op een filosofische manier kijken naar management. Wat moet mijn volgende stap worden? Op dit moment kom ik tot twee conclusies:
Ten Bos bevestigt mijn beeld dat in de wereld en met name in de taal van de adviseur stijlmiddelen metapherszoals de metafoor, een belangrijke rol spelen. Las ik al eerder de befaamde en vernieuwende studie van George Lakoff, Metaphers we live by, het begrip metafoor heeft toch een veel ruimere traditie dan Lakoff er aan geeft. Misschien is het goed om mijn beeld hiervan te scherpen en daarbij vooral te letten op een mogelijke spanning tussen de lyrische duiding van de metafoor enerzijds en de rationalistische omgang ermee anderzijds.
Metaforen vormen een belangrijk instrument in de handen van (goeroes en) adviseurs. Is er literatuur te vinden die ingaat op het (voornamelijk) talige instrumentarium van deze beroepsgroep?

Andere lectuur
Naast de hier besproken boeken van René ten Bos las ik ook nog andere boeken zoals de spannende thriller van Guido Eekhaut, Slender Man waarin een vrouwelijke gepensioneerde politie-inspecteur uit Edinburgh, in Londen waar ze is gaan wonen met haar veel jongere vriendin, getuige is van een koelbloedige moord op een vrouw door twee meisjes van 14 en Slender-man15 jaar. Kon dit zien ongestraft blijven? Eekhaut varieert in dit boek op een bekend personage uit computerpellen en films

Verder las ik de roman Vaak ben ik gelukkig van Jens Christian Grøndahl waarin een tweevoudig weduwe terugkijkt op haar lang niet altijd gemakkelijke verleden, hetgeen haar niet belet om moedig nieuwe realiteiten te aanvaarden.

UnknownEn ook ben ik bezig met het prachtig verzorgde De geest uit de fles waarin filosoof Ger Groot een mooi
historisch (filosofisch) antropologisch overzicht biedt van de wording van de moderne mens (zeer geschikt eindejaars-/Sinterklaas-/kerstgeschenk!), met de fraaie verzamelbundel Alle vogels van Koos van Zomeren (idem!) en mediteer ik over passages uit Open uw hart van Henri Nouwen.

Vond u dit blog interessant of nuttig en mogelijk ook van belang voor anderen? Deelt u het dan via uw sociale netwerken. 

Share
Posted in Reflecties | Tagged , , , , , , | Leave a comment

Verborgen filosofie in de taal van de adviseur -1-

In juli van dit jaar sloot ik mijn loopbaan af als adviseur in het onderwijs. Ik ben nu met pensioen maar zit niet stil, integendeel.  In een van de vorige blogs gaf ik al een inkijkje in mijn ‘programma’ voor de komende tijd. Inmiddels is een en ander daarvan verstreken. Een overgangsperiode van drie maanden (aug/okt) gevuld met reizen en andere activiteiten, ligt achter me. Deze periode van ‘leven in de tussentijd’ werd in de overgang van oktober naar november afgesloten met een weekendje Dublin waar ik mijn 32ste marathon liep. Vorige week had ik mijn eerste week in het nieuwe regime van regelmatige studie en concentratie op een mogelijk onderzoeksobject voor een dissertatie in de filosofie.

Mijn beeld hierbij is het volgende. Ik wil tot diep in het voorjaar van 2018 voor mezelf aan de studie en wel met twee doeleinden: mezelf goed inlezen in allerlei relevante literatuur en schrijven van een concrete (concept) onderzoeksopdracht. Met dat laatste wil ik in het voorjaar 2018 op zoek naar een promotor die bereid is me te begeleiden.

Ik realiseer me goed dat er allerlei spannende kanten zitten aan deze aanpak: want wat valt allemaal niet onder ‘relevante literatuur’? Verlies ik mezelf in de mer à boire van literatuur die potentieel relevant en in elk geval interessant is? Lukt het me om een probleemstelling te formuleren die filosofisch van betekenis is en die zich leent voor een welomschreven promotie-opdracht? Lukt het me om een hoogleraar te vinden die zijn zegen wil geven over mijn voorstel of moet ik mijn ideeën daarvoor eerst aanpassen? En als dit laatste het geval is, kan ik me daar dan mee verbinden? Lukt het me überhaupt om de discipline op te brengen om serieus en consequent studieus aan de slag te gaan?

Op dit moment dienen zich nogal wat mogelijkheden aan die zich m.i. allemaal lenen voor een filosofische doordenking van vooronderstellingen en van de filosofische vragen die in de door de adviseur gebezigde taal besloten liggen.

In het advieswerk dat ik uitvoerde ging het altijd om dingen die er nog niet waren. Immers, opdrachtgevers schakelen een extern adviseur in ter compensatie van een gemis in eigen gelederen (in de organisatie of in zichzelf). Dat gemis kan betrekking hebben op heel triviale zaken als tijd en mankracht maar het kan ook en vooral gaan om inhoudelijke expertise of ervaring in het begeleiden van veranderprocessen. De opdrachtgever neemt om enigerlei reden geen genoegen met het bestaande en heeft behoefte aan verandering daarvan. De extern adviseur wordt geacht geoefend te taal van veranderingzijn in verandermanagement en doorkneed te zijn in de taal en techniek van veranderprocessen. ‘De taal van verandering’. Rombout van den Nieuwenhof is er eerder op gepromoveerd in een prachtige en doorwrochte studie. Tegelijkertijd constateerde ik bij lezing ervan dat hij onvoldoende oog voor de filosofische aspecten van de taal waarin veranderaars de verandering structuur geven.

In het advieswerk dat ik deed in de sector onderwijs, ging het vaak om het creëren van een nieuwe toekomst voor een school of scholengroep. Denk aan schoolplannen en (vaker) strategische beleidsplannen op stichtingsniveau (scholengroep). In ons advieswerk schilderen we dan een traject van a naar b, van ‘wat is’ naar ‘wat we met elkaar willen’ binnen de grenzen van ‘het mogelijke’ en met inbegrip van ‘het noodzakelijke’, waaronder ‘het wettelijk verplichte’. Het gaat in zo’n situatie steeds om twee werelden, die van ‘het nu’ en die van ‘het dan’. Eerste zorg is het eens te zijn over een gedeelde visie op de wereld van ‘het nu’. En wat is er voor nodig om vast te kunnen stellen dat er sprake is van een gedeelde visie? En is de constatering daarvan tevens de garantie van de aanwezigheid ervan? Ik kan het nauwelijks geloven en toch leven we ermee een van de vele ficties die samenleven mogelijk maken. De wereld van ‘het dan’ is er een die vooralsnog (en ook daarna) alleen bestaat in taal: in woorden verpakte beelden van een gewenste realiteit waarvan we hopen dat we daar hetzelfde beeld bij hebben. Zo noemen we dat, al is de aanduiding ‘ergens een beeld bij hebben’ behoorlijk fragiel.

Om die twee werelden van ‘het nu’ en ‘het dan’ goed te contrasteren gebruiken adviseurs hulpmiddelen zoals scenario’s, metaforen, opposities en kwadranten. Interessant is om te reflecteren op de vraag wat de status is van dat soort ‘hulpmiddelen’.

Over hulpmiddelen gesproken – ik zette het woord al even tussen aanhalingstekens – taal is het instrument van de adviseur bij uitstek en zo kijken we er ook altijd naar. Een goede adviseur is altijd ook en allereerst een taalvaardige adviseur. De Nederlandse filosoof Cornelis van Peursen zei in een van zijn colleges: helder schrijven is uitdrukking van helder denken. Is het omgekeerde ook waar: is niet helder geschreven tekst uitdrukking van onhelder, onaf denkwerk? Dit terzijde.

Is de taal van de adviseur echt een instrument zoals de hamer dat is in de hand van de timmerman of de boor in het hand van de tandarts? Ik denk van niet. De taal van de adviseur  is meer dan een verlengstuk van de vakman of vakvrouw: taal is de drager van de betekenis die uiteindelijk wordt gecreëerd. Dat roept allerlei vragen op: welke werkelijkheid (‘het dan’) wordt er in de taal van de adviseur tot aanzijn gebracht? Of moeten we spreken van een werkelijkheid die ontsloten wordt? Als dat om een nieuwe werkelijkheid (feitelijke stand van zaken) gaat, die wordt beoogd en nog niet is gerealiseerd,  wat is dan de ontologische status van die in woorden uitgedrukte werkelijkheid? Is die 399px-Aristotle_Altemps_Inv8575er al, zij het alleen in taal? Of wordt die werkelijkheid van ‘het dan’ gerealiseerd in de mate dat de betrokken actoren die aanwezig doen zijn in concrete praktijken in hun handelen? Mogelijk biedt de oorzakenleer van Aristoteles hier interessante perspectieven voor duiding….

Hoe dit zij, er is in de taal van de adviseur heel wat verborgen filosofie aanwezig. Een aanpalende vraag is of de adviseur zich hiermee in een unieke positie bevindt. Is hij of zij de enige die actief bemiddelt tussen de wereld van het nu en die van het dan? Het lijkt me niet. Ook in andere beroepen gebeurt dat en ook de politicus doet niet anders. Daarom sluit ik niet uit dat mijn directe aanleiding (mijn achtergrond als adviseur) om te kiezen voor de verborgen filosofie in de taal van de adviseur wel eens een verbreding zou kunnen krijgen. we gaan het merken.

Er staan naast de al genoemde nog andere onderzoeksweggetjes (‘onderzoek als landschap’) open voor eerste verkennende activiteiten. Ik noem er een paar. Is wat de adviseur en zijn opdrachtgever gezamenlijk willen bereiken te verbinden met de notie van het verlangen en/of met die van de wil? Die twee (wil en verlangen) vallen niet samen maar beide zijn wel relevant als drijvende kracht achter verandering als zodanig….. En nu het toch gaat om twee werelden, die van ‘het nu’ en die van ‘het dan, is er dan ergens in het werk van de adviseur in opdracht niet ook een verwijzing aanwezig naar een utopie, naar het ideale leven, of, bescheidener geformuleerd’, naar de notie van het goede leven?

Kortom, er zijn nogal wat mogelijkheden en interessante vragen die nu al opdoemen. Omdat taal in mijn verwachte/beoogde onderzoeksopzet een belangrijke plaats zal innemen,  ben ik vorige week begonnen met intensieve lezing van een boekje van Jos Defoort, Het woekerende schrift over Derrida-by-Pablo-SeccaDerrida, met name over diens filosofie van  het schrift. De keuze voor dit boekje kan op het eerste gezicht vreemd klinken, maar dat is dan een misverstand. Defoort gaat uitvoerig in op een onderwerpen van algemenere aard die de afgelopen decennia veel aandacht hebben gekregen. Ik noem de kritiek op de klassieke tekentheorie, de belangstelling voor de kracht van taal, met name in het werk van John Austin en John Searle, in het bijzonder over het al dan niet vermeende bijzondere karakter van performatieven (werkwoorden die een werking voltrekken in plaats van iets beschrijven).zevende Derrida en Searle gingen uitvoerig met elkaar in debat. Laurent Binet geeft daar in zijn roman De zevende functie van taal een prachtige uitwerking aan! Daar wil ik nu nog het fijne van gaan weten.

Voor mij is het boekje van Defoort een veel uitdagender introductie in contemporaine taalfilosofie dan het boekje van René van Woudenberg dat ik eerder dit jaar las, Filosofie van taal en tekst, en dat me eerder bevestigde in het (in mijn beleving) steriele karakter van de Angelsaksische taalfilosofie dan dat het me uitdaagde om er de verdienste van te onderschrijven. Wat dat betreft vond ik lezing van Lakoff en Johnson’s boek over de kracht van metaforen (Metaphors we live by) weer wèl betekenisvol. En zo gaan we nog even door….

Het is mijn voornemen om via blogs met als titel Verborgen filosofie in de taal van de adviseur verslag te blijven doen van mijn leeservaringen. Ook ben ik van plan om mooie zinnetjes die ik lees via het twitteraccount @filosofie_in_taal  te verspreiden.

Leessuggesties of andere reacties zijn welkom!

Share
Posted in Reflecties | Tagged , , , , | 2 Comments

Wedstrijd, prestatie, omgeving – drie soorten hardlopen?

De hardloopsport heeft zich de laatste decennia flink ontwikkeld. Niet alleen melden zich steeds nieuwe deelnemers, er zijn ook allerlei nieuwe loten aan de stam verschenen. Denk maar aan trailruns, tough mudders, obstacle runs,… Zelf ben ik steeds meer een toeristische hardloper geworden. En dan niet van het type dat tijdens een stedentrip ter plekke met een gids hollend de bezienswaardigheden tot zich neemt, ik ben meer van het verkennen van onbekende bossen en open landschappen.

En zo kon het gebeuren dat, terwijl ik hollend lekker om me heen keek, nadacht over de vraag wat eigenlijk de verschillen zijn tussen drie typen hardlopen: de wedstrijdatletiek, het recreatieve-/prestatielopen en het toeristisch hardlopen.

Recreatief lopen is anders dan wedstrijdlopen. Recreanten lopen vooral voor hun plezier. De meesten hebben geen ambitie hebben om een pure wedstrijdatleet te worden en daarvoor veel te trainen, of missen de aanleg voor het echte wedstrijdlopen. Toch hebben al die recreanten die meedoen aan loopjes als De Dam tot Dam loop of de Zevenheuvelenloop veel gemeen met wedstrijdlopers. Deze recreant is gefocust op: de eindtijd, de verbetering van het persoonlijk record, de ranking ten opzichte van clubgenoten enzovoorts. Anders gezegd, de hele houding van de recreant lijkt wel een kopie van die van de wedstrijdatleet, alleen met andere uitkomsten.

De toeristische loper heeft een ander focus: die is uit op de combi van lekker hardlopen en de omgeving verkennen. Genieten van het lopen en van een mooie wereld waar je door heen loopt. De toeristische loper is niet uit op een bepaalde tijd – maakt daar geen doel van. Toeristisch lopen is ook niet competitief. Toeristisch hardlopen past goed in wat https://www.sportrusten.nl/  ‘vogeltjes kijken’ noemt (daar komt het bij mij inderdaad vaak op neer. Met interessante resultaten.

En zo kwam ik tot het volgende overzicht:

Categorie/ kenmerk Wedstrijdlopen Recreatief hardlopen Toeristisch hardlopen
Trainer nodig? Ja Beter van wel Neen
Schema’s nodig? Ja Handig Neen
Trainingsritme nodig? Ja Beter van wel Beter van wel
PR mogelijk? Ja Ja Neen, of toch?
Prijs winnen? ja Ja Neen, niet aan de orde
Inschrijven nodig? Ja Ja Ja, als je aan een georganiseerde loop deelneemt
Kicken op? Winnen, een pr, een mooie tijd Winnen, een pr, een mooie tijd, lekker gelopen hebben Lekker gelopen hebben, veel gezien hebben
Specifieke attributen mee onderweg? Zo weinig mogelijk mee, want belastend Zo weinig mogelijk, afhankelijk van afstand flesjes water, koolhydraatgelletjes, repen Rugzakje, fototoestel, lekkere proviand
Status in georganiseerde lopen Wedstrijdatleet, licentie KNAU Prestatieloop Interessant parcours?
Specifieke voorbereiding Ja, bijv. tapering off, extra rust, krachttraining, veel aandacht voor voeding Tevoren vroeg naar bed, aandacht voor rust en voeding Verkenning omgeving, parcours via toeristische informatie
Doet tijd ertoe? Ja, in absolute zin Ja, in relatieve zin Neen, hooguit alleen als indicator van het duurvermogen
Share
Posted in Lopen | Tagged , , , | Leave a comment

Als Henri Bergson zou hardlopen. Over tijd en duur.

Er hangt een ontspannen sfeer, daar in de sporthal Elzenhage in Amsterdam-Noord, gelegen naast de atletiekbaan waar de start en finish van De 30 van Amsterdam-Noord zullen plaatsvinden. In het midden van de zaal een aantal tafels met daarop dozen met enveloppen gevuld met startnummers en speldjes. Langs de speelvelden banken waarop lopers zitten om zich om te kleden, om nog wat te eten of elkaar te ontmoeten en bij te kletsen. Ik zie een al in looptenue gestoken moeder met enige snelheid haar kind een potje fruit voeren. ‘Mama heeft haast’, zeg ik en mama knikt.

Om ons heen eenlingen en groepjes lopers. Buiten op het plein een lange rij voor de Dixi’s. Inderdaad, je kunt maar het best met een lege blaas starten. Hier en daar wordt nog wat gegeten, anderen lopen in of doen rek- en strekoefeningen. Velen zullen deze loop hebben gekozen omdat hij goed past in hun voorbereiding op een van de najaarsmarathons. Zelf ben ik in voorbereiding op Dublin, eind oktober, na een periode van ruim drie-en-een-half jaar. Eigenlijk had ik het duurlopen al afgesloten, maar ja, dan komt er een plan om nog een keer met elkaar wat te doen….

In de aanloop naar deze dag ben ik dus enige maanden weer aan het hardlopen geweest, met de teleurstellende ervaring van weinig progressie. Er waren momenten dat ik me afvroeg of een hele marathon nog wel haalbaar is, of ik er niet te veel moeite voor moet doen nu ik 65 ben. De lange duurlopen die ik als trainingsoefeningen deed, waren tot nu toe niet langer dan 21 kilometer en verliepen stuk voor stuk moeizaam. Weinig hoopgevend dus. Maar toen ik deze ochtend opstond, zat ik er opeens anders in: ‘ik heb er zin in!’. En nu dan, in de zaal en op het plein ervoor beleef ik opnieuw die heerlijke spanning voorafgaand aan een lange loop zoals de halve of hele marathon. En o, wat houd ik van deze spanning! Is het de adrenaline? Ik weet het niet en eerlijk gezegd, het interesseert me ook niet want wat weet ik als ik dit weet?

Waar ik inderdaad altijd veel plezier aan beleef is de spanning vooraf, van het ernaar toe leven, het tevoren weten dat het gaat om een lange afstand waarvan niet op voorhand gezegd is dat je die goed zult afleggen. De ongewisheid die daaraan kleeft, beleef ik als een opvallend positieve vorm van onzekerheid, ééntje die niet lam legt maar die stimuleert en je aanzet tot popelen om van start te mogen gaan.  Het hoofd en het lichaam beleven dit op vergelijkbare wijze.

Waar ik ook van houd, is de gemoedelijke sfeer onder de lopers, de inzet van de vele vrijwilligers, de afwezigheid van agressie en geweld. Ik zag ook nog nooit een groep hooligans langs het parcours de boel verzieken. En laten we hopen dat de bomaanslag bij de marathon van Boston tot een, weliswaar triest, incident beperkt blijft.

Een minuut of tien voor de start zoeken we ons plekje. We staan op de atletiekbaan met her en der pacers die naar een bepaalde eindtijd zullen lopen en waar je je als deelnemer bij aan kunt sluiten. Ik heb daar in het verleden verschillende keren gebruik van gemaakt, maar je moet wel goed opletten geblazen: het is belangrijk je eigen loop te blijven lopen anders gaat het echt niet goed en blaas je jezelf op.

En dan is daar opeens, onaangekondigd door de speaker, het startschot. Je ziet deze en gene schrikken. Oeps, daar issie al! De meute komt in beweging, bij het passeren van de registratiematten drukt iedereen ook de eigen stopwatch in. De eenduidige, strikt regelmatig verlopende kloktijd gaat in. Tussendoor, op een tweetal plekken op het parcours van dertig kilometer, zullen wij als lopers geïnformeerd worden over de verlopen seconden, minuten en uren. Het is een service aan al diegenen die hun loop hebben afgestemd op een bepaald doel, een te bereiken eindtijd, misschien een persoonlijk record.

Eerlijk gezegd interesseert die tijd me niet zo erg. Ik ben niet uit op een bepaalde snelheid, vertaald in een geplande duur van de loop, de tijd die ik denk nodig te hebben om van start tot finish te komen. Wel ben ik benieuwd naar een andere ervaring van tijd tijdens het lopen – een ervaring die beter te omschrijven is in termen van ontspannen/niet-ontspannen, of misschien beter: makkelijk/moeizaam. Bij deze tweede omgang met tijd, die ook te benoemen is als ‘beleefde tijd’, vallen tijd en ruimte min of meer samen: als het lekker loopt, beleef je de tijd die je nodig hebt om een kilometer af te leggen als korter dan wanneer het moeizaam gaat. De beleefde tijd is geen homogene tijd opgebouwd uit gelijke delen maar is onderworpen aan de concrete, telkens weer unieke ervaring van de verrichte activiteit, i.c. het hardlopen.

Halverwege de tweede kilometer vraag ik aan twee gezellig babbelende dames die ongeveer hetzelfde tempo lopen als ik, of ik me bij hun conversatie mag aansluiten. Ze vinden het prima en al snel merk ik dat zij elkaar ook niet kennen. Standaardstartvragen in dit soort lopen zijn: op welke marathon bereid jij je voor? Je hoeveelste wordt dat? Het levert een geanimeerde uitwisseling van ervaringen op – tot een kilometer of vier. Dan vallen er stiltes. We zijn even met onszelf bezig, met onze lichamelijke reactie op een half uur onderweg zijn, met de controle over ons lichaam (ga ik dit in dit tempo nog ruim 25 km volhouden?).

Na een kilometer of twaalf heeft een van de dames tempo terug moeten nemen en loop ik verder met de ander. Bij vijftien kilometer constateren we dat we op de helft zijn en dat het best lekker gaat. Ik ben dan aan mijn derde calorieëngelletje toe; ik neem er elke vijf kilometer een – dat beviel me de laatste marathon, drie-en-een-half jaar geleden, ook goed en dat zal nu opnieuw het geval zijn.

Zoals al gezegd, in mijn voorbereiding tot nu toe heb ik geen grotere afstanden dan een halve marathon gelopen; 21 km dus. Daarom ben ik benieuwd naar hoe het vanaf dat punt zal gaan. Nou, prima dus – ik blijf ontspannen lopen en heb het gevoel dat van een verval in snelheid per kilometer geen sprake is. Sterker, een aantal keren valt me op dat er al weer een kilometer is afgelegd. Nu al weer? Ja, dus. De beleefde tijd, de tijd die ervaren wordt tijdens het verrichten van de inspanning, levert een heel ander beeld op dan die van de in ijzeren regelmatig wegtikkende seconden in minuten en van minuten in kwartieren en zo verder, de tijd van de tijdwaarneming en van mijn stopwatch. De beleefde tijd is die van het genieten van het prachtige polderlandschap, van de wisselende omgang met de straffe wind, van het voortkabbelende en soms stilliggende gesprek, van het wegslikken van weer een gelletje, van herinneringen aan eerdere marathons en hoe ik daar omging met het vierde en laatste kwart van de afstand, van checken of je bij de eerstvolgende drankpost wel of niet zult drinken, van zoeken naar weidevogels in het hoge gras, van vooruitkijken en zien dat het veld van lopers al enige tijd gespreid is over een afstand van vele kilometers.

Rond de 24 km wisselen we uit hoe we dat doen: de afstand die nog afgelegd moet worden, overzichtelijk maken. We hebben daarvoor hetzelfde trucje: visualiseren. Zij heeft in haar trainingen een vast rondje van 3,5 kilometer, ik een van 6,5 km. Als het moeilijk wordt bij lange duurlopen doen we hetzelfde: we vergelijken de nog af te leggen afstand op een onbekend parcours met dezelfde afstand op een bekend parcours en ontlenen daar vervolgens vertrouwen aan. De nog af te leggen afstand brengen we in beeld met een eerder beleefde afstand. En lees voor afstand gerust: tijd. Het maakt geen verschil.

De in zijn tijd (eerste helft 20ste eeuw) wereldberoemde Franse filosoof  en Nobelprijswinnaar Henri Bergson schreef op imponerende wijze over ‘tijd’ en maakte onderscheid tussen de regelmatige kloktijd en de geleefde tijd die hij durée (duur) noemde. De kloktijd bepaalt veel in ons leven: de duur van ons werk, het ritme van onze dagen, het spoorboekje, de tijdschema’s op scholen en sportscholen en ga zo399px-Henri_Bergson_02 maar door. Het is de tijd waarmee we in de wetenschap en daarbuiten meten, tot onze leeftijd toe (‘ik ben 65 jaar’). Het is de tijd van de stopwatch, van tikjes na elkaar, van regelmatige puntjes (nu-nu-nu-nu-nu) op een rechte, eindeloze streep. Daarnaast is er de geleefde tijd, de tijd van de concrete ervaring, de tijd die we, omdat we helemaal opgaan in een activiteit ‘even helemaal kwijt zijn’. Het is de tijd waarin verleden, heden en toekomst bij elkaar komen. Waarin er meer is dan het simpele en eenduidige nu omdat ik in de ervaring van het nu het verleden een plek geef. Het is de tijd die intens kan zijn maar ook eindeloos uitgerekt, alsof er geen eind aan komt.

Het zou me niet verbazen als Henri Bergson, wanneer hij mee zou doen aan deze 30 van Amsterdam-Noord, dezelfde ervaring zou hebben: dat er sprake is van twee soorten tijd, de harde tijd van de wedstrijdklok die hem bij de finish tot op de seconde nauwkeurig zal vertellen hoelang hij erover heeft gedaan en de beleefde tijd van het lopen. (Waar Bergson spreekt van ‘geleefde tijd’ spreek ik liever van ‘beleefde tijd’ ook al is er denk ik geen verschil). De harde, chronologische tijd van de tijdwaarneming en stopwatch levert je achteraf een goede indicatie van je objectieve prestatie. Deze objectieve tijd stelt je in staat om je te vergelijken met anderen en met jezelf in eerdere lopen. Het is de tijd die ranglijsten mogelijk maakt en prijsuitreikingen. Prijzen horen bij deze omgang met de tijd, bij de kloktijd dus. Ik ken geen prijzen voor de omgang met die andere omgang met de tijd: prijzen voor lopers met de meest intens beleefde tijd. Die blijft een individuele ervaring die zich niet laat vergelijken of uitdrukken in objectieve criteria. Gelukkig maar.

Na 3 uur en 7 minuten passeer ik de finish. Ik voel me fit en ben juist daarover meer dan tevreden. Ik heb ontspannen gelopen, ik heb de afstand kunnen afleggen op een manier waarop er volop ruimte was voor genieten van de omgeving, genieten van de beweging van het lopen, van de sfeer en de spanning, genieten van het gesprek en het contact. Ik hoorde bij het naderen van de finish de speaker onze namen noemen. Ze heet dus Esther. Ik geef haar een hand, bedank haar voor de gezellige loop en wens haar veel succes in haar marathon in Parijs.

Op de terugweg geniet ik na van het plezier tijdens het lopen. De motivatie is weer helemaal terug!

 

Share
Posted in Lopen | Tagged , , , | 1 Comment

Filosofie van de marathon

Toen ik vorige week in de sauna zat, herinnerde ik me een idee voor een ‘project’ dat ik jaren geleden al eens overwoog maar omwille van de tijd die het vraagt, niet in uitvoering kon nemen: het schrijven van een (beknopte) ‘filosofie van de marathon’. En op dit moment zijn de omstandigheden juist uiterst gunstig: ik ben met pensioen en heb dus tijd én ik ben in voorbereiding op een marathon.

Wat het pensioen betreft en de plannen die ik heb, daar heb ik onlangs al een blog aan gewijd. Wat de marathon betreft, tja wat zal ik daarover zeggen? Eerst even terug naar het ‘project’.

Laat ik beginnen met toe te lichten wat ik bedoel met een ‘filosofie van de marathon’. Ik doel dan op een filosofische reflectie op allerlei aspecten die met het lopen van een marathon te maken hebben. Op de groslijst van onderwerpen die ik aan het aanleggen ben, staan thema’s als:

  • lichaam en geest: werken ze samen of is het lichaam alleen de motor die tijdens het lopen van voldoende brandstof moet worden voorzien?
  • prestatie of plezier (fungeert topsport als model voor de recreatieve beoefening van de duursport zodat het ook daar uiteindelijk gaat om de persoonlijke prestatie in termen van een PR (persoonlijk record)? Of is er ruimte voor duursport waarin het plezier centraal staat, zoals ik dat graag opvat en presenteer als ‘toeristisch hardlopen’?
  • jij en je omgeving: de duurloop als middel om je omgeving te verkennen; ben je alleen met je beweging bezig of heb je oog voor je omgeving en zie je opvallende vogels, planten, of, zoals eergisteren: een rivierkreeftje op het fietspad?);
  • samen en alleen: ontwikkelen doe je samen; hoewel je je duurloop op je eigen benen loopt, ontwikkel je je vaak het best door dat samen met anderen te doen;
  • cruciale deugden als doorzettingsvermogen en maathouden;
  • de rol van emoties: het merendeel der marathon-debutanten passeert geëmotioneerd de kreeft1finish. Wat speelt hier?

Ik hoop hiermee filosofen een beeld te geven van hoe zo’n stevige fysieke inspanning filosofisch geduid kan worden. Ik geloof niet dat er zo heel veel marathonlopers onder filosofen zijn, dus mogelijk voorzie ik in een lacune in kennis hierover én verrijkt het bestaande inzichten. Natuurlijk, er zijn enkele bekende namen zoals Mark Rowlands (Filosofie van de duurloop) en Damon Young (Filosoferen over beweging en sport), maar veel zijn het er niet. Ik denk dat de reële ervaring van het lopen van een marathon (inclusief de voorbereiding natuurlijk) iets toevoegt aan interessante filosofische thema’s. Als voorbeeld las ik een aardige filosofische column van Thijs Feuth  die in 2010 de marathon van Rotterdam uitstapte, op het thema ‘verliezen’. Interessant ook de reacties die hierop verschenen. Zeer illustratief voor de verwarring rond intenties van duurlopers/ marathonlopers.

Omgekeerd, marathonlopers (of meer in het algemeen: duurlopers) raken mogelijk geïnteresseerd in filosofie: op een vrije manier de conventionele paden van denken verlaten en je laten verrassen door de inzichten van de reuzen uit de filosofische geschiedenis. Want dat is kenmerkend voor filosofie: die begint steeds opnieuw en staan tegelijk altijd op de schouders van de groten uit het verleden.

Kortom, met een beetje goede wil snijdt het mes naar twee kanten.

Even terug naar de sauna: ik ervaar elke keer als ik er ben dat het verblijf in de hitte van de saunacabine eenzelfde soort effect heeft als het volbrengen van een duurloop: de fysieke inspanning leidt tot het opruimen van je hoofd en tot het scheppen van een ruimte waarin nieuwe ideeën ontstaan.  Wat er precies gebeurt, weet ik niet – neurobiologen zullen ongetwijfeld wijzen op het vervaardigen van bepaalde stofjes als gevolg van de inspanning, maar die stofjes verklaren nog niet het ontstaan van nieuwe en creatieve ideeën als zodanig want stofjes bevatten zelf die ideeën immers niet. Misschien hebben duurlopers wel een verstandige boodschap voor onderzoekers op het gebied van ‘hoe werkt ons brein?’

En ja, dan die marathon. Tien jaar geleden deden we met een groepje mee aan de marathon van Athene. Het waren voornamelijk debutanten en het was een hele leuke ervaring. Daarna zijn we nog dublinnaar Berlijn geweest, naar Stockholm (29 graden bij de start) en naar Barcelona. Mijn laatste marathon is de Midwintermarathon 2014. Ik hield het na 31 marathons voor gezien. Maar toen kwam het idee om, na tien jaar, nog een keer samen op pad te gaan. ‘De cirkel rond maken’ heette het. Het gaat Dublin worden, op 29 oktober a.s.

Hoewel ik zo’n beetje gestopt was met hardlopen om me vooral in de sportschool uit te leven in allerlei lesjes, leek het me niet leuk om als alleen supporter mee te gaan. Dus heb ik het trainen weer opgepakt. Ik moet zeggen, het gaat niet vanzelf. Ik ben nu een paar maanden bezig en ik merk dat de vooruitgang maar heel traag verloopt. Oké, dit gaat dus ook een thema voor een filosofische beschouwing worden: ouder worden en de beleving van sport.

En wie suggesties heeft: ik houd me aanbevolen!

 

Share
Posted in Lopen | Tagged , , | Leave a comment

Leven in de tussentijd

‘Leven in de tussentijd’ – het zou de titel kunnen zijn van een stevige cultuurfilosofische doordenking van onze tijd – een analyse van de eerste twee decennia van de 21ste eeuw waarin zo ontzettend veel is veranderd en door verandert en dat zonder afgeronde en breed geaccepteerde beelden over de toekomst waarnaar we met elkaar op weg zijn. Een heldere toekomst ligt verder weg dan ooit, zou je zeggen maar dat lijkt me overdreven.

Toekomst is altijd onvoorspelbaar geweest en voldeed ook in de praktijk zelden aan parmantige toekomstscenario’s. Wat dat betreft is er niet zozeer een verschil tussen perioden als het gaat om de voorspelbaarheid van toekomst (die toch ongewis is) als wel in (noem het) het geestelijk klimaat. Ik denk daarbij aan de samenbindende kracht van dominante, gedeelde waarden als vertrouwen, solidariteit, hoop, vooruitgangsgeloof,… Toen mijn ouders jonger waren dan ik nu, hoorde ik mijn vader vaak zeggen dat ‘de regering het niet gemakkelijk heeft’. Hij doelde niet zozeer op WIJ-LAURA-VAN-DOLRON-618x800partijpolitieke verschillen als wel op de onzekerheid die eigen is aan belangrijke beslissingen over gewenste toekomsten. Zoals Machiavelli al schreef: mensen die iets willen veranderen hebben te maken met twee soorten tegenstand. Tegenstand van hen die menen dat ze iets te verliezen hebben in de nieuwe situatie en tegenstand van hen die pas in het nieuwe geloven als het er is. Neemt niet weg dat mijn ouders zich inzetten voor een toekomst waarin het voor ons als hun kinderen beter zou zijn dan voor hen. Zij geloofden in het belang van goed en langdurig onderwijs en hadden daar veel voor over. Dat soort toekomstverwachtingen bedoel ik – daar merk ik tegenwoordig veel minder van en dan denk ik niet aan vluchtelingen…. Onlangs las ik Wij van de stand-up filosofe Laura van Dolron die hier trefzekere opmerkingen over maakt.

Twee vormen van discipline

Neen, mijn betekenisgeving aan ‘leven in de tussentijd’ is veel bescheidener en particulier. Zo noem ik namelijk de periode waarin ik op dit moment leef. Een periode van drie maanden die valt tussen de datum van mijn pensionering als adviseur bij B&T en het begin van een nieuw leven, dat van promovendus in spé. Dat laatste klinkt wat tautologisch en leg ik straks uit. Een overgangsperiode waarin ik, zo bedacht ik me, een wisseling aanbreng in de discipline Disciplinevoorkant_juni_2014die mij leidt. Door het boek van filosofe Marli Huijer over discipline heb ik geleerd dat er aan discipline niet alleen ergerniswekkende kantjes zitten maar ook nuttige. Ik doel nu dus op de (in mijn beeld) nuttige dimensies van discipline.

In de overgangsperiode van een maand of drie neem ik afscheid van een heel gestructureerd en doelgericht leven dat heel veel extern aangedreven discipline kende. Ik denk aan het verschil tussen werkdagen en weekenden (ik probeerde dat verschil er echt in te houden, in tegenstelling tot wat ik meende een groot aantal collega’s te zien doen), aan de opdrachten van bestuurders en toezichthouders in het onderwijs, aan studiedagen en bureaudagen met collega’s onderling, aan de wekelijkse opdracht om ‘uren te schrijven’, aan de verplichte projectevaluaties, aan het jaarlijks gesprek over de prestaties in het achterliggende jaar, dat soort disciplinerende situaties dus. Allemaal voorbeelden waarvan inmiddels een paar decennia terug filosoof Hans Achterhuis in De markt van welzijn en geluk de achtergrond schetste. De beste houding om met deze situaties om te gaan vond ik die van het accepteren en het zelf initiatief nemen in de dingen die voor jou en mogelijk voor anderen van belang zijn. Voor het jaarlijkse beoordelingsgesprek met mijn leidinggevende maakte ik zelf een agenda. En meer in het algemeen volgde ik het devies: geef de regie over je arbeidzame bestaan niet uit handen maar houd die aan jezelf.

Ik waardeer de grote vrijheden die ik eigenlijk mijn hele loopbaan heb gekregen. Vrijheden om mezelf te ontwikkelen, om te ontdekken waar ik goed in ben, om mijn eigen sterkten in te mogen zetten. Ik ben daar mijn leidinggevenden zeer erkentelijk voor.  Ik heb weinig last gehad van ‘dwarsbomen van mijn professionele autonomie’ door allerlei administratieve gedoetjes. O ja, soms was er reden om daar moeilijk over te doen, maar waarom zou je. Tel je zegeningen en zeur niet zo.

Deze vorm van externe disciplinering laat ik dus achter me nu ik me voorbereid op een leven dat op een andere manier gestructureerd zal zijn: niet op basis van externe disciplinering maar op basis van zelfdiscipline. Zoals ik hier en daar al meldde heb ik het plan opgevat om nog een keer te promoveren, nu in de filosofie. Dat zou voor mij het ultieme zijn van wat ik zie als mijn mogelijkheden. Ik heb geen idee of het gaat lukken maar ik heb wel heel veel zin om daar een serieuze start mee te maken en te zien hoever ik kom. Ik kom hier straks op terug.

Leven in de tussentijd als reële ervaring

Ik wist van tevoren niet dat ‘leven in de tussentijd’ bestond en te ervaren was. Nu ik een maandje gaande ben, constateer ik het bestaan ervan en doe ik een poging te verwoorden hoe dat er uitziet.

Vooralsnog (?) is ‘leven in de tussentijd’ leven in een aangename leegte. Dat lijkt een tegenspraak misschien: een leegte die aangenaam is, maar is het voor mij niet. De leegte manifesteert zich in de ervaring dat er geen moeten is, niets hoeft, alles wat ik doe of wil doen, doe ik op mijn eigen tijd, zonder enige externe druk. Het moeten vervangen door het willen.

De leegte autosleutelsontstond eerst nadat ik eind juli op kantoor mijn laptop, mijn telefoon, autosleutels en toegangspasje inleverde en daar de deur achter me dicht trok. Weg e-mailaccount, weg groepsapp, weg collega’s, einde telefonische overlegjes. Een paar dagen heerste het gevoel van losgekoppeld te zijn en dat was ook zo. Ik was niet langer verbonden – letterlijk en figuurlijk. Duidelijker kon de boodschap niet zijn.

Daarna was er toch ook het afvallen van een zekere druk: de druk om de vakliteratuur bij te houden, nieuwtjes uit het werkveld te verwerken, namen van personen te onthouden, to do lijstjes maken, linkjes naar artikelen op te slaan – dat hoeft allemaal niet meer.

We zijn, zoals elk jaar, voor de hele maand augustus op onze vakantiewoning in Flevoland, kregen kleinkinderen te logeren en deden zo nog het een en ander. Medio de maand gingen we voor een weekend naar ons vaste retraiteadres, het Clarissenklooster in Megen. Op weg daarnaar toe constateerde ik dat ik nog niet eerder zo mentaal leeg die kant op ging. Altijd was er wel iets dat me bezighield en me aanzette tot het schenken van gerichte aandacht. En nu was er niets, helemaal niets. Een leeg hoofd. Het stelde me in staat om het boek Heilige onrust van Frits de Lange te lezen en daarop te reflecteren (zie blog). De Clarissengemeenschap is ons vertrouwd en biedt een heerlijke achtergrond voor studie en reflectie. Want dat is wat ik altijd doe als ik in het klooster ben. Naast het bijwonen en meebeleven van alle diensten (vijf op een dag) lees ik in meditatieve boeken en denk ik derksena en schrijf ik voor mezelf over passages die tot nadenken stemmen. Ik begrijp wel wat Wil Derkse in Een levensregel voor beginners zegt over de grote productie van veel Benedictijner (en ook andere) monniken: de structuur van de kloosterdagen in combinatie met mono-tasking (in tegenstelling tot multitasking) maken het mogelijk om je heel geconcentreerd aan je taak te wijden.

Het weekend erna zag er heel anders uit, heel tegengesteld zelfs. Het was het weekend van Lowlands, dit keer de 25ste editie, voor ons de veertiende (?). Omdat onze vakantiewoning schuin tegenover het Lowlands terrein ligt, is onze tuin een geliefde kampeerplek voor kinderen, neven en hun vrienden. Het levert een gezellig en levendig tafereel op. Dit jaar stonden er zes tentjes terwijl we binnensmuurs met zijn vieren waren; ook onze kampeerbus voorzag in twee slaapplekken. Lowlands, elk jaar weer een heerlijk festival. Interessant is dat de organisator ervan, Mojo, bewust bezig is om de programmering mee te laten evolueren met de muziekontwikkeling in Nederland in het algemeen die weer interfereert met de culturele diversiteit. Ik denk aan de toename van hiphop. Het publiek dat er is, reageert daar enthousiast op, maar of er nu ook ander publiek mee wordt aangetrokken? Ik weet het niet. Lowlands is nog een wit festival.

September zal een maand worden met van alles en nog wat: drie dagen naar kasteel Slangenburg (afscheidsgeschenk B&T), klussen, familiefeestjes,… Oktober wordt een maand waarin we er met de kampeerbus op uit hopen te gaan. We sluiten af met een weekend Dublin met het doel daar de marathon te lopen. Ik kom daar in een later blog graag nog op terug. Daarna begint de nieuwe periode.

Verborgen filosofie in de taal van de adviseur

Vele jaren adviseerde ik school- en algemeen directeuren, schoolbesturen en later ook toezichthouders over allerlei bestuurlijke zaken waaronder governance (‘goed bestuur’) en onderwijskwaliteit. Het bestuurlijke domein kent een reeks van woorden en begrippen die voor de gebruikers ervan wel duidelijk lijken maar die dat bij nader inzien veel minder zijn. Ik denk hierbij niet alleen aan allerlei vakjargon en juridische begrippen maar ook en vooral aan in taal weergegeven omslag-governance-1602.inddbeelden van de werkelijkheid. Denk aan beleidsplannen, liefst ‘strategisch’: ze gaan over een op papier gecreëerde, nog in de praktijk te realiseren werkelijkheid. Anders gezegd: de boogde werkelijkheid bestaat op dat moment alleen in taal (i.c. het beleidsplan) terwijl die taal zelf vaak weer in hoge mate metaforisch van aard is: het strategisch beleidsplan als een roadmap, als een spoorboekje, een verbeelding, een wenkend perspectief, een stip op de horizon (en dan moet je enthousiast worden voor iets wat je nooit gaat bereiken?),….. Het fascineert me dat taal dus werkelijkheid bedoelt te creëren die er nog niet is (vandaar ‘creëren’) en iedereen in beweging kan zetten. Bovendien, die beoogde werkelijkheid zal er altijd anders uit zien dan wie dan ook had bedacht bij het schrijven van het perspectief, om de simpele reden dat de woorden in hun metaforische werking bedoeld zijn te verwijzen naar iets wat zich nog niet in eigen woorden zeggen laat. Dit klinkt cryptisch maar is precies waar het me in filosofisch opzicht om te doen is.

Wat voor taal gebruikt de adviseur? Ik weet het uit eigen ervaring: metaforen, tegenstellingen, hyperbolen, parabolen, ‘van – naar’- simulaties, scenario’s, toekomstverkenningen (het woord is zelf 399px-Immanuel_Kant_(portrait)al een mooie combinatie van tijd en ruimte en dan moet ik onmiddellijk denken aan de Anschauungsformen uit de Kritik der reinen Vernunft (1781) van Immanuel Kant.) Veel retorische instrumenten dus (‘instrumenten’ – ook al een metafoor) die in het advieswerk verder beogen te reiken dan simpel stijlmiddel = opsmuk te zijn.

Ik realiseer me goed dat wat ik hier aangeef als de taal van de adviseur grote overeenkomsten heeft met de taal van de politicus of de theoloog en als dat zo is dan verdient dat mijn aandacht. Maar vooralsnog wil ik me concentreren op de verborgen filosofie in de taal van de adviseur. Al die taalmiddelen die ik noemde, worden in adviessituaties bedoeld om een nieuwe werkelijkheid te ontsluiten en interessant is voor mij: om wat voor werkelijkheid gaat het dan? En wie kan die vraag beantwoorden? Is het een vraag aan de ontologie, is het een vraag aan de taalfilosofie of is het een vraag aan de filosofische antropologie?  Ik vind dit heel fascinerende vragen en ik ben erg benieuwd welke antwoorden daar vanuit de filosofie op te geven zijn.

In mijn eerste verkenningen zie ik al grote verschillen. De continentale filosofie met namen als Derrida, Lacan en Ricoeur benadert dit soort vragen heel anders dan de Angelsaksische. Ik las lakoffonlangs de bekende studie van Lakoff en Johnson, Metafors we live by en die benaderen metaforen zó anders dan de eerdergenoemde namen. Eerlijk gezegd, ik heb niet zoveel met de Angelsaksische benadering, ik vind die steriel – maar dat is geen filosofisch argument…..

Vanaf november wil ik me systematisch met dit soort vragen bezighouden (al ben ik al begonnen met lezen). De winter en het voorjaar wil ik gebruiken om me breed in te lezen en een goede onderzoeksvraag te formuleren. Tegen de volgende zomer hoop ik een hoogleraar te interesseren die me zou willen begeleiden richting een promotie. Daarna begint het echte werk zou je kunnen zeggen, maar ik zie dat anders. Dat start voor mij in november. Ik zie ernaar uit en houd jullie graag via deze site op de hoogte.

Share
Posted in Reflecties | Tagged , , , , , , | 4 Comments