Open Mind (continued) Nr. 118 En telkens valt er een kwartje

Van huis uit ben ik neerlandicus en filosoof. December 1977 studeerde ik af aan het roemruchte Instituut voor Neerlandistiek van de UvA, in maart 1978 aan de Centrale Interfaculteit  van de Vrije Universiteit (een behoorlijk cultuurverschil tussen die twee instituten trouwens). In april 1978 begon ik lambertaan een onderzoeksbaan op het gebied van de historische taalkunde van het Nederlands aan de UvA, voor twee jaar. Toen was de subsidie op en zat er als gevolg van overheidsbezuinigingen geen verlenging in. Dat werd dus omzien naar iets anders. Vanaf 1980 verkeer ik in de wereld van het onderwijsbestuur, op verschillende posities. Tussendoor, in 1983 promoveerde ik in de Letteren – we hebben ons onderzoek dus toch kunnen afronden, zij het in vrije tijd.

Terugblikkend denk ik dat ik een late en trage leerling ben geweest. Ik ben van november en behoorde dus altijd tot de wat oudere leerlingen in de klas. Toch ben ik weleens blijven zitten, puur omdat ik de stof nog niet snapte. Nog niet rijp heette dat. (Misschien zeggen moderne leertheorieën hier andere dingen over?)  En op de universiteit voelde ik me ook permanent op achterstand met, wat we nu noemen, een beperkte woordenschat en kennis van de wereld. Zo ben ik er lang achteraan blijven hobbelen. Dat gevoel, dat me lang parten speelde, is geleidelijk opgelost.

Neemt niet weg dat er vaak een groot gat in de tijd zat tussen ‘iets leren’ en ‘iets begrijpen’. Op school pakte dat een tijd lang verkeerd uit: repetities kwamen net te vroeg. Maar het gat tussen iets leren en iets inzien (in de betekenis van ‘in zijn werking doorgronden’) kon ook decennia blijven kwartjebestaan. Bijgevolg gebeurt het nog vaak dat ik de ervaring heb dat ik de oude kennis met nieuwe ogen bezie en opeens andere relaties leg en verdiepingen aanbreng. Dat heeft een heel spannend effect: aan de ene kant levert het de heerlijke beleving op van ‘het kwartje valt, misschien wat laat, maar het valt wel!’, aan de andere kant valt er heel veel nieuws te ontdekken, of beter: te verwerven, want vanzelf gaat dat nog steeds niet. Ik zal hier een voorbeeld van geven.

In mijn promotieonderzoek heb ik me verdiept in de voortzetting van het klassieke trivium in de Nederlandse volkstaal in de zestiende en zeventiende eeuw. Trivium is het talige deel van de zogenoemde Zeven Vrije Kunsten (de zogenoemde ‘septem artes liberales’) uit de onderwijstraditie triviumzoals die ontstond in de Antieke Tijd en zich doorontwikkelde in de Middeleeuwen. Het trivium werd in de periode van Renaissance en Humanisme onderwezen op de zogenoemde Latijnse scholen maar kreeg via het werk van met name Rederijkerskamers en taalminnaars van de volkstaal, een ‘vertaling’ in het Nederlands. Door de traditie van het trivium te bestuderen heb ik veel opgestoken over de klassieke retorica, over de dialectica en Middeleeuwse logica en natuurlijk over de traditie van de grammatica. Kennis van het trivium en quadrivium (aritmetica, geometria, astronomia en musica) vormde indertijd de basis om door te kunnen studeren in de theologie, rechten of medicijnen, waarbij het trivium meestal het quadrivium domineerde hetgeen niet onbegrijpelijk was gelet op de voorwaardelijke functie van deze talige vakken.

Zoals gezegd heb ik veel geleerd over de functie van correct taalgebruik, van zuiver redeneren en van de regels voor een welsprekend optreden, maar het duurde toch nog heel lang voor ik ontdekte en ervoer hoe je deze kennis ook zelf kunt aanwenden in je eigen beroepsuitoefening én hoe je daar weer op kunt reflecteren. Anders gezegd, mijn taalgevoeligheid vloeide niet vanzelf voort uit mijn kennis over taal en de werking ervan maar werd, in mijn reconstructie, geleidelijk ontwikkeld en tot bewustwording gebracht. En van die ‘sprong’, die natuurlijk geen feitelijke handeling was maar staat voor een verdichting van een langzaam gegroeide situatie, heb ik, op het moment dat ik me dat realiseerde, geweldig genoten en geniet ik nog steeds met volle teugen. Ik bedoel: het scherpe inzicht in wat ik maar noem de ‘werkelijkheid-constituerende functie’ van taal en de betekenis hiervan in mijn werk als adviseur: dat je door de taal die je gebruikt, ervaart dat je gesprekspartners hun eigen situatie met andere ogen gaan bekijken en dat door de keuze van bepaalde woorden blikrichtingen kunnen veranderen waardoor verschillen worden overbrugd. Ik vond dit echt een heerlijke ontdekking. En als je ziet hoe dit werkt bij jou dan zie je ook hoe dit werkt bij anderen. Ik werd gevoelig voor verschillen in taalregisters en de effecten hiervan op onderwijs, ik kreeg oog voor de generatieve functie van metaforen en voor de ambiguïteit van opposities. Anders gezegd, al die retorische principes herken ik niet langer alleen als theoretisch begrippen maar ook in hun daadwerkelijk scheppende kracht. Immers, ze scheppen een nieuwe realiteit die bindend kan zijn of inspirerend of inzicht gevend. Het bepaalt me tegelijk bij de morele grenzen van deze kracht die immers altijd manipulatief is en niet vanzelfsprekend maar wel noodzakelijk in positieve zin.

Intussen ben ik toe aan de, in mijn persoonlijke ontwikkeling, volgende stap: de overstap van de retorische naar de filosofische doordenking van de taal die ik als adviseur gebruik. Want eigenlijk is alles wat we als adviseurs doen in taal en alleen daarin vervat en gaan wij (bijna) blindelings uit van de representerende functie van die taal. We gaan er met andere woorden stilzwijgend van uit dat representerendeze taal de werkelijkheid vertegenwoordigt. Maar vaak is dat maar deels of helemaal niet het geval, of beter: bestaat die werkelijkheid alleen in taal. Daar is overigens niets mis mee – zeg maar eens hoe het anders kan. Niet dus. Denk als voorbeeld aan het strategische beleidsplan voor de school of de stichting: die gaat over een gewenste, nog niet bestaande realiteit, om een wens of belofte en niet om een reeds aanwezige wereld buiten de taal – die beogen we er immers nog mee vorm te geven. We zoeken dan naar taal die ons helpt om ons tot die gewenste realiteit te brengen die op zijn beurt maar heel beperkt in taal gerepresenteerd zal worden. Het is niet moeilijk om aan de hand van dit voorbeeld te bedenken tot welke onzekerheden deze situatie op voorhand al aanleiding kan geven. Zie ter illustratie alle discussies over het begrip onderwijskwaliteit die duidelijk maken hoe gebrekkig de essentie ervan zich laat ‘vertalen’ in ‘taal en tekens’. De permanente onvrede over deze systemen illustreert de manco’s van de representatie die alleen te compenseren valt door een beroep te doen op een veelvoud van verschillende tekensystemen die elkaar daardoor aanvullen zonder het ooit compleet te kunnen treffen.

Als taalgebruikers en zeker ook als adviseurs, schoolleiders, bestuurders en toezichthouders gebruiken wij onophoudelijk metaforen. Deels zijn dit bestaande metaforen (‘je school over het voetlicht brengen’), deels begrippen die hun metaforische karakter allang hebben verloren (‘kaders metafoorstellen’), maar ook metaforen om nieuwe realiteiten met elkaar te benoemen, in een creatieve opzet dus. Neem ons (collega Jos van Elderen en ondergetekende) laatste boekje De zachte kant van governance. ‘Zacht’ verwijst naar een heel concrete fysieke ervaring die wordt overgedragen op een abstract begrip, ‘governance’. Door deze combinatie markeren we een nieuwe positie vanuit een impliciete tegenstelling (die tussen ‘hard’ en ‘zacht) met de bedoeling nieuwe dimensies van het onderwijsbestuur te benoemen.

In de filosofie is veel nagedacht over de functie van metaforen, over hun generatieve waarde en over hun begrenzingen. Filosofen als Lacan, Barthes en Ricoeur verdiepten de betekenis en werking van bartheset klassieke retorische, door Quintilianus, Cicero en de Rhetorica ad Herennium gepromote gebruik van de stijlmiddelen als metafoor en metonymia. Zo ook over al die andere tekens die we als adviseurs, bestuurders, schoolleiders, leerkrachten, gewoon zijn te gebruiken: schema’s, tabellen, figuren, foto’s, beelden, ….. Ook daarover is de laatste decennia, met name in de semiotiek veel gefilosofeerd. Überhaupt is de belangstelling voor taal als filosofisch verschijnsel actueel. Een ware ‘mer à boire’!

In augustus trek ik in mijn hoedanigheid van adviseur de deur van het B&T-kantoor definitief achter me dicht en ga ik me naar hartenlust uitleven in de filosofische doordenking van de taal die ik 37 jaar in de wereld van het onderwijsbestuur en advies heb gebezigd. Op enig moment hoop ik daarop te promoveren in de filosofie ten teken dat er opnieuw een kwartje is gevallen. Een inspirerend vooruitzicht.

Bewaren

Bewaren

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , , , , | 1 Comment

Open Mind (continued) Nr. 117 Verkiezingen en ’s lands onderwijsbeleid

De invloed van onze stem

Op 15 maart gaan we naar de stembus. Via kieswijzers maken we onszelf wegwijs in de programma’s en zoeken zwevers richting. Lijsttrekkers voeren debatten, of juist niet, om tot het laatst kiezers voor zich te winnen. Onderwijs is tot nu toe nauwelijks een thema. Is dat niet wat raar? Ja, als je kijkt naar het grote belang van onderwijs voor de toekomst van ons land. Neen, of minder, als je kijkt naar hoe onderwijsbeleid zich ontwikkelt. Grote ontwikkelingen in het onderwijs blijken goed beschouwd nauwelijks afhankelijk van politieke voorkeuren en verkiezingsuitslagen.

Een terugblik op 100 jaar onderwijsbeleid (1917-2017), waarover hieronder meer, levert ons ten minste drie belangrijke inzichten op.

Het eerste inzicht is dat partijpolitieke prioriteiten nauwelijks van invloed zijn op de echte, ingrijpende veranderingen in de inrichting van ons onderwijsbestel. Die inrichtingen komen in de regel tot stand door toedoen van een aantal opeenvolgende kabinetten. En aangezien Nederland een traditie heeft van wisselende politieke meerderheidskabinetten is er weinig ruimte voor de realisering van partijpolitieke voorkeuren.

Het tweede inzicht is dat de inrichting van ons onderwijsbestel als ordeningsvraagstuk in de pas loopt met de manier waarop andere sectoren in de samenleving zich ontwikkelen, denk aan de gezondheidszorg, de woningbouwsector of de culturele sector. Er is veel parallellie in de ontwikkeling. Voorbeeld: de aandacht voor governance. Onderwijs beweegt als sector mee op de golven van samenlevingsontwikkeling.

Het derde inzicht is dat echte, ingrijpende veranderingen in de inrichting van ons onderwijsbestel alle dimensies van de school aangaan: financiën, schoolstructuur, personeelsbeleid… En voor al die dimensies aan de beurt zijn geweest ben je zo tien jaar verder. Daardoor krijg je er vooraf weinig zicht op maar kun je de ingrijpende verandering achteraf wel reconstrueren.

Een veelkleurige reeks kabinetten

Nederland is van oudsher een land van coalities. We zijn gewend een kabinet te vernoemen naar zijn premier. Onderstaande eerste ministers waren van verschillende politieke kleur. Zo ook hun ministersploeg. Tussen haakjes de naam van de minister die onderwijs in portefeuille had.

  • De Quay: 1959 – 1963 (Cals)
  • Marijnen: 1963 – 1965 (Bot)
  • Cals: 1965 – 1966 (Diepenhorst)
  • Zijlstra: 1966 – 1967 (Diepenhorst)
  • De Jong: 1967 – 1971 (Veringa)
  • Biesheuvel 1 en 2: 1971 – 1973 (Van Veen)
  • Den Uyl: 1973 – 1977 (Van Kemenade)
  • Van Agt 1, 2 en 3: 1977 – 1982 (Pais, Van Kemenade, Deetman)
  • Lubbers 1, 2 en 3: 1982 – 1994 (Deetman, Deetman, Ritzen)
  • Kok 1 en 2: 1994 – 2002 (Ritzen, Hermans)
  • Balkenende 1-4: 2002 – 2010 (Van der Hoeven 3x, Plasterk)
  • Rutte 1 en 2: 2010 – nu (Van Bijsterveldt, Bussemaker)

Onder premier Kok zien we dus een PvdA’er en een VVD’er als minister van onderwijs en onder premier Balkenende een CDA’er en een PvdA’er. Onder premier Rutte idem dito.

Vier overzichtelijke periodes

Terugblikkend op de afgelopen 100 jaar kom ik tot vier onderscheiden periodes, of beter: vier onderwijspolitieke oriëntaties. De eerste twee zijn geïnspireerd door het eerdere werk van de bestuurskundige Idenburg, de volgende twee breng ik zelf in op basis van eigen analyse. Over elk van deze vier onderwijspolitieke oriëntaties is veel te zeggen, meer dan in het bestek van dit artikel past. Ik beperk me tot een staccato opsomming van relevante trefwoorden.

  1. Distributief onderwijsbeleid (1917-1962)

onderwijspacificatie, 1917, verzuiling, financiële gelijkstelling, terugloop openbaar onderwijs, groei bijzonder onderwijs, verdelende rechtvaardigheid, klein departement, regeren door middel van wetten, wetten voor openbaar onderwijs = bekostigings-voorwaarden bijzonder onderwijs, inspecties per richting, reproductie van maatschappelijke verhoudingen, een dubbeltje blijft een dubbeltje, ook na WO II voortzetting van deze structuur, relatieve rust,  19de  eeuwse schoolstructuur (hbs, mms, ambachtsschool, huishoudschool) spiegelt sociale standen.

  1. Constructief onderwijsbeleid (1962-1982)

Mammoetwet, minister Cals, dubbeltje kan kwartje worden, doorstromen mavo – havo, nieuwe schoolsoorten, kabinet Den Uyl, politisering onderwijs, middenschooldiscussie, maatschappelijk debat, prachtige beleidsnota’s (Contourennota), Van Kemenade kampioen van dit model, BuO wordt SO via ISOVSO, pedagogische invalshoek, ko/lo wordt basisschool, ononderbroken ontwikkelingsgang, intercultureel onderwijs, geestelijke stromingen, onderwijs speelt rol in ‘eerlijke verdeling van inkomen, kennis en macht’.

  1. Effectief (en efficiënt) onderwijsbeleid (1982-1994/98)

Wim Deetman, Roel in’t Veld, HOAC nota, ‘De school op weg naar 2000’ (1988), bestuurskundige oriëntatie, kerndoelen po en vo, schaalvergroting, incentives, Schevenings akkoord, procesmanagements, invoering lump sum financiering, introductie outputfinanciering, kerntakendiscussie, selectief actieve overheid, kerntakendiscussies, ‘doen wat werkt’, New Public Management, introductie marktwerking, overheid is bedrijf, aanzet internationale oriëntatie: overleven in groeiend Europa, school als lerende organisatie (Netelenbos).

  1. Economisch onderwijsbeleid (1994/98-heden)

Internationale akkoorden vertaald in kerncurricula, back to basics, korte leerwegen, geen stapeling diploma’s, negatieve sancties (boetes), neoliberaal denken, marktwerking, rugzakleerling koopt zelf in, prestatieakkoorden met raden, outputgericht beleid, opbrengstgericht onderwijs, uitbreiding outputfinanciering, evidence based, exact boven taal, techniek boven humaniora, onderwijs boven zorg, benchmarks, ondernemende school boven de lerende organisatie, netwerkschool, kwaliteitskaart.

Dimensies in de relatie tussen overheid en onderwijsveld

Onderwijsbeleid is uitdrukking van de manier waarop overheid en samenleving zich tot elkaar verstaan. Onder overheid versta ik de landelijke overheid (het geheel van ministeries, waaronder dat voor onderwijs). Onder samenleving versta ik (toegespitst op onderwijs): scholen en de organisatorische verbanden daaromheen (de vereniging of stichting die de school in stand houdt) en landelijke organisaties daar weer omheen. De wisselingen in de onderwijspolitieke oriëntaties kunnen we illustreren met een doorvertaling op een aantal dimensies:

  1. afstemming: volgend, sturend, samenwerkend?
  2. dominante blikrichting, vertaald in de vraag ‘wie hebben het voor het zeggen, daar in de Hoftoren?’
  3. welk soort middelen zijn populair in het relatiepatroon? ‘Hoe doen ze het?’
  4. leiderschap: welk beeld levert dit op voor de sfeer waarin aan scholen leiding wordt gegeven?
  5. partners: met wie worden ‘zaken gedaan’?
  6. relatie: hoe valt die te typeren?

Beschouwen we de genoemde vier onderwijspolitieke oriëntaties vanuit deze dimensies, dan worden de praktische verschillen snel duidelijk.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het zou me niet verbazen als we nu wederom in een overgangsperiode zitten. Maar zoals gezegd: ingrijpende wijzigingen laten zich pas achteraf goed reconstrueren. Mogelijk zijn het spoedig niet langer de economen die de blikrichting bepalen maar domineert het sociologisch perspectief. Denk aan aandacht voor integratievraagstukken, professionaliseringsvraagstukken en de status van het beroep. We zullen zien.

Naar de stembus

Woensdag gaan we naar de stembus en kiezen we een nieuwe Tweede Kamer. Een nieuwe ploeg zet het werk van de oude voort. Ja, als het gaat om onderwijsbeleid zal er veel continuïteit zijn. Dat leert de geschiedenis. Maar elke nieuwe ploeg zet óók zijn eigen stempeltje. Bovendien spreken we ons met onze stem niet alleen uit over een perspectief voor onderwijs, maar over heel veel méér. En dat maakt het urgent om er woensdag bij te zijn!

Verdiepen?

Mocht u zich nog willen verdiepen in de onderwijsprogramma’s van de politieke partijen? Ter voorbereiding op de B&T verkiezingsavond stelden collega’s daarvan een reader samen van alle onderwijsparagrafen. Downloaden? Klik op de volgende link:  Reader B&T verkiezingsavond.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , | Leave a comment

Open Mind (continued) Nr. 116 Leren van en met elkaar

Telkens ben ik weer verrast als ik zie hoeveel emoties leraren hebben bij het voorstel tot instelling van een lerarenregister. Kijk op Twitter @lerarenregister. Het schoolleidersregister lijkt op minder weerstand te stuiten. Hoewel ikzelf ook niet direct zal optreden als een vurig pleitbezorger van een dergelijk ‘instituut’ begrijp ik wel de maatschappelijke relevantie ervan en begrijp ik niet het paradoxale karakter van het protest ertegen onder leraren: je klaagt over het gebrek aan maatschappelijke waardering  en tegelijkertijd verzet je je tegen een probaat middel om die waardering te genereren.

Neen, ik ga niet serieus in op oneigenlijke tegenwerpingen als dat ‘registratie geen garantie voor bekwaamheid’ is. Natuurlijk is het dat niet. Dat weet een kind. Wat eerder curieus is, is het gegeven dat professionele registers in het onderwijs een zaak van de politiek zijn en van wetgeving. Je zou verwachten dat keuzes daarover gewoon zouden behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de beroepsgroep zelf.

Als ik al aarzelingen heb bij registers dan is het dat zulke instituten onvermijdelijk leiden tot normalisatie – in de dubbele, zowel positieve als negatieve zin van het woord: (a) negatief: reductie van veelvormigheid en uniciteit tot een standaard; noem het een vorm van isomorfisme, en (2) positief: (maatschappelijke) herkenbaarheid als categorie en als teken van (mogen we hopen) betrouwbaarheid.

Jezelf als beroepsgroep serieus nemen begint bij jezelf als professional serieus nemen. Bij dat laatste hoort: scherp blijven op je eigen ontwikkeling en op die van je collega’s, bevorderen van en bijdragen aan een professionele cultuur in je school, je niet verschuilen achter vage excuses als handelingsverlegenheid, en gewoon even een collega gaan raadplegen als je iets niet weet of kunt – dat soort dingen. Welnu, dat laatste kan in heel veel scholen beter. En het aardige is, als scholen daar echt werk van gaan maken, dan gebeurt er ook echt iets, zo merkte ik laatst weer bij een collegiale visitatie in het voortgezet onderwijs.

Een van de intrigerende vragen achter de idee van registratie is natuurlijk de vraag: wat doet ertoe? Anders gezegd, waar leer je als professional van? Het is een vraag die vanzelfsprekend in alle sectoren speelt maar die ik nergens zo expliciet en continu aan de orde gesteld zie als in het voortgezet onderwijs. Het is in mijn beeld een verdienste van de VO-academie dat aan deze vraag veel aandacht wordt besteed. Daarbij wordt breed gekeken, in lijn met de verschillende vormen van leren die in de leertheorie onderscheiden worden, zoals formeel leren, non-formeel leren en informeel leren.

Onlangs verscheen weer een update van het onderzoek onder schoolleiders en middenmanagers voortgezet onderwijs, de Monitor professionele ontwikkeling schoolleiders 2016 – een bescheiden document maar ook een leerzame stand van zaken die dicht bij de uitvoeringspraktijk blijft. Zelf heb  ik in 2014 in opdracht van de VO-academie samen met collega Gerben Zonneveld een onderzoekje gedaan naar de opbrengst van buitenlandse studiereizen door schoolleiders, ‘Met andere ogen kijken’. En vorig jaar mocht ik met Caroline Offerhaus en Martie Slooter, opnieuw in opdracht van de VO-academie, in een pilot onderzoeken of de door ons ontwikkelde werkvorm voor leren van elkaar, peer consultancy, een goede ingang vormt om de beroepsstandaard schoolleider voortgezet onderwijs tot een, noem het maar, levend instrument te maken voor de professionalisering van beoefenaars van dit beroep.

Interessant aan peer consultancy is dat deze methode van collegiaal leren van elkaar een aantal zaken combineert: reflectie op het eigen handelen, reflecteren op de reflectie van een collega/beroepsgenoot over zijn of haar eigen handelen, het leren geven en ontvangen van feedback, en het verantwoorden van gedrag en keuzes. In de pilot vormde de beroepsstandaard schoolleider voortgezet onderwijs de externe referentie voor de reflectiemomenten van zoals degene die reflecteert op het eigen handelen als voor degenen die daarop reageren. Het aardige van deze werkvorm was dat het leidt tot onomkeerbaar zelfinzicht, ondersteund met adviezen voor vervolg (vaak ook: voor ‘doorpakken’).

In de Monitor professionele ontwikkeling schoolleiders 2016 vallen interessante opmerkingen en ervaringen te lezen over de effectiviteit van bepaalde vormen van scholing. Zo worden scholingsactiviteiten die een verbinding leggen met de dagelijkse praktijk van de schoolleider in de eigen situatie, als zeer effectief gewaardeerd. Welnu, dit gebeurt dus bij werkvormen als peer consultancy en andere vormen van peer learning.

Het komt me voor dat beroepsregisters die open staan voor allerlei beweeglijke vormen van ‘leren van elkaar’, dus ook voor informeel en non formeel leren, een serieuze kans moeten krijgen.

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , | 2 Comments

Open Mind (continued) Nr. 115 Wat hebben raad van toezicht en (G)MR elkaar te bieden?

Wat veel raden van toezicht al deden, is sinds 1 januari jl. regel: raden van toezicht en (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraden zullen elkaar voortaan wettelijk verplicht tweemaal per jaar spreken. Het is een van de onderdelen van de onlangs in werking getreden Wet Versterking Bestuurskracht. Elkaar spreken is voor de meeste raden niet nieuw, maar hoe geven ze daar, gelet op de nieuwe situatie, een invulling aan die niet alleen voor elk van beide partijen iets oplevert, maar ook vanuit het perspectief van het geheel nuttig is?

In mijn frequente contacten met raden van toezicht was me allang duidelijk dat beide organen elkaar vaak wel zien staan, maar niet altijd goed weten wat ze aan elkaar hebben. Medezeggenschapsraden (ik laat het ‘gemeenschappelijke’ gemakshalve maar weg) hebben vaak geen goed beeld van wat de taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn. Er zijn er die de raad van toezicht benutten als klachtenbureau of menen dat ze opdrachtgever van de interne toezichthouder zijn. En omgekeerd zijn raden van toezicht weleens huiverig om het bestuur voor de voeten te lopen die immers het tegenover van de medezeggenschapsraad is. Vaak is er een jaarlijkse ontmoetingsbijeenkomst van beide raden of van vertegenwoordigers daarvan, al dan niet in aanwezigheid van het bestuur. Soms wonen toezichthouders als waarnemer een overlegvergadering bij, in andere situatie spreekt men elkaar op themadagen waar bepaalde onderwerpen besproken worden. Allemaal niks mis mee maar wel handig om, gelet op de nieuwe situatie, het er samen een keer over te hebben: hoe gaan beide raden invulling geven aan de halfjaarlijkse ontmoeting? Wat komt aan de orde? Wie initieert? Doet het bestuur mee of toch maar liever niet?

Twee organen, twee interne toezichthouders, toch verschil

Raad van toezicht en MR: beiden treden op als intern toezichthoudend orgaan. De taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn vastgelegd in de statuten en reglementen van de rechtspersoon (de stichting of vereniging). Raad van toezicht en bestuur zijn samen verantwoordelijk voor de rechtspersoon en voor de door de rechtspersoon in stand gehouden scholen een en ander met het oog op het maatschappelijk belang. De taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de MR zijn vastgelegd in de WMS. De bevoegdheden van de MR zijn van een andere orde dan die van de raad van toezicht. De opdracht aan de raad van toezicht is tenminste viervoudig: toezicht houden, belangrijke voorgenomen bestuursbesluiten goedkeuren, klankbord- en advies te zijn voor het bestuur en optreden als werkgever van het bestuur. Voor de MR draait veel, zo niet alles rond de bevoegdheden advies en instemming verlenen.

In de MR zijn de belangen vertegenwoordigd van ouders/leerlingen en personeel. Zij geven voice aan de belangen van twee groepen betrokkenen die directe belangen hebben bij veranderingen. Raden van toezicht worden geacht (en vaak dragen statuten dit ook op) om het opereren van het bestuur te beoordelen vanuit een zorgvuldige weging van drie soorten belangen: het belang van de stichting/vereniging als aanbieder van onderwijs (continuïteitsbelang), het belang van de scholen (in de regel verwoord door de MR) en het belang van de samenleving (een abstract en daardoor even lastig als essentieel te verdisconteren belang).

Contacten tussen raad van toezicht en MR zouden ertoe moeten dienen dat elk van beide partijen (en dat geldt evenzeer voor het bestuur!) zowel de eigen taak daardoor beter uitvoert als een meerwaarde beleeft van een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Dat zou in elk geval mooi zijn, toch?

Constructief samenwerken

Wat draagt bij aan een constructieve samenwerking tussen medezeggenschapsraad en raad van toezicht? Ik gooi er een paar wenselijkheden in bedoeld voor in tijden van goede verhoudingen (bij crisissituaties is meer nodig), ter overweging:

  • Vermijd onderwerpen waarover bestuur en MR actueel formeel overleg voeren en waarover het gesprek nog gaande is. Het kan alleen maar leiden tot onnodige verwarring, elkaar voor de voeten lopen, achterommetjes en dat soort onwenselijkheden. Bovendien: op enig moment zal de raad van toezicht hetzelfde voornemen van het bestuur ter goedkeuring voorgelegd krijgen en dan is een standaardvraag: hoe is het overleg met de MR verlopen? Daar tevoren invloed op hebben uitgeoefend door rechtstreekse communicatie tussen beide raden lijkt me minder zuiver.
  • Wees helder over de eigen verantwoordelijkheden van elk van beide organen. Zo is de raad van toezicht niet het klachtenbureau van de stichting en is de MR bedoeld om de visie van de bestuurder te toetsen aan het perspectief van de beroepskrachten en aan het perspectief van de vertrouwen-gevenden (ouders, leerlingen).
  • Geef elkaar de ruimte om te participeren in een volwaardige en gelijkwaardige relatie. Doe de leiding van de bijeenkomst om en om, kom samen tot agendavorming, evalueer samen de zinvolheid van de contacten,… Overigens, als raad van toezicht en MR tot de conclusie komen dat er een keer niets te bespreken is, dan kan een bijeenkomst natuurlijk gewoon gecanceld worden.
  • Bespreek onderwerpen die voor beide organen relevant zijn. Ik noem als voorbeelden:
    • De jaarlijkse update van het strategisch beleid: de notitie waarin het bestuur de raad van toezicht en de MR bijpraat over de relevantie van allerlei nieuwe ontwikkelingen voor de eigen organisatie en de gezamenlijke reflectie op deze update.
    • Een speerpunt uit het strategisch beleidsplan van de stichting/schoolplan van de school dat in uitvoering is. Hoe wordt dit op schoolniveau uitgewerkt? Hoeveel ruimte is daarbij voor het eigen profiel van de individuele school binnen een scholengroep? Waar loopt het team in de praktijk tegen aan? Levert het op wat er mee werd beoogd? Wat gaat goed, wat behoeft aandacht?
    • Een ontwikkeling waarvan verwacht mag worden dat die binnen afzienbare tijd gevolgen zal hebben voor de school/scholengroep. Denk aan krimp, aan personeelstekort, aan veranderde demografische verhoudingen, …..
    • Een ontwikkeling die onderwijs plaatst in een breder perspectief. Denk aan de bijdrage van onderwijs aan het lokale jeugdbeleid en het geheel van jeugdvoorzieningen.
    • Een ontwikkeling die actueel is in de professionele beroepsgroep, denk aan gepersonaliseerd leren, aan 21ste -eeuwse vaardigheden, aan doorlopende lijnen in de verticale kolom, aan rendementsvraagstukken, aan pedagogische en onderwijskundige vraagstukken, …
    • Een gezamenlijke evaluerende bespreking van elks bijdrage in een besluitvormingsproces inzake een bepaald onderwerp.
  • Neem de vrijheid om experts van buiten uit te nodigen, dus maak van een deel van deze ontmoetingen themabesprekingen en bevordering van deskundigheid.

Wat doen we met het bestuur?

Een vraagje in de sfeer van ‘wat doen we met moeder met Kerst dit jaar’? Ik hoop het niet. Sterker, ik hoop dat het bestuur de vaak geziene neiging om het contact tussen beide organen te controleren, in bedwang kan houden. Loslaten dus als je aanwezigheid niet nodig is. Zelf terugtreden en niet wachten tot het moment dat de voorzitter van de raad van toezicht vertelt dat ze het zonder jou ook wel kunnen. Maar omgekeerd, erbij zijn als er belangrijke inhoudelijke thema’s worden besproken die van strategisch belang zijn voor de school of scholengroep. Gezond verstand gebruiken dus.

Dat gezonde verstand blijkt ook als het bestuur voorstelt om regelmatig een informeel driehoeksoverleg te organiseren (Vz MR, Vz RvT, Vz CvB) waarin de verschillende processen en procedures op elkaar worden afgestemd.

Het lijkt me een onderwerp dat zich goed leent om ervaringen en suggesties te delen. Reageer gerust (harm.klifman@vbent.org). Misschien goed om in een latere column op door te gaan.

Doorsturen van deze (en andere) columns is natuurlijk toegestaan.

(Dank aan collega Jos van Elderen voor het meelezen en enkele suggesties)

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , | Leave a comment

De zevende functie van taal

Om maar gelijk bij het eind te beginnen: vijf sterren voor De zevende functie van taal van Laurent Binet. Want dat verdient hij! Wat een lekker boek. Origineel, gewaagd, verrassend, sprankelend, superieur, welsprekend, en zo kan ik meer welluidende kwalificaties geven. Van zevendezijn Hhhh was ik al erg gecharmeerd – een voortreffelijk geschreven en spannend verhaal over een aanslag op de man achter (gepaster: het brein van) Himmler. In De zevende functie van taal speelt Binet opnieuw met de werkelijkheid, nu die van het filosofisch milieu in het Frankrijk van het begin van de jaren ’80 van de vorige eeuw.

Alleen al het idee, hoe kom je erop. De periode van de grote kopstukken uit de Franse filosofie uit die periode: Sartre, Althusser, Derrida, Kristeva, Soller, Foucault natuurlijk en Roland Barthes, de schrijver van onder meer het ook in het Nederlands vertaalde Le plaisir du texte, met wie het allemaal begon. De laatste komt onder een busje en overlijdt kort erna. Historisch is nooit opgehelderd hoe dit kwam. Binet weet er wel raad mee en vult deze leemte met een verhaal dat op een vaak hilarische en regelmatig ironiserende manier ingaat op de grote filosofische controverses die in die tijd spelen. De grote namen in dat vaak in het publiek gevoerde debat (wat verschilt Frankrijk toch van Nederland als het gaat om de publieke aanwezigheid van het filosofisch debat) vormen allemaal een romanpersonage bineten Binet doet alsof hij er ter plekke bij was om niet alleen hun vaak chaotische dialogen vast te leggen maar ook en misschien wel vooral om hun hebbelijkheden en onhebbelijkheden, hun trots en kleinzieligheid te registreren.

We zitten in de tijd van de semiotiek, de wetenschap die gericht is op de betekenis der dingen, een wetenschap die niet alleen het talige als object heeft, maar in feite alle culturele uitingen beschouwt als systemen van samenhangende betekenissen. Dit is mooi te illustreren aan een van de hoofdpersonages genaamd Simon Herzog, docent semiotiek, die bij het zien van een gevaarlijke tegenstander deze aan de hand van allerlei uiterlijke kenmerken snel plaatst in een culturele en maatschappelijke context waarop hij vervolgens kan inspelen om de tegenstander onschadelijk te maken. Dit riekt allemaal naar geweld en dat klopt want daar is in dit boek volop sprake van.

Het verhaal gaat dat Roland Barthes tijdens zijn ongeluk dat plaatsvond na zijn lunch met presidentskandidaat Francois Mitterand, in het bezit was van een papiertje waarop de zevende functie van taal stond beschreven – een formule die de bezitter ervan de macht over het woord zou geven en daarmee over de werkelijkheid. Het zou gaan om een aanvulling op de dan bekende zes functies van taal die de linguïst Roman Jakobson eerder in beeld bracht. Politiek zeer gevoelig materiaal dus, temeer daar Frankrijk in een heftige verkiezingsstrijd om het presidentschap is verwikkeld. Al snel wordt duidelijk dat meerdere partijen geïnteresseerd zijn in dit document. In de roman volgen we inspecteur Bayart die opdracht heeft van de zittende president Giscard d’Estaing om het document te vinden. Bayart laat zich bijstaan door de genoemde Simon Herzog die de nodige kennis heeft op het gebied van de semiotiek. Samen gaan ze dus op zoek en zo belanden we in de kringen van een internationaal geheim genootschap waarin het disputeren aan de hand van stellingen tot kunst, of beter: tot strijd is verheven. Binnen de organisatie zien we een prachtige hiërarchie die regelt wie wie mag uitdagen. Aan de top staat Protagoras, daaronder de Sofisten, en zo lagere rangen. Binet schildert ons een paar van deze disputen en levert aldus prachtige staaltjes van welsprekendheid. O ja, een dispuut verliezen kost je wat: in elk geval een vingertop; wordt ter plekke ten overstaan van het publiek geregeld. Maar het kan nog erger en dat gebeurt ook. Philippe Soller, onder meer romanschrijver en echtgenoot van Julia Kristeva, kan ervan meepraten. Gelukkig is dit laatste bij mijn weten (tot nu toe?) alleen het geval in de roman, zoals ook Derrida die in de roman het loodje legt, nog in leven is. Maar dat geldt niet voor alle ‘feiten’ uit het boek zoals de moord die Althusser pleegt op zijn vrouw.

Het boek is op veel manieren te interpreteren en te waarderen.

Ik noem: als satire op het doorgeschoten Franse structuralisme dat soms verzandt in een soort geheimtaal dat velen intellectueel bevredigt maar dat ook volkomen buiten de werkelijkheid lijkt te staan. Tegenover deze geheimtaal zet Binet de zevende functie van taal in die ons niet echt wordt onthuld maar die alles lijkt te hebben van de perfecte performatief – een ‘uitvinding’ van Angelsaksische taalfilosofen, met name Austin en Searle: woorden die zelf de daad zijn waarnaar zij verwijzen, werkwoorden die de werkelijkheid door het uitspreken veranderen. Voorbeeld: de ambtenaar van de burgerlijke stand die met het uitspreken van de  woorden ‘ik verbind u in de echt’ het huwelijk voltrekt; het tekenen van de akte is slechts een formaliteit.  Ultiem voorbeeld: de goddelijke schepping uit het begin van het boek Genesis. Wie de zevende functie van taal goed vervult, beheerst de performatief perfect en heeft de macht over de wereld, zo lijkt het beeld.

De rechtstreekse ‘battle‘ tussen beide stromingen in de taalfilosofie (Amerika tegen Europa/Frankrijk, McEnroe tegen Borg, Searle against Derrida) wordt schitterend neergezet in de passage waarin het hele Franse milieu zich verplaatst heeft naar de VS. In het dispuut tussen beide richtingen is Binet werkelijk op zijn best. Overigens fascinerend om te zien hoe Binet speelt met de technieken van ecooverreding (dialectica) en overtuiging (retorica). En ja, bij wie zal hij dat geleerd hebben? Bij Umberto Eco misschien, die ook prominent aanwezig is in dit boek?

Ik noem: als satire op het genre detectiveroman: de alwetende rechercheur die verrassend steeds over nieuwe informatie blijkt te beschikken en er op andere momenten niets van begrijpt. Die een maatje nodig heeft om hem wegwijs te maken – waar kennen we dat van?

Ik noem: als satire op de serieuze karakterschetsen van het intellectuele Parijse milieu in die tijd door niet alleen de grote ideeën van de denker op te blazen maar door vooral hun kleingeestigheden daar doorheen te weven. En wat doet Binet dat knap. Zinnetjes met grote gedachten steeds afwisselen met zinnetjes die verwijzen naar banaliteiten. Klasse.

Ik noem: als satire op de heilige graal romans en al die andere verhalen waarin sprake is van een heilig voorwerp  dat opgespoord moet worden omdat het macht verleent over de wereld; verhalen met complotten waarin Dan Brown grossiert. Neem de bijeenkomsten van het geheime genootschap, zo treffend de Logos Club genoemd: je moet onwillekeurig denken aan Vrijmetselaars, aan alchemisten.

Ik noem de stijl: rechtstreekse taal, actieve zinnen, veel concrete woorden, veelheid aan beelden, vaak associndexiatief, vaak meerdere lagen in één dialoog.

Ik noem een echt Binet-dingetje dat me ook opviel in Hhhh: de auteur is af en toe zelf aanwezig in het boek, doet alsof hij stond toe te kijken en spreekt dan zonder blikken of blozen in de eerste persoon enkelvoud. Zo grappig.

Ik noem de mooie vertaling en las echt Nederlandse woorden als denkraam en Droste-effect. Ook klasse.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Share
Posted in Boeken | Tagged , , , | Leave a comment

Open Mind (continued) Nr. 114 Hoe openbaar bestuur en openbaar onderwijs uiteen gingen

Hoe duaal is ons onderwijsbestel eigenlijk nog? We hebben openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs. Maar we weten ook dat het openbaar onderwijs zich steeds verder heeft verwijderd van het openbaar bestuur waaraan het van oudsher is opgehangen. Op 17 januari 2017 mocht ik een inleiding houden op een bijeenkomst van raadsleden Gemeente Amsterdam en toezichthouders stichtingen voor openbaar basisonderwijs in Amsterdam. Onderwerp: de relatie intern en extern toezicht in het openbaar onderwijs. Deze column is een samenvatting van die inleiding. Rode draad: sinds 1993 is sprake van terugtreden van het lokaal openbaar bestuur uit het openbaar onderwijs en van toetreden als centrale speler op het gebied van het (brede) lokaal onderwijsbeleid. Een dubbele beweging dus.

Het is hier niet de plek om ons duale onderwijsbestel diepgaand te beschrijven. Laat ik volstaan met aan te geven dat we te maken hebben met twee grootheden, het bijzonder onderwijs en het openbaar onderwijs. Het bijzonder onderwijs berust traditioneel op particulier initiatief: burgers die zich organiseren in verenigingen en stichtingen om scholen op te richten die passen in een bepaalde richting (rk, prot.-chr., bijzonder neutraal, reformatorisch, vrije school enz.). Openbaar onderwijs is het onderwijs dat van oudsher door de overheid (aanvankelijk rijk en gemeenten, later alleen nog gemeenten) in stand wordt gehouden. De lokale overheid heeft lange tijd de volgende, klassieke functies vervuld: garant te zijn van voldoend openbaar onderwijs, zorgdragen voor bekostiging volgens dezelfde maatstaf (de zogenoemde ‘overschrijdingsregeling’ met als ultieme karikatuur ‘het gebroken ruitje’) alsmede natuurlijk het toezien op naleving van de leerplichtwet.

De dubbele beweging waar ik in het voorgaande op doelde is al even aan de gang maar start eerst echt goed in 1993. Na de hectiek die toenmalig minister van Onderwijs Deetman in 1988 veroorzaakt met zijn nota De school op weg naar 2000 volgt op instigatie van staatssecretaris Wallage een deetmanperiode van intensieve onderhandelingen tussen verantwoordelijk bewindspersonen en vertegenwoordigers van de vier toen nog levendige, zuilair georganiseerde onderwijskoepels (NKSR, NPCS, NABS en CBOO/VNG), het zogenoemde Schevenings Beraad Bestuurlijke Vernieuwing. Agenda: hoe bereiden we ons voor op een bestuurlijk sterke onderwijssector in het licht van open Europese grenzen? Onderliggende agenda: wie gaat waarover in het onderwijsbestuur?

In 1993 eindigt het Schevenings Beraad in een groots akkoord dat wel het startpunt kan worden genoemd van veel veranderingen die we in onze tijd normaal vinden maar die dat toen niet waren. Voorbeeld: in het Akkoord (juni 1993) en in het uitwerkingsoverleg dat daar op volgde (maart 1994), is voor het eerst afgesproken dat scholen dienen zorg te dragen voor een schoolplan, een managementstatuut, een schoolgids en een klachtenregeling en dat elke school een kwalitakkoordeitsbeleid dient te formuleren (uiteindelijk wettelijk vastgelegd in 1998).

Voor wat het onderwerp van deze column betreft, betekent het Schevenings Akkoord dat er voor het eerst afspraken worden gemaakt om te komen tot een andere verhouding tussen gemeenten en het openbaar onderwijs. Kenmerkend voor die andere verhouding is de ruimte die gemeenten krijgen om actief op te treden als subsidiegever van breed lokaal onderwijsbeleid, in het bijzonder van de toentertijd zogenoemde cumi-gelden. Ook worden er afspraken gemaakt over verzelfstandiging van het openbaar onderwijs, dus over een lossere relatie tot de lokale overheid, de gemeenteraad.

In 2004 start toenmalig minister Onderwijs mevrouw Van der Hoeven een interessante dialoog: ze agendeert de vraag naar de gewenste taakverdeling tussen openbaar (landelijk) bestuur en onderwijsbestuur – dat laatste heeft immers een forse bestuurlijke ontwikkeling doorgemaakt in de vorm van allerlei schaalvergrotingsoperaties, zowel op bestuurlijk als op instellingsniveau. Zij vraagt mariade Onderwijsraad om advies en die komt met het rapport Degelijk onderwijsbestuur – een titel die uitstekend past bij onze onderwijstraditie. In dit rapport komt onder meer de scheiding van bestuur en intern toezicht aan de orde. Niet verwonderlijk dat dit vragen oproept ten aanzien van de positie van het openbaar onderwijs. Antwoorden hierop worden in een aanvullend onderzoek in 2006 door de onderwijsjuristen Zoontjes en Vermeulen gegeven. En terwijl de volgende stap in de verwijdering van elkaar van openbaar bestuur en openbaar onderwijs wordt voorbereid, wordt de tegenbeweging verder geactiveerd in de instelling van het zogenoemde Lokale Educatieve Overleg/Agenda (‘LEA’) – die relatief nieuwe verantwoordelijkheid van Gemeenten als het gaat om onderwijs. Op deze educatieve agenda dient plaats te zijn voor onderwerpen op gebieden als de samenhang voorzieningen, de infrastructuur jeugd en het tegengaan van segregatie. Terugtreden dus aan de ene kant, toetreden aan de andere kant. Onderwijs-Nederland is er inmiddels aan gewend, aan het lokale, richtingoverstijgende onderwijsbeleid.

Parallel zien we een ontwikkeling waarin het bestuur van het openbaar basisonderwijs zich verdergaand verzelfstandigt: is het in eerste aanleg de Gemeenteraad als geheel die het bestuur vormt van het openbaar onderwijs, later wordt deze taak belegd bij een raadscommissie terzake, gevolgd door openbare stichtingen met een klassiek bestuur en een (algemeen) directeur).

Het debat dat minister Van der Hoeven in 2004 startte, mondt uit in de bekende Wet Goed Onderwijs Goed Bestuur waarin naast enkele andere onderwerpen ook de verplichte scheiding tussen bestuur en intern toezicht zijn beslag krijgt. Deze wet geldt voor alle onderwijsrichtingen dus ook voor het openbaar onderwijs. Voor die laatste richting wordt een belangrijke knoop doorgehakt: de begroting voor het openbaar basisonderwijs wordt in stichtingen met het raad van toezichtmodel maar eenmaal goedgekeurd en dat gebeurt door de (interne) raad van toezicht. Exit rol van de Gemeenteraad ten aanzien van deze bevoegdheid. Weer een stap dus.

De Wet Goed Onderwijs Goed Bestuur regelt nog iets: heeft de oudergeleding van de MR in het openbaar onderwijs al bijzondere, wettelijk geregelde, voordrachtrechten, nu krijgt ook de (G)MR het recht op een bindende voordracht van een lid van de (interne) raad van toezicht van stichtingen en verenigingen; deze regeling geldt voor alle onderwijs, inclusief het openbaar onderwijs. We zien dus de instelling van (beoogd) sterk intern toezicht én vergroting van de bevoegdheden van de (G)MR. In 2016 krijgt dit een vervolg in de Wet Versterking Bestuurskracht. Maar voor het zover is, passeren we nog het jaar 2013: het jaar waarin een wetswijziging leidt tot het opnieuw weghalen van een bevoegdheid van de Gemeenteraad ten aanzien van het openbaar basisonderwijs: de verzelfstandigde stichtingen voor openbaar basisonderwijs gaan voortaan zelf over het opheffen van een basisschool. Daarover moet wel netjes worden gecommuniceerd met de Gemeenteraad opdat die zijn garantfunctie desgewenst nog kan oppakken (wat op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is). En ook ouders die een vervangende school willen stichten, krijgen mogelijkheden aangereikt (maar hoe moeilijk is het stichten van een school niet?).

2016 dus, of eigenlijk 1 januari 2017, de datum van inwerkingtreding van de Wet Versterking Bestuurskracht die nieuwe bevoegdheden toekent aan de (G)MR, geldend voor alle richtingen. Door deze wet ontstaat er een soort driehoek bestuur – intern toezicht – medezeggenschapsraad waarbij wettelijk een contact is geregeld tussen raad van toezicht en medezeggenschapsraad, tweemaal per jaar. Het is bepaald niet overdreven om te stellen dat het toezicht op het openbaar basisonderwijs is jetverplaatst van de Gemeenteraad naar de (interne) raad van toezicht en de (G)MR. En dan laat ik alle toezichthoudende activiteiten van anderen maar even buiten beschouwing, zoals die van de accountant, van DUO en van de Inspectie van het Onderwijs. De Gemeenteraad is nog wel in beeld gelet op enkele wettelijk geregelde verantwoordelijkheden, samen aan te duiden als ‘externe toezichthouder op afstand’ waaronder het toezicht op de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs en de benoeming leden raad van toezicht. Daar staat dan tegenover dat Gemeenten als lokale overheden steeds actiever optreden als initiator op het gebied van onderwijs en jeugdbeleid. Ambities zijn lokaal verschillend, ingekleurd door de politieke samenstelling van de raden en besturen. De vraag wat voor soort interventies de gemeente kiest, is interessant. Faciliteert de gemeente op eigen inhoudelijke doelen boven hetgeen in landelijke wet- en regelgeving is geregeld of zet de gemeente in op ondersteuning van initiatieven van de lokale onderwijsaanbieders? Concentreert de gemeente zich op overstijgende onderwijsvraagstukken, zoekt zij naar samenhang met jeugdbeleid? Stuk voor stuk interessante vragen voor lokale politici. Lijkt me.

O ja, wat het duale bestel betreft: het openbaar onderwijs zal doorgaan met verbijzonderen waardoor alle onderwijs uiteindelijk bijzonder wordt en dus gewoon. Hoeveel kabinetten gaan we nog slijten voor dat het taboe doorbroken wordt en het duale stelsel wordt vervangen door een stelsel dat het beste van twee werelden in zich verenigt, dat meer is dan een compromis en dat een nieuw perspectief biedt voor een brede vorming van jonge mensen op weg naar volwassenheid?

 

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , , , | Leave a comment

Klant of lid?

Gisteren, op zijn vaste bezorgdag, kwam Ruben weer langs met de Beebox van deze week: een goed gevulde bak met verse Nederlandse producten, voornamelijk groenten. Zag er weer prima uit.

Ruben vertelde dat hij en zijn vrouw Marijke er binnenkort mee gaan stoppen. Naar aanleiding daarvan hebben we het over het aantal bakken dat zij wekelijks bezorgen. In zijn antwoord spreekt Ruben niet over het aantal klanten dat zij hebben maar het aantal leden dat lid is van de Beebox. Hé, dat valt op: Beebox (of beter: Ruben namens Beebox?) ziet mij niet als een klant maar als een lid. En als je ergens lid van bent dan is dat in mijn ervaring altijd van een vereniging.

Van een vereniging ben je lid omdat je een gemeenschappelijk doel of een gemeenschappelijk belang hebt. Volleyballen kun je niet in je eentje. Een serieuze wedstrijd spelen en daar voor trainen doe je in verenigingsverband, nietwaar? Autorijden doe je vaak wel in je eentje maar je bent niet alleen op de weg. En daarom ben je lid van de ANWB die je faciliteiten biedt die je in je eentje niet kunt realiseren. Dan gaat het om meer dan de verzekering dat ze je helpen bij pech onderweg, dus als je stilstaat. Er is als je op weg bent ook een gezamenlijk belang (veiligheid, overzichtelijkheid, heldere regels, en zo meer) en dat wordt gediend door de ANWB. Via de verenigingsstructuur hebben leden invloed op de manier waarop de ANWB met die belangen omgaat.

Terug naar de Beebox. Voor zover mij bekend geen club met een verenigingsstructuur. Toch heeft Ruben het over mij als lid en niet als klant. Dat laatste zou anders zo gek niet zijn geweest: ik betaal immers wekelijks € 30,– en krijg daar netjes een box verse en gezonde producten voor thuis bezorgd. Een eenvoudige transactie dus: geld schuiven, een box terugschuiven. Zoals in elke winkel gebeurt. Bij BCC ben ik nog nooit aangesproken met lid.

Ik vraag Ruben waarom hij er toch aan hecht om mij lid te noemen en niet klant. Zijn antwoord is helder: “door elke ontvanger van de box lid te noemen wil ik bijdragen aan de beleving waar het ons bij The Beebox om te doen is. Ik hoop dat die beleving daardoor groter wordt en bijdraagt aan de loyaliteit en het idee achter de box”.

Door een andere aanduiding te kiezen plaatst Ruben de handelingen die tussen ons worden verricht in een ander kader. De woorden klant en lid horen thuis in verschillende taalvelden, verschillende laadjes van samenhangende woorden. Het laadje waar klant in thuis hoort, bevat woorden uit het economisch verkeer: transactie, koper, verkoper. Het laadje waar lid toe behoort, is van een andere orde, heeft een andere statuur. Denk aan woorden als samen, gemeenschappelijkheid, belang, ideaal, …

Taal doet er dus toe.

Share
Posted in Reflecties | Tagged , , | 2 Comments

Open Mind (continued) Nr. 113 Integriteit in toezicht

Goed bestuur blijft in beweging. Het is nooit af maar evolueert mee met de maatschappelijke ontwikkeling. Zo duiken er steeds nieuwe thema’s op die in de aandacht staan. Denk maar aan thema’s als boardroom dynamics, diversiteit, aanspreekbaarheid en integriteit. Over dat laatste begrip wil ik het hier met u hebben.

Integriteit is een ingewikkeld begrip om met elkaar in een raad van toezicht te bespreken. Het is gemakkelijk om te roepen dat het aankomt op de inzet van een zuiver moreel kompas, maar waar is dat dan weer precies de metafoor voor? Hoe beeldend de vergelijking ook is, hij verduidelijkt niet echt.

Misschien is het handig om het begrip integriteit te ontrafelen in een aantal van zijn verschijningsvormen: in welk type situaties is er evident sprake van expliciete aandacht voor integriteit? Collega Jos van Elderen en ik hebben in ons boek De zachte kant van governance verschillende soorten situaties benoemd waarin integriteit er beslist toe deed. Zo is er echt verschil tussen institutionele integriteit, professionele integriteit en persoonlijke integriteit; elk van deze drie vormen stelt eigen eisen aan het intern toezicht.

Van institutionele integriteit is sprake als het gaat om het primaire belang van de stichting. Dit primaire belang betreft dan het stichten en in stand houden van scholen in een of meer sectoren en vaak ook met een bepaalde pedagogische of levensbeschouwelijke identiteit. Statuten voorzien in de regel van een goede markering hiervan. Het is aan de toezichthouders om voorstellen van het bestuur hier steeds te toetsen.  Dat klinkt wellicht wat ‘conserverend’ in een tijd die schreeuwt om verandering, maar toch … het is geen overbodige luxe om deze toets uit te voeren.

Professionele integriteit speelt op verschillende levels i de organisatie. Op dat van de raad van toezicht zelf maar ook op andere niveaus. Wat het eerste betreft, er bestaan amper maatstaven voor ‘de professionele toezichthouder’, maar dit betekent niet dat integriteit er niet toe doet. Hierover straks meer. Eerst wil ik melding maken van een spanning die kan bestaan tussen governance-regels enerzijds en professionele maatstaven die inherent zijn aan de beoefenaren van de kerntaak van de instelling: de onderwijsgevenden anderzijds. Om een simpel maar wel veelvoorkomend voorbeeld te geven: de spanning tussen aan de ene kant voldoen aan rendementseisen met het oog op de bekostiging en aan de andere kant pedagogische en onderwijskundige doelstellingen. In het voortgezet onderwijs is er vaak de spanning tussen onderbouw (kansen geven) en de bovenbouw (afgerekend worden op rendement). Maar ook een verschijnsel als diploma-stapelen is er een. De overheid houdt er niet van omdat het geld kost, maar vanuit een oogpunt van pedagogiek en ontwikkelingspsychologie zijn er goede argumenten pro aan te voeren.

En dan de persoonlijke integriteit – wanneer er expliciet over gesproken wordt is dat vaak omdat er iets aan de hand is. Denk aan de schijn van belangenverstrengeling die ontstaat door het niet tijdig melden van een wijziging in de persoonlijke situatie van de toezichthouder. Veel raden van toezicht hebben hier goede afspraken over, bijvoorbeeld de afspraak dat wijzigingen altijd worden voorgelegd aan de voorzitter van de raad van toezicht. Of de afspraak dat nevenfuncties jaarlijks worden geïnventariseerd ter gelegenheid van het jaarverslag. Maar helaas, dit blijkt niet te verhinderen dat het soms fout gaat en er gedoe ontstaat.

Er is nog een situatie op het vlak van persoonlijk integriteit die ik hier wil aankaarten, zij het met de nodige voorzichtigheid en voorbehouden. Ik doel op de vele gesprekken in raden van toezicht over de hoogte van de vergoeding. De discussies hierover en ook de meest gebruikte argumenten zullen bekend zijn. Waar het mij om gaat, is dat ik me niet aan de indruk kan onttrekken dat er situaties zijn waarin het argument ‘toezicht houden is een vak’ wel erg letterlijk wordt genomen. De richtlijn van de VTOI ondersteunt dit argument met bijgevolg een opdrijvende werking van de kosten van het intern toezicht.

Het Nederlandse onderwijsbestel kent van oudsher een sterke traditie van actieve ‘burgerparticipatie’ op allerlei posities: in de medezeggenschap, in het klassieke bestuur, in het intern toezicht en zo meer. Soms lijkt het er op dat we deze burgerparticipatie definitief aan het vervangen zijn voor een complete kolom van oude en nieuwe beroepsgroepen.

Moeten we dit zien als een natuurlijke ontwikkeling of zit hier ook een aspect van integriteit aan?

Deze column verschijnt ook in de Nieuwsbrief van de VTOI, december 2016.

 

 

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , | Leave a comment

Open Mind (continued) Nr. 112 Ignatiaanse levenswijsheid

De vorige column, over dankbaarheid, schreef ik tijdens een retraite op het prachtige kasteel Slangenburg bij Doetinchem. Ook deze column, over Ignatiaanse levenswijsheid, groeide tijdens een retraite, nu op mijn vaste stek: het Clarissenklooster in Megen – een clarissencontemplatieve gemeenschap, de vrouwelijke tak van de Franciscanen. Ik kom daar nu al meer dan 25 jaar, vaak enkele keren per jaar, om op verhaal te komen. Bezinning en persoonlijke vorming staan centraal terwijl ik me invoeg in het strakke dagritme rond de verschillende godsdienstoefeningen.

En ja, ze komen binnen: de zinrijke woorden, de zichtbare toewijding, de gezonde soberheid, de contemplatie, de hartelijke gastvrijheid, de devote wijze waarop handelingen worden verricht, de intense aandacht voor rituelen en de permanente en levendige herinnering aan een leven dat liet zien hoe een mensenleven en hoe samen-leven bedoeld zijn.

De stichter van de orde, de heilige Clara van Assisi (1193-1253) spreekt in haar testament van het verlangen om als gemeenschap de liefde van God voor de mens zoals zichtbaar geworden in Jezus,clara te spiegelen in de wereld opdat de wereld zich hier weer aan kan spiegelen. Tja, dat klinkt nogal verheven en wat pretentieus en dat zou het ook zijn als je niet beter wist en niet zag met welke bescheidenheid en oprechtheid dit dagdagelijks wordt gepoogd.

Kloostergemeenschappen – het zijn bijzondere gemeenschappen waarin het leven verloopt volgens eigen regels, gewoonten en rituelen. De tijd van de grote invloed van kloostergemeenschappen op het maatschappelijk leven ligt achter ons. Maar voor mij blijven het waardevolle en levende getuigen van inspirerende waardenpatronen. Ik hoorde dit weekend dat de belangstelling voor het kloosterleven weer aantrekt, met name bij jongeren. Ik hoorde over hun nieuwsgierigheid naar en openheid voor deze levensvorm. Rancune, cynisme of superioriteitsgevoelens (‘ik ben religie voorbij’) is de jonge generatie vreemd.

In retraite gaan, dat doe je niet onvoorbereid. Ik kies altijd zorgvuldig de boeken die ik mee wil nemen. Dit keer kies ik, naast een roman, voor het onlangs verschenen boek over ignatiaanse james-martinspiritualiteit van James Martin SJ, met de uitdagende titel Het Jezuïetenantwoord op (bijna) alle vragen. Over pretentieus gesproken, maar opnieuw geldt ook hier: de schijn bedriegt. De ondertitel Spiritualiteit voor het echte leven strookt volledig met de inhoud die getuigt van grote realiteitszin en van grote empathie voor de volkomenheden en onvolkomenheden van veel menselijke strevingen. st_ignatius_of_loyola_1491-1556_founder_of_the_jesuitsDe ignatiaanse spiritualiteit volgt de inzichten van de stichter van de orde der Jezuïeten, de Sociëteit van Jezus (vandaar SJ), Ignatius van Loyola. De orde werd in 1540 door de Paus erkend.

Bij spiritualiteit gaat het voor mij om de praktische verbinding van je geloof met je levenspraktijk. Spiritualiteit is daarmee minder een intellectuele fascinatie  dan de praktische uitdaging om jezelf niet te verliezen in een stroom die van buiten komt,  door het opbouwen van een innerlijk dat geïnspireerd door een heilige traditie, eigenstandige keuzes durft te maken. Spiritualiteit is geen vaag iets-isme maar is open staan voor de invloed van God op je leven.

anselmIk heb al veel over deze invulling van spiritualiteit gelezen, ben goed bekend met het werk van Anselm Grün (ook een heel toegankelijk auteur) maar las niet eerder zo’n praktische verhandeling over de toepassing van spiritualiteit op het praktische leven. Die James Martin, op Twitter goed voor 80.000 volgers, is een onderhoudend schrijver en kan ook personen aanspreken die zijn christelijke invulling niet tot hun persoonlijke zullen maken. Zeker in deze tijd van grote belangstelling voor filosofie en levenskunst heeft de ignatiaanse spiritualiteit een interessante boodschap. Ik zou dit willen illustreren aan de hand van twee voorbeelden uit het boek: het levensgebed en ignatiaanse noties rond leiderschap.

Levensgebed

Het levensgebed kan worden gezien als een methode voor innerlijke groei die verrassend veel lijkt op het eigentijdse seculiere pleidooi voor reflectie op het eigen handelen en op het verkrijgen van inzicht kierkegaardop de effecten daarvan op jezelf en op anderen. Het levensgebed combineert wat mij betreft organisch hetgeen de Deense filosoof S. Kierkegaard eens zo mooi opmerkte: “het leven moet voorwaarts geleefd worden maar kan slechts achterwaarts begrepen worden”. Het levensgebed bevat stappen om terug te kijken en om vooruit te kijken.

Het levensgebed wordt zo mogelijk eenmaal per dag gebeden en bestaat uit de volgende stappen:

-Dankbaarheid (daar is hij weer, hk): het oproepen van alle gebeurtenissen van de voorbije dag waarvoor je bijzonder dankbaar bent.

-Terugblik: het in herinnering nemen van alle gebeurtenissen van de dag, zo gedetailleerd mogelijk, met aandacht voor de momenten waarop er iets ‘gebeurde’(Martin: waarop je Gods aanwezigheid hebt gevoeld) of kansen had om te groeien of die hebt laten liggen.

-Verdriet: herinner je alle acties waar je spijt van hebt.

-Vergeving: door gebed of door te besluiten om je te verzoenen met iemand die je hebt gekwetst.

-Genade: de vraag om de volgende dag oog te hebben voor momenten dat er ‘iets gebeurde’ (ignatiaans: tekenen van Gods aanwezigheid).

jezuiIk heb van de stappen van het levensgebed een wat seculiere omschrijving gegeven omdat ik niet verwacht dat iedere lezer van deze column de christelijke duiding zal appreciëren terwijl de methode ook zonder die duiding waardevol is om innerlijke groei mogelijk te maken (of om te werken aan je ‘morele kompas’). Dat brengt mij gelijk bij het tweede voorbeeld: ignatiaanse noties rond leiderschap.

Ignatiaanse noties rond leiderschap

James Martin heeft zich hier laten leiden door de inzichten en ervaringen van Chris Lowney zoals beschreven in diens Heroic leadership. Best practices from a 450-year-old company that changed the lowneyworld. Lowney is ex-Jezuïet en investeringsmanager. Hij stelt dat het leiderschap van Jezuïeten is gebaseerd op vier pilaren: zelfbewustzijn, vindingrijkheid, liefde en heldendom. Opnieuw een rijtje woorden dat gemakkelijk op het verkeerde been zet. Daarom bij elke pilaar wat toevoegingen:

-Zelfbewustzijn: weten wie je zelf bent, weten wat je waardeert, kennis van je zwakheden en je tekorten door permanent reflecteren.

-Vindingrijkheid: open staan voor nieuwe ideeën, creativiteit, veranderen vanuit niet-onderhandelbare principes en waarden, weten wat er echt toe doet en kunnen relativeren van bijkomstigheden (durven ‘onverschillig’ te zijn), je kunnen aanpassen aan omstandigheden, goed afstemmen op contextueel bepaalde doel-middelverhouding.

-Liefde: anderen tot ontwikkeling laten komen, ‘openen in vertrouwen’ (wat klinkt dat anders dan het economisch equivalent ‘investeren in mensen’ hk), compassie, vriendelijkheid, barmhartigheid.

-Heldendom: beter willen doen als het beter kan, permanente groei, niet afwachten maar actief kansen benutten, initiatief nemen vanuit een beeld van toekomst die inspireert.

James Martin voegt zelf drie extra pilaren toe, specifiek gerelateerd aan werksituaties:

-Besef van waardigheid van werk (ongeacht het soort werk).

-Aanvaarding van mislukking: je hebt niet alles in eigen hand, zeker niet als je met mensen werkt; leer dit te aanvaarden.

-Vertrouwen op God: dit brengt nederigheid en vrijheid.

Afronding

Hiervoor gaf ik aan dat er onder jongeren belangstelling is voor levensvormen zoals kloosters die megenpraktiseren en voor spiritualiteit. Misschien bieden deze noties van leiderschap en de methode om daar aan te werken (levensgebed) hen inspiratie. En ach, dit geldt niet alleen voor jongeren, zo merkte ik zelf tijdens deze retraite in Megen.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , , , , | 2 Comments

De wraak van Vondel

Cabaretier en schrijver Frank van Pamelen schreef vorig jaar zijn eerste literaire thriller, De wraak van Vondel. frank-van-pamelen‘Literaire thriller’ – het is een aanduiding die we natuurlijk vaker tegenkomen, zeker bij auteurs van Esther Verhoef, Simone van der Vlugt en ga zo maar door. Maar in het geval van De wraak van Vondel krijgt dit label toch wel een echt geheel eigen invulling. ‘Literair’ is het minder door de belletristische vaardigheden van de schrijver dan door de centrale plaats die de literatuur er in inneemt, met name de poezie van de 16de en 17de eeuwse Rederijkers. En als ‘literair’ al van toepassing is op dit boek dan vooral door de taalkunstige trucjes die de auteur plaatst in diezelfde Rederijkerstraditie die net zoveel belangtelling had voor de vorm als voor de inhoud.

En ‘thriller’ dan? Nou neen, als je echt spanning zoekt, suspense, zweet in je handen, angstig om je heen kijken bij elk onverwacht geluid, dat niet. Maar het is wel een meer dan vlot geschreven verhaal met een snelle aaneenschakeling van onverwachte momenten in een thema dat heel dicht staat bij onze nationale historie: de dynastie van de Oranjes zoals die in 2013 door de abdicatie door Beatrix en kroning van Willem Alexander een volgende episode is ingegaan. Ja, deze nationale recente gebeurtenis staat centraal, of beter: de voorafgaande avond en nacht, want daarin gebeurt het meeste van hetgeen zich afspeelt in de roman. Hartje hoofdstad dus met allerlei prominenten dien zich voorbereiden op de grote dag: de burgemeester, de premier, de kabinetchef, een niet nader genoemde prinses en schoonzuster van de koning in spé. En twee gewone burgers: de jonge journaliste Maaike van Reede van NRC Next die onverwacht historisch bloed in zich heeft en de Leidse historisch letterkundige Olivier Huizinga (inderdaad, de ene helft van Olivier en Adriaan) die samen via allerlei fragmenten van, vooral wraakVondeliaanse, poëzie een spoor volgen door de binnenstad van Amsterdam om uiteindelijk terecht te komen op de plaats waar de wraak van Vondel zich zal voltrekken. Het zijn vooral al die leuke verbindingen met personen en plaatsen die we allemaal kennen maar die net even anders uitpakken dan je had verwacht, die het boek zo onderhoudend maken.

Het gaat om een eeuwenoud verdriet als gevolg van een schanddaad, voltrokken door een lid van de Oranjes, die op enig moment gewroken moet worden. Nou dat gaat ook gebeuren en voor het zover is,  heeft menigeen het loodje gelegd. Ja, er vallen doden in die dag en die nacht voorafgaand aan het grote event.

Heerlijk zoals Van Pamelen kan spelen met letterkundige feiten en gebeurtenissen in een ingenieus bedachte aaneenschakeling van intrigerende gebeurtenissen. En wat me vooral aanspreekt is de speelse wijze waarop taalkunstenaar Van Pamelen daar ook zelf al schrijvend deel van wordt.  Neem, ter illustratie de regelmatig voorkomende zogenoemde basaltwoorden. Naast die speelse taal is er ook de humor in het verhaal. Ik denk aan de leuke correcties die de Leidse Huizinga plaatst bij het doorgeschoten Amsterdamse cosmopolitisme.

Hoewel er een eeuwenoud geheim centraal staat in dit boek zou je kunnen denken aan een nieuwe Dan Brown, maar dan in het Nederlands. Dat is het dus niet geworden, daarvoor mist het verhaal teveel echte spanning, maar voor de rest: ik heb ervan genoten.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Share
Posted in Boeken | Tagged , | Leave a comment