‘Alsof mijn ziel op een bedje ijsklontjes ligt te snurken’

Een week geleden (20 februari) wijdde Trouw-columnist Ephimenco zijn column aan zijn persoonlijke beeld van onze premier, Mark Rutte. Nou ja, zijn beeld, de column ging eerder over het ontbreken van een beeld. Om zijn gevoel over dit ontbreken te verwoorden gebruikt Ephimenco een metafoor die door hemzelf minder geslaagd wordt bevonden, maar voor mij als lezer wel echt opviel: zie de titel van dit blog. Wat staat hier nou precies en wat gebeurt er met mij bij het lezen van deze beeldspraak? In dit blog een reconstructie van deze opmerkelijke leeservaring én een deconstructie van de metafoor.

Het is me te doen om de volgende passage, tevens opening van de column getiteld Meewaaien.

Na bijna acht jaar premierschap van Mark Rutte is het me nog niet gelukt een afgewogen oordeel over hem te construeren.Een slechte zaak dunkt me, voor een columnist. Als zijn naam valt of als hij op tv verschijnt, zoals afgelopen zondag bij WNL, voel ik niets. Geen boosheid en ook geen passie. Alsof mijn ziel op een bedje ijsklontjes ligt te snurken. Kijk, zelfs mooie en goedlopende metaforen verzinnen over onze premier lukt me niet. Rutte? Dat is vlees noch vis en ook niets ertussenin.

(Ephimenco, Dagblad Trouw, dinsdag 20 februari 2018)

Sylvain Ephimenco staat als columnist bij mij bekend als iemand die scherpe formuleringen niet schuwt. Hij kan zich pittig uitdrukken, vaak in opvallend krachtige beelden, overgoten met een wisselende hoeveelheid cynisme. Zijn toverformule is in de regel de hyperbool, de overdrijving, het (meer dan) zwaar aanzetten. Zijn stijl wijkt beslist af van die van iemand als Youp in diens zaterdagse stukjes in NRC. Terwijl Youp graag schoffeert, bij voorkeur door grof taalgebruik, zoekt Ephimenco het liever in aansprekende krachtige woorden. Ik vermoed dat dit te herleiden is tot zijn Franse vorming en de invloed van Franse filosofen op het curriculum van het voortgezet onderwijs. Want aangezien veel Franse filosofen graag krachtige woorden gebruiken ….

Eerst associatie

Toch, als het om zijn beoordeling van de huidige premier gaat, suggereert hij in zijn column dat zijn soepele pen hem juist dan in de steek laat. En inderdaad, je moeilijk te definiëren gevoelens voor de premier vergelijken met ‘de ziel die op een bedje ijsklontjes ligt te snurken’ … verleidt de lezer al snel tot het optrekken van de wenkbrauwen. Toen ik deze zin las, was mijn eerste associatie: ‘hè, wat staat hier nou?’ Ephimenco grijpt naar de metafoor als hulpmiddel om iets duidelijk te maken, zoveel is we duidelijk. En een goede metafoor trekt de aandacht, roept verwondering op. Dat is dus alvast wèl gelukt. Maar een combinatie van ‘ziel’, ‘bedje ijsklontjes’ en ‘snurken’ in één zin?

…geserveerd op een bedje…

Gek genoeg struikelde ik allereerst over de woordcombinatie ‘bedje ijsklontjes’: ik moest in eerste instantie helemaal niet denken aan rusten of slapen, laat staan snurken. Ik dacht aan de aanduiding van een gerecht op een menukaart waar vermeld wordt dat het genoemde stuk vlees image1of de aangeprezen moot vis ‘geserveerd wordt op een bedje van …’.

De regelmatige restaurantbezoeker zal gemerkt hebben dat er soms sprake lijkt van competitie in originele aanduidingen van de gerechten op de menukaarten. Soms lees je ware staaltjes van fraaie stijlfiguren, op andere momenten gaat het om kolderieke formuleringen die vooral bedoeld zijn om de gast een genoeglijke grijns te ontlokken.

De uitdrukking ‘op een bedje van’ zal op enig moment ook origineel zijn geweest en de aandacht hebben getrokken, maar is (wat mij betreft) onderhand gewoon geworden en ingedaald in het normale taalgebruik – of, om een andere metafoor te gebruiken: ingeburgerd. De uitdrukking ‘op een bedje van’ heeft daarmee zijn metaforisch karakter verloren, wordt letterlijk genomen en is verworden tot een zogenoemde dode metafoor. Dat is op zich niets bijzonders, onze taal zit vol van dode metaforen, dat wil zeggen van beeldspraak waarvan we ons niet langer bewust zijn. Lees de voorgaande tekst er nog eens op na en u zult er verschillende aantreffen (‘soepele pen’, ‘staaltjes stijlfiguren’, ‘de aandacht trekken’, en zo meer).

Re-activering

Het grappige van mijn eerste, culinaire associatie bij dat ‘bedje’ is dat die in feite een re-activering betekent van de versleten (‘dode’) metaforische toepassing van het echte bed waarop gerust (en mogelijk daarbij ook gesnurkt) kan worden. De dode metafoor wordt nieuw leven ingeblazen. Dat dat bedje vervolgens er een is van een denkbeeldige hoeveelheid ijsklontjes doet aan deze primaire verwijzing naar ‘bedje’ niet af. Sterker, juist door de onverwachte combinatie van ‘bedje’ met ‘ijsklontjes’ wordt de versleten metafoor in zijn oorspronkelijke dynamische betekenis hersteld.

De tekst geeft aanleiding tot nog een ander associatie: de ziel staat voor de psyche en het bedje staat voor de sofa van de zielenknijper. Maar neen, het gebruik van de diminutief (‘bed-je’) steekt hier een stokje voor. De re-activering van de oorspronkelijke metafoor is al bijna een te grote conclusie, want ook daar blijft het diminutief wringen.

Filosofische grap

Interessant is ook de combinatie van ‘ziel’ en ‘snurken’. Waar ‘ziel’ gemakkelijk verbonden wordt met iets boventijdelijks, iets metafysische, maar ook iets dat we maar moeilijk kunnen kennen, is ‘snurken’ een wel zeer aardse en zintuigelijke aangelegenheid. Bovendien wordt hier een onverwachte filosofische grap gemaakt. Waar de ziel in de filosofische traditie wordt gezien als het onstoffelijke en onsterfelijke deel van de mens en diens lichaam de materiële, stoffelijke en sterfelijke kant, wordt door de combinatie van de ‘ziel’ met ‘snurken’ aan de ziel een vermogen toegekend (snurken) dat zichtbaar en aantoonbaar toevalt aan de mens als combinatie van lichaam en ziel.

Nachtmerrie?

En dan die ijsklontjes – een synesthetisch beeld bij uitstek, dat appelleert aan rillingen over de rug. Dat roept vragen op ten aanzien van dat snurken. Verloopt dat snurken wel zo vreedzaam en rustig zoals de columnist mogelijk suggereert of moet de lezer, denkend aan de ijsklontjes, ernstig rekening houden met een nachtmerrie? Dat laatste is zeker niet ondenkbaar want hoewel deze opmerkelijke metafoor is te vinden in een tekst over de premier heeft de metafoor allereerst betrekking op de gevoelens van de columnist.

Best tevreden?

In zijn zoeken naar een passende verwoording van zijn gevoel bij de huidige premier formuleert Ephimenco een metafoor waarvan hij zelf onmiddellijk concludeert dat hij niet mooi is en ook niet goed loopt. De metafoor is in zijn eigen ogen zó niet geslaagd, dat aan het ruiterlijk toegeven daarvan kennelijk niet valt te ontkomen. Ook dat roept natuurlijk vragen op. Waarom heeft hij de kennelijk kromme metafoor dan toch laten staan en niet onmiddellijk geschrapt zodat de lezer van zijn column, deze nooit onder ogen zou hebben gekregen? Is het bij gebrek aan beter en omdat andere middelen nog ernstiger tekort schieten? Is het omdat andere taalmiddelen nog meer tekort schieten? Of is het misschien dat hij, ondanks dat hij het niet mooi vindt of goed lopend, zijn formulering niettemin wel treffend vindt en daarmee functioneel? En nog een andere mogelijkheid: geldt de eigen conclusie van de auteur dat de metafoor niet geslaagd is als een excuus en een op voorhand zichzelf ontslaan van het mogelijk verwijt van rammelend taalgebruik? Of is hij stiekem best tevreden over de inhoud, de betekenis van deze, tegelijk niet goed lopende metafoor? Wie zal het zeggen?

Om te bepalen of de metafoor inderdaad ‘niet zo goed loopt’ moeten we eerst maar eens op een rij zetten wat nu precies de bedoeling van het gebruik van de metafoor zou kunnen zijn.

Optie 1: de keuze voor de metafoor wordt gemaakt uit stilistische overwegingen.

Ephimenco had de behoefte om wat hij duidelijk wil maken te verwoorden in de vorm van een fraaie formulering – een formulering die binnenkomt bij de lezer, die zich grift in dienAristotle_Altemps_Inv8575s literair geheugen. Het gaat daarbij primair om woordkeus, om taal die bedoeld is om op een oorspronkelijke, de aandacht trekkende, levendige of esthetische manier te verwoorden wat ook in eenvoudige woorden kan worden gezegd. Door een metafoor te kiezen komt de boodschap beter over, zo is de redenering.
Deze optie staat in de traditie van de poëtische interpretatie van de metafoor. Deze traditie wordt gewoonlijk herleid tot de Poëtica van Aristoteles (circa 335 v.Chr)(1) als de eerste theoretische bron, waarna de metafoor als stijlmiddel zijn weg vond in zowel de poëtische als de retorische traditie. Om op die laatste nog even door te gaan: in de klassieke retorica werd van de spreker (actief in politiek of rechtspraak of in human affaires) verwacht dat hij in de voorbereiding van zijn praatje een aantal taken in een bepaalde volgorde uitvoert. De eerste taken hebben betrekking op het bijeenbrengen van de stof van het betoog, de feiten, de bewijzen en zo meer (de inventio genoemd). Nadat de spreker deze in een logische of aantrekkelijke volgorde heeft gezet (de dispositio) wijdt hij zich aan een fraaie talige vormgeving daarvan (de elocutio). En precies in deze fase vraagt de spreker zich af of en waar hij een of meer metaforen zal inzetten. Als hij zijn rede in een fraaie taalgewaad heeft gehesen rest de spreker nog de oefening in het goed presenteren (de actio met veel gebaren daarbij) en het uit het hoofd leren van het betoog (de memoria). In deze traditie is de metafoor dus een talige, en meer in het bijzonder: opsmukkende, verfraaiende aangelegenheid. De metafoor dus als instrument om indruk te maken op je gehoor.

Een mooi voorbeeld van dit stilistische gebruik van de metafoor is afkomstig an de onlangs overleden oud premier Ruud Lubbers die in 1990 van Nederland zei dat ons land ‘ziek’ is, daarbij verwijzend naar de overbelaste verzorgingsstaat. In 2016 herhaalde PVV-leider Geert Wilders deze metafoor maar in een andere context, die van het zogenoemde Marokkanen-proces.

Is deze optie van toepassing op de manier waarop Ephimenco de metafoor inzet?

Optie 2: de keuze voor een metafoor wordt gemaakt om daardoor het onzegbare te zeggen.

In de situatie van Ephimenco: hij constateert bij zichzelf een gemoedstoestand rond zijn beeld van de premier: het valt hem maar moeilijk om deze goed onder woorden te brengen. Hij neemt daarom zijn toevlucht tot een vergelijking om aldus, wat hij niet kan zeggen toch te zeggen en wel via iets anders. Dat het om een vergelijking gaat, wordt gelijk al duidelijk in het openingswoord: ‘alsof’. We weten dan immers direct al, dat wat er gaat volgen, niet de echte mededeling is, maar een substituut, een vervanger. De vervangende mededeling doet dienst als de bron waaruit geput wordt om de leegte rond de echte bedoeling te vullen.

Deze interpretatie klinkt plausibel, temeer daar Ephimenco helder is in het waarom van het gebruik van het beeld: het ‘alsof’ lijkt echt bedoeld om niet toe te geven aan zijn onmacht om beter, directer te verwoorden welke beeld de premier bij hem oproept en er het zwijgen toe te doen. En in wat volgt op ‘alsof’ gebruikt hij een beeld voor die onmacht dat op zijn zachtst gezegd, weinig scherp is, eerder buitengewoon diffuus. Het beeld brengt de lezer allereerst in een staat van verwondering (‘hè, wat staat hier nou?’), gevolgd door gedachten aan rillingen over de rug en nachtmerries. Om de eigenlijke mededeling (A) te verwoorden, zet de columnist een metafoor in (B). De zin van deze substitutie is dat kenmerken van B overeenkomen met kenmerken van A waardoor de lezers van de column via B een idee krijgen van A.

Zonnetje in huis

Om dit te verduidelijken: als iemand zegt ‘Z is het zonnetje in huis’, dan is de verwijzing naar ‘zonnetje’ bedoeld als metaforische aanduiding van de bijdrage van Z aan de sfeer in huis. Door een beroep te doen op iets concreets, iets zichtbaars (‘zonnetje’; de verkleining van het woord ‘zon’ vergroot nog eens de affectieve aarde ervan) wordt iets dat moeilijk in één woord te zeggen is, onmiddellijk duidelijk. Taalfilosofen noemen A het doeldomein (target) en B het brondomein (source). Wat de metafoor concreet doet, is dat van het begrip ‘zon’ een aantal kenmerken wordt geïsoleerd die overeenkomen met het karakter van Z en de rol van Z in huis. Deze bundel kenmerken, ook wel de grond (ground) genoemd, zorgt voor de onderliggende verbinding.

Sommige taalfilosofen wijzen er op dat, terwijl een beroep op B bedoeld is om iets te zeggen over A, dit beroep ook de betekenis van B niet ongemoeid laat. Zo zou een langdurig gebruik van deze metafoor, die alleen de positieve kanten van de zon in de aangesproken kenmerkenbundel (ground) naar boven trekt, kunnen leiden tot een miskenning van de negatieve, in sommige streken op deze aarde verwoestende werking van de zon. Anders gezegd, metaforen functioneren niet in een eenrichtingsverkeer, brondomein en doeldomein beïnvloeden elkaar.

Nogmaals de zin

Lastig wordt het als we nogmaals naar de metafoor kijken die Ephimenco in zijn column gebruikt: Alsof mijn ziel op een bedje ijsklontjes ligt te snurken. Anders dan in het voorbeeld van het zonnige karakter van Z is het brondomein in de beeldspraak van Ephimenco helemaal geen concreet, zintuiglijk waarneembaar object: het gaat om een complete, syntactisch correcte zin waarin ‘het onderwerp’ (‘ziel’) een bepaalde handeling verricht (het werkwoord: ’snurken’) op een wel zeer specifieke plaats (bijwoordelijke bepaling: ’op een bedje ijsklontjes’). Het brondomein is dus geen object maar veeleer aan te duiden als een situatie – maar dan één van een uitzonderlijk soort want zelf een metafoor! We constateerden immers in het voorgaande al dat deze, als situatie aan te duiden, metafoor verwijzingen bevat naar allerlei andere beelden.

Hamvraag

Dat gezegd zijnde is de hamvraag: als B bedoeld is om iets te zeggen over A wat kennelijk niet anders gezegd kan worden, wat is dan het resultaat? Krijgen wij als lezer van de column en van deze zin door de inzet van de metafoor inderdaad echt zicht op de verlegenheid van de schrijver om zijn beeld van de premier adequaat te verwoorden? En als het zo is dat dit zicht alleen verwoord kan worden in de termen die bij B horen, naar welke werkelijkheid verwijzen de woorden dan als het gaat om het gemoed van de columnist? Tja, hier raken we nu precies aan het spannende van het metaforengebruik. Want misschien stellen we met het vragen naar de in de metafoor onthulde werkelijkheid wel de verkeerde vraag. Metaforen openen geen nieuwe, analytisch te markeren werkelijkheid, ze hebben geen ontologische waarde. De metafoor doet iets anders. De metafoor opent een (ten overvloede: semantisch) veld van betekenissen dat niet is afgepaald maar juist ruimte biedt aan uitbreiding en invulling. De ground van de vergelijking bestaat niet uit een strak gedefinieerde term maar roept associatief reacties op die van persoon tot persoon kunnen verschillen. Het gebruik van de metafoor nodigt uit tot beweging in denken, tot creativiteit bij de lezer, tot het scheppen van nieuwe verbindingen tussen het bekende en het onbekende. De metafoor blijft zich hierbij bevinden op het niveau van de taal. Met andere woorden, de verwijzingen betreffen niet een zijnstoestand maar blijven figureren binnen een in taal gegoten complex van betekenissen. Dat is precies de bedoeling van de aanloop ‘alsof’.

Betekent dit dat de metafoor faalt om te zeggen wat onzegbaar is? Betekent dit dat B per definitie tekort schiet in het formuleren van wat met A niet gezegd kan worden? Betekent dit dat Ephimenco gelijk heeft met zijn oordeel dat de gebruikte metafoor niet alleen niet mooi is maar ook ‘niet goed loopt’? Niet per sé dus.

Waar het om gaat

Nogmaals, dit is het spannende van de metafoor: die laat zich niet opsluiten in een digitale keuze tussen ja en nee, tussen correct en niet-correct. Niet de logica regeert hier, maar het vermogen van de lezer van de column om zichmodes empathisch te verplaatsen in de auteur ervan. Om met de columnist te ‘sympathiseren’, zoals de regerend denker des vaderlands, René ten Bos, in zijn boek Modes in management uit 2002 (in navolging van Jan Zwicky) al zo mooi formuleerde.

Of een metafoor geslaagd is of niet, lijkt me uiteindelijk een esthetische aangelegenheid met een eigen waarde, simpeler gezegd: een kwestie van smaak en die is er náást de semantische die ziet op het geheel van betekenissen dat door de metafoor wordt ontsloten en waarvan ik in het voorgaande mijn persoonlijke versie gaf. Daarbij kan tellen dat een metafoor weliswaar verwondering kan wekken, of de aandacht trekken, maar dat de metafoor de lezer niet met een kluitje in het riet stuurt en met een puzzel opzadelt.

Aristoteles wijst er in zijn Poëtica op dat het creëren van een metafoor geen eenvoudige zaak is en bovenal niet van anderen geleerd kan worden. Het is veeleer een teken van genialiteit. Wat je nodig hebt is de juiste intuïtie om overeenkomsten te zien tussen dingen die niet hetzelfde zijn. (2)

Laten we het erop houden dat zijn intuïtie Ephimenco op maandag 19 februari 2018 (ik ga ervan uit dat hij de column een dag voor de verschijning schreef) in de steek liet.

————–

(1) ‘Metaphor consists in giving the thing a name that belongs to something else; the transference being either from genus to species, or from species to genus, or from species to species, or on ground of analogy’ (vertaling Ingram Bywater)

(2) ‘But the greatest thing by far is to be a master of metaphor. It is the one thing that cannot be learnt from others; and it is also a sign of genius, since a good metaphor implies an intuitive perception of the similarity in dissimilars.’ (vertaling Ingram Bywater)

Share
Posted in Reflecties | Tagged , , , , , , , , , , | 3 Comments

Over nederigheid

Op 17 september 1961 kwam de toenmalige secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Dag Hammarskjöld tijdens de uitoefening van zijn vredestichtende functie bij een vliegtuigongeluk om het leven. Hij was toen al ruim acht jaar actief in deze hoge functie, vaak in politiek turbulente omstandigheden. Na zijn dood werd het boek Merkstenen in de vorm van een getypt manuscript aangetroffen in zijn woning in New York. Het bevat dagboekaantekeningen waarin hij zijn geestelijke weg beschrijft. Gaande de jaren worden de teksten steeds mystieker, abstracter en voor de lezer associatiever. Maar ook inspirerender, zoals de mooie passage over nederigheid.

Merkstenen is ook na meer dan 50 jaar een veel gelezen boek. Het bevat een aantal passages die nog regelmatig worden geciteerd. Bekend is de passage die hij schreef met Pinksteren 1961:

Ik weet niet wie – of wat – de vraag stelde. Ik weet niet wanneer zij gesteld was. Ik herinner me niet dat ik antwoordde. Maar eens zei ik ja, tegen iemand – of iets.
Vanaf dat moment heb ik de zekerheid dat het leven zinvol is en dat mijn leven, in onderwerping, een doel heeft.
Vanaf dat moment heb ik geweten wat het wil zeggen, ‘niet om te zien’, of ‘zich niet te bekommeren om de dag van morgen’. (Enz.)

Vertel me, hoe kan de ervaring ‘geroepen te zijn tot’ beter verwoord worden dan in deze tedere tekst?

In dit blog wil ik stilstaan bij een ander fragment, over nederigheid. Het gaat als volgt:

Nederigheid is in even sterke mate de tegenhanger van zelfvernedering als van zelfverheffing. Nederigheid wil zeggen: zichzelf niet vergelijken. Rustend in zijn eigen werkelijkheid, is het ik niet beter en niet slechter, niet groter en niet kleiner – dan iets of iemand anders. Het ik is – niets, maar tegelijk één met alles. In die zin betekent nederigheid: totale wegcijfering van jezelf.
In deze ootmoedige wegcijfering niets zijn, en toch uit de kracht van de opdracht geheel de zwaarte en autoriteit van de opdracht belichamen – dat is de levenshouding van de geroepene. Ten overstaan van mensen, poëzie, kunst en werk alles geven wat het ik daarbij als medium tot stand kan brengen, en – eenvoudig en vrij – alles aanvaarden, wat het daarbij te beurt valt krachtens innerlijke identiteit. Lof en kritiek, de winden van sukses en tegenspoed, waaien over zo’n leven heen, zonder een spoor na te laten en zonder het evenwicht te verstoren.

Daarbij Helpe mij God –

(Dag Hammarskjöld, Merkstenen, pag. 128-129)

Deze nederigheid komt neer op volledig rusten in jezelf. Jezelf niet groot maken en ook niet klein, je zelfbeeld niet laten beïnvloeden door de reacties die je van anderen ontvangt. Daardoor noch trots of hoogmoedig, noch neerslachtig of timide worden. Geen eenvoudige opgave. Hoe dit aan te pakken, dat wil zeggen: hoe dit te oefenen? Dat veronderstelt, zo komt me voor, de aanwezigheid van een 266px-Dag_Hammarskjold-2geestelijke afstand tussen hetgeen het zelf is en hetgeen tot het zelf komt.

Je hebt mensen die alle, ook pijnlijke kritiek die ze krijgen, (ogenschijnlijk?) heel gemakkelijk van hun schouders kunnen laten glijden. Kritiek krijgt gewoon geen vat op hen, voor hoon zijn ze ongevoelig, ze zijn niet te intimideren. Het lijkt of bij deze mensen vanzelf gaat waar anderen eerst aan moeten werken: aan de kunst om goed onderscheid te maken tussen wat je overkomt enerzijds en hoe je daar mee omgaat anderzijds. Zowel stoïcijnse als de boeddhistische traditie bieden hierin veel levenservaring.

Nederigheid is ‘zichzelf niet vergelijken’: het oordeel over jezelf hangt niet af van je prestaties, of van de vaardigheden die je gaandeweg in het leven ontwikkelde, of van persoonlijke eigenschappen die je bezit in vergelijking met anderen. Het leven is geen permanente competitie, noch met jezelf noch met de ander. Het leven is de opgave om te doen wat voortvloeit uit de opdracht die je hebt ontvangen of die je jezelf hebt gesteld. Die opdracht naar beste kunnen uitvoeren met volledige inzet van je bekwaamheden, dat is waar het om gaat.

Nederigheid als ‘jezelf blijven in alle omstandigheden’. Het klinkt gemakkelijker dan het is. Want wat betekent dat ‘jezelf blijven’? Houdt het in dat je niet verandert? Het lijkt me niet, geen mens verandert niet, geen mens blijft van jong tot oud dezelfde, ook al lijkt dat wel eens anders.

‘Jezelf blijven’: veronderstelt dit dat je weet wie je bent en dat je er bewust voor kiest om dat te blijven? ‘Jezelf blijven’ kan ook betekenen dat je niet snel uit evenwicht raakt of van de kook of ontregeld – jezelf blijven als en gelijkmatigheid van emoties.

Merkstenen – het boek heeft veel te bieden aan reflectie of meditatie. Zoveel is wel duidelijk.

Ik las Merkstenen en daarmee deze passage voor het eerst in 1993. Deze woorden van Hammarskjöld kwamen toen onmiddellijk binnen, zoals dat heet. De passage verwoordde precies wat ik voelde en tegelijk was het nieuw voor me wat ik las. Het was alsof het me opeens duidelijk werd waar het me om te doen was, waar ik naar op zoek was. Noem het ‘een moment van verwondering’ in de authentieke zin van het woord, precies zoals Cornelis Verhoeven dit bedoelt in zijn boek Inleiding tot de verwondering. Bij verwondering is sprake van de ervaring van het zo-zijn van de dingen (in de zin van oh, zit dat zo!). Verhoeven: ‘Ik verwonder mij alleen maar dat iets zo is, omdat het zó anders is dan ik dacht, of omdat het zich als een vreemd verschijnsel binnenboort in mijn niet-denken en mij tot denken dwingt. Het zo-zijn is de schok die mij beweegt.

De basis voor de ontwikkeling van nederigheid als levenshouding hoeft niet alleen te liggen in de introspectie, in de blik die naar binnen is gericht; nederigheid kan ook worden aangewakkerd door youngreflectie op krachten die van buiten komen. De filosoof Damon Young wijst in zijn Filosoferen over beweging en sport op de confrontatie die sporters vaak hebben met de harde realiteit – een confrontatie die hen als het ware dwingt tot nederigheid. Nederigheid is dan ‘ruimte maken voor de ordinaire realiteit: de koppige feiten van de wereld en het zelf.’ Denk aan de ervaring die bergklimmers kunnen hebben wanneer ze zich bevinden in een letterlijk keiharde en weinig buigzame realiteit. Het is het moment dat je je realiseert dat je niet altijd de werkelijkheid naar je hand kunt zetten en dat er krachten zijn waar je voor moet buigen.

André Comte-Sponville gaat in zijn Kleine verhandeling over grote deugden nog een stapje verder: nederigheid is ‘de deugd van de mens die weet dat hij God niet is.’ Voor de gelovige is dit een evidentie; voor wie de uitspraak slechts metaforisch betekenis heeft, is de strekking echter even duidelijk: almacht is de mens niet gegeven. En soms is dat een pijnlijke constatering.comte

Nederigheid is ook een wat ongemakkelijke deugd. Je kunt er niets mee, sterker: als je er wel iets mee wilt, houdt nederigheid op dat te zijn. Dat is typisch voor nederigheid als deugd. Het geldt niet voor andere deugden. Van moed als deugd bijvoorbeeld wordt gezegd dat ze wordt beloond. Van hoogmoed wordt gezegd dat ze voor de val komt. Bij nederigheid niets van dit alles. Comte-Sponville bestempelt nederigheid dan ook als een ‘nederige deugd: ze twijfelt zelfs of ze wel een deugd is! Wie zich op nederigheid voorstaat geeft gewoon te kennen dat hij niet nederig genoeg is.’ (pag 173).

Nederigheid blinkt uit in onopvallendheid – zonder tot een grijze muis te worden. Kijk maar naar Dag Hammarskjöld: die was dan ook verre van een grijze muis!

Share
Posted in Reflecties | Tagged , , , , | 1 Comment

Over ploggen en sponsoren

Nooit eerder zag ik zoveel verschillende lichamelijke en geestelijke aandoeningen bij elkaar als tijdens de marathon van Dublin in oktober 2017. Geprint op veelkleurige shirtjes kwamen ze voorbij. Allemaal met als strekking: ‘ik loop voor…’ gevolgd door de naam van een akelige ziekte of aandoening waarvan de bestrijding wel wat financiële steun kan gebruiken. De befaamde Roparun is er zelfs omheen georganiseerd. Hardlopen en tegelijk een goed, veelal medisch doel steunen, is in. Is daar niet aan meedoen een vorm van egoïsme?

Grote verschillen

Het is zeker geen monopolie van hardlopers, denk maar aan mooie acties van wielrenners als Alpe d’ HuZes. De recreatieve sportbeoefenaars en de goededoelenorganisaties hebben elkaar gevonden. Voor zolang als het duurt? Met andere woorden, is het een hype of wordt dit een blijvertje? De tijd zal het leren. Het is in elk geval een handige zet van de goededoelenclubs, al zijn het er nu wel erg veel die allemaal hetzelfde doen…..

Wat zich in de recreatieve sport voordoet, is min of meer het omgekeerde van de situatie in de geprofessionaliseerde takken van sport. Daar halen de sporters geen geld op voor anderen maar sluiten clubs of teams grote sponsorcontracten af om waardevolle sporters binnen te halen. Of om ze te houden. De verschillen tussen allerlei takken van sport zijn daarbij enorm. Commerciële belangen maken hier de dienst uit. De grote stadsmarathons zoals Rotterdam, Berlijn, New York hebben er op hun manier ook mee te maken. Wat een werelden van verschil! Interessant lijkt me de vraag: corresponderen deze verschillen met het type sporter dat er door wordt aangetrokken?

Persoonlijk

Zelf ben ik als recreatieve loper niet zo van deze manier van ‘geld ophalen’. Het is niets voor mij om allerlei mensen in mijn omgeving te benaderen met de vraag hoeveel ze over hebben voor een goed doel als ik een bepaalde marathon loop. Ook al vraag ik dan niets voor mezelf maar voor een ander, het ligt me niet. En laat duidelijk zijn: ik heb het hier uitsluitend over mezelf en dus niet over anderen. Ik neem waar dat veel lopers deze weg met veel enthousiasme bewandelen; ik bewonder dat en respecteer dit dus volledig.

Waar ik ook regelmatig mee te maken heb, is dat je met de post een kadootje krijgt (een balpen bijvoorbeeld) met een verzoek om een donatie. Zo wordt er onmiddellijk een ongelijke verhouding gecreëerd: ik heb wat gekregen dus nu kan het niet anders of ik moet ook wat terugdoen, al was het maar bij wijze van vergoeding van de kosten die voor het kanootje werden gemaakt. Er wordt aldus doende geappelleerd aan mijn gevoel van en wens om gelijkwaardigheid. Deze kan ik vervolgens zelf realiseren door positief te reageren op het donatieverzoek.

Ik houd ook niet van deze vorm van fondswerving. Als mensen een goed doel willen steunen dan doen ze dat uit zichzelf. Zo doe ik dat zelf ook. Gevolg geven aan mijn verzoek om een ‘sportieve donatie’ lijkt meer op: mij niet willen teleurstellen.

Egoïsme?

Is deze terughoudendheid van mijn kant op te vatten als een tekort? Als onsportief gedrag? Als egoïsme? Op deze laatste vraag kom ik graag straks nog terug. Eerst wil ik melding maken van wat ik dan wèl doe ‘voor een ander’ – wie dat dan ook moge zijn. Sinds kort plog ik.

Ploggen

Op 4 februari 2018 maakte ik namelijk mijn debuut als ‘plogger’. Het woord is nog zo nieuw dat de spellingcorrectie er telkens ‘blogger’ van wil maken. Ik las er deze week voor het eerst over als nieuwste trend afkomstig uit Zweden, maar ik begreep dat in 2013 de Haarlemse Brigitte Pulsen al eens een poging had gedaan om het ‘troep trimmen’, want dat is het, populair te maken. De formule is eenvoudig: voor je op pad gaat om je rondje te hollen neem je een tas of vuilniszak mee en wat je op je route aan rotzooi tegenkomt, stop je daar in. Zo draag je bij aan een schone omgeving. Ploggen = hardlopen en zwerfafval opruimen. (En dus niet ‘ploggen’ als een variant in het rijtje van ‘bloggen, vloggen, ploggen,’ dat ook bestaat.)

zwerfGewapend met een plastic tas van sauna De Zwaluwhoeve (wil die mij misschien sponsoren met een stapeltje tasjes??) begon ik aan een rondje van 9 kilometer, van Voorschoten langs het spoor naar Leidschendam en via de Veurseweg weer terug. Na 6 kilometer was de tas al flink gevuld en brak het hengsel. De opbrengst was zeer divers: talloze papieren zakdoekjes, blikjes, petflesjes, lege verpakkingen van sigaretten en shag, nog veel restanten van het vuurwerk van de jaarwisseling – dat soort dingen. Geen zware dingen dus, maar wel troep. Ik heb de weg vervolgd met de tas onder de arm want ik wilde er wel een foto van maken. Vooral langs de provinciale weg was er veel te vinden….Natuurlijk had ik de tas onderweg ergens in een container kunnen legen om het ploggen voort te zetten.

Altruïsme zonder egoïsme?

Terug naar de vraag van het egoïsme en mijn ingebakken weerstand tegen ‘lopen voor een goed doel’. Ik heb wat gegoogeld en gemerkt dat ‘egoïsme’ in tegenstelling wordt gebracht met ‘altruïsme’, een begrip dat door de 19de eeuwse filosoof Auguste Comte in roulatie is gebracht. Als ik vervolgens naar de verschillende betekenissen van deze begrippen kijk, dan valt me op dat ze worden geïnterpreteerd vanuit de biologie, i.c. de evolutietheorie. Het gaat dan om de vraag welk gedrag het meest effectief bijdraagt aan het behoud van de soort. Als dit de primaire context is waarin egoïsme (en in het verlengde daarvan altruïsme) hun betekenis krijgen, roept dat de vraag op of we de fondswerving van de goededoelenorganisaties ook moeten opvatten als schakels in de evolutie van de mens: hebben we het bij fondswerving voor hartonderzoek en MS uiteindelijk ook over ‘het behoud van de soort’? Ik denk niet dat we er zo naar moeten kijken. Feitelijk doen we dat ook niet. Als parallel kan ik hier het nationale donordebat noemen dat op dit moment zijn voltooiing nadert en waarin het wel over individuele levens gaat maar niet om zoiets groots als ‘het behoud van de soort’. Laten we het daarom klein houden.

Als ik hardloop en daarbij geld ophaal voor een goed, medisch doel, dan heeft alleen dat fonds baat bij mijn activiteit, ik zelf niet. Ik zie er in principe geen cent van; ik weet dat van tevoren en ik vind dat ook prima, want het was me daar immers niet om te doen. Mijn activiteit van het hardlopen als hardlopen wordt daar ook niet anders van. In verreweg de meeste gevallen zullen de lopers die dit doen, ook meedoen aan de wedstrijd als ze niet waren benaderd om dat doel te steunen. Ik neem even de Roparun en de Alpe d’HuZes apart, want die activiteiten zijn specifiek op fondswerving afgestemd. En daar zijn er nog een paar van.

Hamvraag

Ook als ik hardloop en onderwijl de route schoon, als ik plog dus, hebben anderen (wandelaars, hardlopers, fietsers) daar baat bij (dat neem ik aan tenminste). Meer in het algemeen geldt dit ook voor het milieu als zodanig al klinkt me dat wel erg ver weg in de oren. En natuurlijk heb ikzelf er baat bij omdat ik me dan minder hoef te storen aan de troep langs de weg.
In de eerste situatie (sponsorloop) zie ik dus geen persoonlijke baat, in de tweede situatie (‘ploggen’) wel. Wat niet wegneemt dat je in beide situaties als hardloper ‘een goed gevoel’ over kunt houden van je acties. ‘Toch maar weer gedaan’. Zoiets. Mag altruïsme vergezeld gaan van zo’n lichte vorm van egoïsme?

In beide gevallen kun je als loper wel te maken hebben met waardering van de omgeving: bij de fondswerving blijkens een bedankje van het fonds waar je voor liep en van je persoonlijke sponsoren. Bij het ploggen verliep dit anders kan de waardering komen door incidentele complimenten onderweg van andere weggebruikers (zoals me tijdens het debuut als plogger overkwam). Is het jou/mij als loper vanuit egoïstische motieven (speculeren op ‘aaien over je bol’) om deze waardering van de omgeving te doen?

Ligt het antwoord op deze vraag misschien besloten in jouw/mijn reactie op het eventueel uitblijven van positieve, waarderende woorden?

Voor mij is het antwoord op deze hamvraag wel duidelijk: voorlopig blijf ik regelmatig ploggen!

Share
Posted in Lopen | Tagged , , | Leave a comment

Mijn hardloopfilosofie

Hardlopen doen er velen en iedere hardloper heeft daar zijn eigen redenen voor. Wat hardlopers gemeen hebben, is de sterke behoefte om ervaringen uit te wisselen en te leren van elkaar. Dat maakt de, op zich solistisch ingestelde, hardlopers tot een apart en toch sociaal volkje. Zelf loop ik inmiddels zo’n 40 jaar hard, ‘non stop’, de zeldzame periodes van blessures daargelaten. Ik liep lang solo, daarna in clubverband en nu opnieuw meestal solo. Onlangs zette ik mijn filosofie van het hardlopen op papier. Hierin verwoord ik mijn persoonlijke invulling van het hardlopen.

Hardlopen is een keuze. Die keuze maak je eenmaal en daarna heb je het er niet meer over. Je doet het gewoon. Dus doe ik het, wekelijks, meerdere keren.

Hardlopen is vooral plezier beleven aan de beweging van het hardlopen als zodanig. Deelnemen aan wedstrijden, lopen in een loopgroep, meedoen aan een trail, foto’s maken onderweg, paaltjesroute pakken in onbekende omgevingen – al die dingen dragen bij aan het loopplezier maar zijn er niet ten volle voor verantwoordelijk. Met andere woorden, ze leveren toegevoegde waarde; zonder dat vind ik het hardlopen ook al leuk.

Hardlopen verdient het om beoefend te worden om de eigen waarde die er in besloten ligt.
Velen lopen om af te vallen, anderen om hun hoofd leeg te maken of te de-stressen, weer anderen hopen tijdens het lopen op creatieve ideeën. Ik herken die motieven ook in mezelf en met dit alles is niets mis, maar hardlopen is ook zonder deze doelstellingen leuk.

Hardlopen doe ik bij voorkeur buiten, maakt niet uit waar: in de stad, langs weilanden, door bossen, ….. Hardlopen op een loopband in de sportschool is ondersteunend voor specifieke trainingen en vervangend bij slechte weersomstandigheden zoals gladheid, maar is niet de standaard.

Hardlopen en genieten van de omgeving gaan voor mij altijd samen en versterken elkaar. Ontspannen hardlopen opent de ogen voor de schoonheid van de natuur, van allerlei architectuur en zelfs van infrastructuur.

Hardlopen doe je zowel met je lichaam als met je verstand. Ik heb twee belangrijke dingen geleerd: een goed contact hebben met mijn lichaam en mijn verstand zo inzetten dat het bereid is daar naar te luisteren. Deze leerwinst levert het beste preventiemiddel op tegen blessures en vormt een noodzakelijke gids voor de verbetering van prestaties.

Als ik constateer dat mijn lijf moe is, geef ik het rust. Soms is het nodig om voorrang te geven aan rust boven lopen.

Gadgets zoals een sporthorloge en muziek kunnen het hardlopen veraangenamen. Persoonlijk loop ik altijd zonder muziek en luister (en zoek) ik onderweg liever naar vogels.

Hardlopen bestaat er in een grote variatie, van wedstrijden lopen tot combi-sport (in triatlon) en van recreatief lopen tot trail running, van solo-lopen tot groepstrainingen. ‘Verandering van spijs doet eten’ en ‘Voor elk wat wils op elk moment’. Ik bevestig graag de praktische wijsheid van deze tegeltjesspreuken.

‘Hardlopen’ is een aanduiding die niet-hardlopers geven aan wat (echte) hardlopers: ‘lopen’ noemen. Dat maakt  het woord ‘lopen’ tot een sjibbolet.

Share
Posted in Lopen | Tagged , | Leave a comment

Het narratief van ‘Egmond’

Daar gaan ze dan, de ruim 18.000 deelnemers aan de halve marathon van Egmond, editie 2018 – de openingsklassieker van elk nieuw jaar. In een lang lint trotseren zij de elementen die zich op dit befaamde parcours altijd duidelijk laten zien. Het rulle zand van het strand, de stevige wind en de zoute bries van de zee doen zich gelden. Deelnemen aan deze loop betekent: tijdelijk verkeren in een bijzondere wereld die gedragen wordt door een even bijzonder ‘verhaal’. ‘Egmond’ mag symbool staan voor dit narratief, als treffend voorbeeld van een ‘wereld’ waarin soms heftige metaforen nodig zijn om de unieke belevingen van zijn ‘bewoners’ uit te drukken.

Saamhorigheid

Ook al noem je het een wedstrijd, het overgrote deel van de deelnemers aan deze loop over ruim 21 km zal de tegenstander toch vooral in zichzelf lokaliseren. Waar de toplopers tegen elkaar strijden egmondom het eremetaal zullen de recreanten de loop vooral beschouwen als een wedstrijd met zichzelf, met de eigen ambities en met de resultaten uit het eigen loopverleden. Voor de laatsten gaat het meer om samen strijden tegen jezelf dan om alleen strijden tegen elkaar. Er is onder recreanten dan ook een duidelijke saamhorigheid voelbaar.

Rituelen

Rond de loop is sprake van een reeks geritualiseerde momenten. Velen zullen in hun voorbereiding en op de dag van de loop hun vaste handelingen uitvoeren als quasi religieuze rituelen die vertrouwen moeten wekken en onzekerheden moeten verkleinen. Gehoorzame onderwerping, toegewijde uitvoering van deze handelingen zijn bedoeld om onzekerheid om te vormen tot gezonde spanning.

Gemoedstoestanden

Tijdens de loop is sprake van een min of meer vaste sequentie van gemoedstoestanden. Eerst is er de fase van de concentratie, van hyperbewustzijn, van focus op het in het juiste ritme brengen van het lichaam. Het is de fase waarin de loper verleid wordt om zijn eigen tempo en ritme af te stemmen op die van de lopers in zijn directe omgeving, met het grote risico dat te snel wordt gestart – hetgeen onvermijdelijk leidt tot problemen later. Het is de fase van ombouw van mentale voorbereiding naar gedurige actie van het lichaam.

mark rowlandsDe startfase wordt gevolgd door de fase van het regelmatige ritme. Dit is de fase waarin, om met de filosoof Mark Rowlands te spreken, het geconcentreerde, actieve denken plaats maakt voor gedachten. Het bewustzijn verkeert in een staat van ontvankelijkheid. Gedachten komen en gaan als die gedachten er zelf klaar voor zijn; ze worden niet gemanipuleerd. Of, in de woorden van de bekende romanschrijver Haruki Murakami: gedachten komen en gaan als wolken aan de hemel, meedrijvend op de wind. Veel lopers noemen dit de fase waarin ‘je je hoofd leegmaakt’. Deze bewoording suggereert dat het om een bewust gekozen handeling van het denken gaat, maar dat wordt niet zo bedoeld. Het is een ‘constatering achteraf’ in termen van ‘activiteit tijdens’.

murakamiVoor Murakami is dit de fase waarin er eigenlijk niet zoveel bijzonders gebeurt in het hoofd. Hij krijgt dan ook ‘hoogst zelden’ een idee voor een nieuwe roman. Rowlands gaat op zoek naar een (natuur-)wetenschappelijke verklaring voor het ontstaan van de ervaren leegte en legt die bij de doorwerking van het ritme van de beweging op de geest. Hierdoor ontstaat ruimte voor nieuwe gedachten. Rowlands legt dit moment van ongevulde ruimte later dan ikzelf persoonlijk steeds ervaar. Voor mij komt dat vaak al heel snel: zodra ik in een vast ritme kom, pluk ik als een volleerd goochelaar het ene na het andere nieuwe idee uit het niets. Het levert mij, zeer tot mijn genoegen, de creatiefste momenten van de dag op. Dit doet mij twijfelen aan de natuurwetenschappelijke verklaring rond gammagolven waar Rowlands het in zoekt.

Lijden

En dan is er het moment waarin het harmonische samenspel tussen lichaam en geest stokt omdat er moeheid optreedt in de benen. De strijd begint nu echt, gelet op de weerstand van het lichafil duurloopam. In het narratief van ‘Egmond’ is nu sprake van stevige taal en grote woorden als ‘afzien’, ‘lijden’, ‘doodgaan’ zelfs; kortom het is nu ‘erop of eronder’. De geest moet alle zeilen bijzetten om het lichaam in cadans te houden, tot ‘voorliegen’ (Rowlands) toe. Dit laatste klinkt antagonistisch en bevestigt voor Rowlands het gelijk van Descartes dat lichaam en geest toch echt verschillende dingen zijn. Maar een bewuste duurloper hoeft geen filosoof te zijn om te weten dat elk rigide antagonisme van lichaam en geest leidt tot een mislukte loop. Met andere woorden, lichaam en geest hoeven niet gedurende de hele loop op dezelfde afstand van elkaar de geplande route af te lopen, maar mogen elkaar ook niet uit het zicht verliezen. Samenspel in welke vorm dan ook, blijft van begin tot eind geboden. Murakami verwijst naar een mantra waarmee veel lopers zichzelf in deze fase op de been houden: ‘pain is inevitable, suffering is optional.’ De ervaren loper zal zich realiseren dat de pijn die gevoeld wordt, weliswaar niet valt weg te denken, maar dat hoe je er mee omgaat toch echt je eigen keuze is.

Heroïek

Gelukkig, er komt een moment dat de finish in zicht is en de overwinning nabij. De ware held vergeet op slag het geleden leed en beleeft zijn of haar heroïsche moment in de theatrale beweging van het strekken van de armen op het moment dat hij of zij de meet passeert, om zich vervolgens met het eremetaal te laten omhangen, klaar voor de foto waarop daar de tanden in worden gezet.

Voor velen is deze sequentie van fasen nauw verbonden met het narratief van de strijd: van vooraf zorgvuldig bewapenen met passende kleding en proviand voor onderweg, van verwachtingsvol maar ook gespannen oprukken, van de ontmoeting met stevige tegenstand, van onversaagd doorgaan en zichzelf moed inspreken, en van volharding die eindigt in de extase die de overwinning op de ander (of zichzelf) teweegbrengt, tenslotte gevolgd door de zalige roes van diepe trots.

Grote filosofen

Voor de filosoof Mark Rowlands leverden deze fasen tijdens de marathon waarvan hij in zijn boek verslag doet, een diepgaand, tot zelfs in zijn fysiek voelbare inzichten op in essentiële reflecties van grote filosofen uit de geschiedenis: Spinoza, Descartes, Hume, Sartre (‘de reuzen op wier schouders wij staan’). Via hen en anderen zoals Moritz Schlick herontdekte (‘herinnerde’) Rowlands de ervaring van het kind in zijn spel: het samenvallen met jezelf in de handeling die je verricht, de handeling om de handeling zelf. Rowlands bestempelt dit als de ervaring van intrinsieke waarde die het leven de moeite waard maakt (en daardoor zin geeft).

Lopen en schrijven

boek harukiVoor een romancier als Haruki Murakami is hardlopen een belangrijke leerschool voor zijn schrijverschap. Hij signaleert een belangrijke parallel. Terwijl veel mensen denken dat een schrijver vooral met zijn hoofd bezig is, vestigt Murakami er de aandacht op dat ook het schrijven van een boek ook een zware fysieke activiteit is waarvoor een goede conditie noodzakelijk is. Hardlopen ondersteunt het schrijven en draagt erin bij dat de auteur productief kan blijven. Maar hardlopen is ook meer dan dat.

Intrinsieke waarde

Ondanks de verschillen delen Rowlands en Murakami een belangrijk inzicht, namelijk dat de herhaalde handeling van het hardlopen valt buiten het schema van het zogenoemde ‘instrumentele denken’. We komen dit tegen in uitspraken als ‘ik loop hard om me fit te voelen, om af te vallen, om buiten te zijn,…’- kortom hardlopen met het oog op iets anders, hardlopen als middel om een buiten het hardlopen liggend doel te bereiken. Hardlopen overstijgt dit schema van het instrumentele denken om te worden tot een intrinsieke waarde, een activiteit die om zichzelf beoefend wordt omdat die in zichzelf van waarde is. En Murakami voegt daar aan toe: ’echt waardevolle dingen kun je vaak alleen maar verwerven via onrendabele bezigheden.’

Montaigne266px-Montaigne-Dumonstier

Ik sluit af met een persoonlijke ervaring waarvan de 16de-eeuwse filosoof Michel de Montaigne melding maakt in een van zijn befaamde De Essays: ‘De meest intense genoegens en smarten zijn die van het lichaam, omdat ze zowel mentaal zijn als fysiek, en het meest direct.’ (III,13). De lopers van ‘Egmond’ en van al die andere duurlopen, zullen dit volmondig beamen.

 

Gebruikte literatuur:

Mark Rowlands, Filosofie van de duurloop. Amsterdam: De Arbeiderspers 2016.

Haruki Murakami, Waarover ik praat als ik over hardlopen praat. Amstel-sport 2010.

Michel de Montaigne, De Essays. Amsterdam: Atheneum-Polak & Van Gennep 2004

Denkt u dat dit blog ook interessant is voor anderen? Deel het dan gerust in uw sociale netwerken. 

Share
Posted in Lopen | Tagged , , , | 1 Comment

Passend lezen

Zittend achter mijn bureau of in de bruine, gemakkelijke stoel op mijn studeerkamer ben ik aan drie zijden omgeven met boeken. Vóór mij het raam dat uitzicht biedt op de achtertuin met daar weer achter de huizenrij van de straat die parallel aan de onze loopt. Rechts, links en ook achter mij boekenkasten die uitpuilen. Ook op mijn bureau een rijtje met de boeken die me op dit moment bezig houden; om erover te kunnen beschikken hoef ik mijn stoel niet uit. Ik ben, nu met pensioen en weer aan het studeren, weer lekker aan het lezen. Maar, doe ik dat ook goed, dat wil zeggen ‘passend bij het genre’?

Lacune leesgeschiedenis

Ik lees graag en zo mogelijk veel en. Ik ben gewoonlijk in drie of meer boeken tegelijk bezig. Zo wissel ik het lezen van filosofie af met het lezen van romans of thrillers. Daarnaast is er altijd wel een verzamelbundel waar ik regelmatig losse hoofdstukken uit lees. Op dit moment zijn dat de prachtige ger groot geesten mooi geïllustreerde verzamelbundel Alle Vogels van Koos van Zomeren en de breed opgezette en eveneens rijk geïllustreerde geschiedenis van de moderne filosofie De geest uit de fles van Ger Groot.

De waardering voor boeken dateert uit mijn tienerjaren toen we in de derde klas HBS begonnen met literatuur. Vanbigglesaf dat moment heb ik veel gelezen. Daarvoor deed ik dat betrekkelijk weinig hoewel daar geen belemmeringen voor waren. Mijn moeder las veel en haalde ook boeken uit de bibliotheek. Wij kregen als kinderen op 5 december, met kerst en met onze verjaardag ook wel een boek, maar toch, van jeugdliteratuur is me weinig meer bij gebleven dan dat ik Pietje Bel las en deeltjes uit de Biggles-avonturenserie en zo nog een enkel boek, meestal uit de jeugdseries van christelijke uitgever Callenbach. Maar als ik nu zie hoeveel mijn kleinkinderen lezen dan kan ik gerust stellen dat ik de fase van de kinder- en jeugdliteratuur grotendeels heb overgeslagen. Er zit een forse lacune in mijn persoonlijke leesgeschiedenis.

 

Belang van lezen

Lezen is belangrijk omdat het nieuwe werelden opent en daarin nieuwe mogelijkheden toont om met de vragen van het leven om te gaan – dit veelgehoorde statement is een belangrijk argument in het pleidooi voor instandhouding van een leescultuur. Literatuur brengt je in andere werelden dan de jouwe, vergroot daardoor jouw wereld en bied je de mogelijkheid om te proeven aan andere manieren van leven, andere waardepatronen, andere prioriteiten van mensen. En als er iets is waar deze tijd zeker behoefte aan heeft dan is het wel dat mensen empathie ontwikkelen voor manieren van leven die niet de hunne maar die wel aanwezig zijn in hun nabije omgeving, met evenveel recht daarop als zij opeisen voor zichzelf en voor hun eigen manier van leven. Ik ben het met dit statement helemaal eens. Dit alleen al is een goede reden om subsidies aan bibliotheken in stand te houden opdat de lezersbijdrage beperkt kan blijven en niemand verstoken hoeft te zijn van de mogelijkheid om te lezen.

Ik zou er nog een belangrijk argument aan toe willen toevoegen dat ik ontleen aan eigen ervaring maar die door veel leerkrachten in het basisonderwijs in versterkte mate zal worden beaamd. Toen ik na de middelbare school Nederlands ging studeren had ik vaak de ervaring van een tekort aan woord- en zaakkennis. Mijn woordenschat was gewoon niet erg groot, mogelijk als gevolg van een te beperkte leesgeschiedenis. Op de middelbare school heb ik erg goed leren zinsontleden en woordsoorten benoemen maar op het vlak van woordenschat ging ik toch betrekkelijk matig gevuld de universitaire wereld binnen. Allengs is dat bijgetrokken, gelukkig. Ik heb dit overigens nog wel als het gaat om de moderne vreemde talen, maar hier is de oorzaak een andere. Na mijn studies Nederlands en filosofie heb ik ‘ambtshalve’ weinig in het Engels, Duits of Frans hoeven lezen. Nu ik weer ben gaan studeren leg ik daarom woordenlijsten aan van mij onbekende woorden in de teksten (artikelen en boeken) die ik lees om aldus doende mijn woordvoorraad weer te vergroten. Ik volg hierbij het advies van mijn vroegere leraar Frans, de beminnelijke heer Oosterveld, die ons aanraadde om alle onbekende woorden in de eerste tien bladzijden van een boek op te zoeken. Vaak kom je die woorden verderop in de tekst ook weer tegen en weet je dan wat ze betekenen. Ik geef de tip graag door.

Appèl op verbeelding

Lezen, het gebruik van boeken, was eeuwenlang dé manier om kennis te verspreiden en ervaring over te dragen. Dat geldt in principe voor elk boek, fictie en non fictie, en voor studieboeken in het bijzonder. Sinds jaar en dag zijn daar allerlei media bijgekomen die elk weer andere mogelijkheden bieden en waarin niet geschreven tekst maar beeld en geluid de informatiedragers zijn zoals op tv, in films, cd’s, dvd’s, vlogs, noem maar op. Deze combinaties van beeld en geluid maken het mogelijk om te elimineren wat bij het boek tegelijk zowel de sterke als de zwakke kant is: de eigen inbreng van de lezer/kijker, het appèl op en actieve inzet van de verbeelding. Waar het boek een permanent en consequent beroep doet op de verbeelding van de lezer schotelen de andere media, waarin beeld en geluid samenkomen, de kijker veel concreter ingevulde contexten voor dan het boek. Er wordt als het ware voorgesorteerd op de verbeelding van de kijker/luisteraar; die krijgt al richting mee. Overigens is interessant dat er de laatste tijd ook weer veel kritiek is op dit voorsorteren, of het nu gaat om de presentatie van nieuwsfeiten (zie de publicaties van Joris Luyendijk) of om meer abstractie boodschappen zoals in reclames (‘je bent pas gelukkig als….’).

Meanderend schrift

Over het schrift als medium is in de filosofie veel geschreven met, de laatste decennia, het werk van Derrida als het meest uitgesprokene en verdiepende. Waar het schrift eeuwenlang is geschuwd als tweederangs en een afgeleide van het gesproken woord vestigt Derrida de aandacht op de eigenstandigheid van het schrift. Voor Derrida is het schrift een fascinerend fenomeen dat zich niets Derrida-by-Pablo-Seccalijkt aan te trekken van zijn schepper, de auteur, of van zijn lezer. Het schrift meandert vanuit een eigen autonomie door het leven van de mens en opent een schier onmetelijk reservoir van betekenissen hetgeen al genoegzaam duidelijk is uit het gegeven dat iedere lezer afzonderlijk zijn eigen voorstellingen heeft bij hetgeen hij leest. De gedachte dat de tekst een neutraal middel, een medium is dat een objectief vast te stellen boodschap overbrengt, is een illusie – ook al zijn er situaties waarin we wel móeten geloven in die illusies om het samenleven leefbaar te houden.

Nog meer gaten

Wie over een fotografisch geheugen beschikt, zal, zo veronderstel ik, in staat zijn om veel van het gelezene te onthouden. De wiskundige Euler en vóór hem de grote theoloog Thomas van Aquino waren volgens Douwe Draaisma (De metaforenmachine) gezegend met een dergelijk geheugen dat hen in staat stelde tot exacte reproducties van het gelezene. Het komt me voor als een ambivalent metaforenmachinegenoegen maar het heeft deze wetenschappers ver gebracht en in staat gesteld tot uitzonderlijke intellectuele prestaties.
Zelf heb ik zo’n geheugen niet, sterker nog, ik ervaar het als frustrerend dat ik maar zo weinig onthoud van wat ik heb gelezen. Van veel van de boeken die mij omgeven weet ik na een tijdje alleen nog bij benadering waar ze over gingen, laat staan dat ik details heb onthouden. Ik zie dit als een gebrek waar ik op dezelfde wijze mee kan omgaan als met andere gebreken zoals beperkingen in het ver zien en het verlies van een aantal kiezen. Beiden heb ik gecompenseerd door de aanschaf van protheses, in de mond en op de neus.

Protheses
De protheses die ik inzet om de tekorten van mijn geheugen te compenseren zijn er twee. De eerste is dat ik aantekeningen maak tijdens het lezen, in de kantlijn maar ook en vooral achterin een boek. Dit bevordert de concentratie en biedt mij de mogelijkheid om gemakkelijk terug te grijpen op relevante passages of op kritische aantekeningen bij het lezen. Ook noteer ik hier bijzondere woorden, associaties met andere boeken en mooie passages zodat ik ook die gemakkelijk kan terugvinden.

boekenschriftDe tweede prothese, en dat is er een waar ik veel plezier van heb en ook aan beleef, is dat ik een boekenschrift heb. Ik ben hiervoor geïnspireerd na lezing van De plezierfactor van Felix Eijgenraam. In dit boekenschrift ‘registreer’ ik twee dingen. Vanaf de achterste bladzijde terugschrijvend registreer ik welke boeken ik heb gelezen, per jaar en vervolgens per maand. Zo kan ik terugzien of ik een boek al heb gelezen en wanneer. Deze registratie vind ik niet alleen prettig om indien nodig op terug te vallen, maar heeft ook een functie voor de tweede manier van registreren. Die behelst het bewaren van mooie zinnen of passages in het voorstel deel van het boekenschrift. Ook korte recensies, samenvattingen, beoordelingen en dergelijke krijgen daar hun plek. Het is niet zo dat ik van alle boeken die ik lees, iets opschrijf maar van de meeste wel. Elke recensie sluit ik af met het vermelden van de maand waarin die is geschreven. Via de registratie aan de achterzijde kan ik dan bladerend door het eerste deel van het boekenschrift gemakkelijk terugvinden of en zo ja wat ik van een bepaald boek heb opgeschreven.

Vooral dat eerste deel van het boekenschrift met citaten en recensies verschaft me veel plezier. Het gebruik gaat terug op een klassieke manier van ‘bewaren’: die van de florilegia, de bloemlezing. In zijn traditionele gedaante bevat de bloemlezing het beste uit een bepaald genre (poëzie bijvoorbeeld) of het beste uit het oeuvre van een auteur. Zo bezien is mijn boekenschrift daar een variant op namelijk een verzameling van het beste uit wat ik gelezen heb. Ook deze betekenis past goed binnen het concept ‘bloemlezing’.

Varianten in lezen
‘Een roman lees je anders dan een filosofisch werk’ – ja, zo zou het moeten zijn en zo ben ik indertijd ook ‘opgevoed’. Maar gaande de jaren en met heel veel meer romans achter de rug dan filosofische werken is er toch een andere praktijk ontstaan. Die komt er op neer dat ik de neiging heb om filosofische werken te lezen als ware het romans. Is dat erg? Nou ja, het is maar hoe je het bekijkt. Wat ik merk is dat ik de essentiële verschillen tussen twee manieren van lezen, tussen twee leesstrategieën, lang heb genegeerd waar ik. Nu ik weer ben gaan studeren ondervind ik daar toch wel een hinderlijk gevolg van. Als ik het goed zie, doet het lezen van een roman een beroep op andere mentale functies dan het lezen van een filosofisch werk als-filosofisch-werk.

Een roman lezen

Bij het lezen van een roman, zo signaleer ik bij mezelf, zijn verschillende mentale functies actief. Ik kom tot drie daarvan:
– Identificatie: meeleven met de personages in het verhaal, je identificeren met een of enkele personen, in het verhaal meegaan dus, eventueel er in opgaan of er in verdwijnen.
Esthetische oriëntatie: het wel of niet beleven van schoonheid, in het taalgebruik, in de beelden, ook in de compositie of structuur van de roman. Dit uit zich in momenten dat ik aantekeningen maak achterin het boek van mooie passages, aforistische stukjes, originele beelden,… Deze esthetische oriëntatie komt voor mij wel nauwkeurig. Als een boek mij na 50 pagina’s nog niets geboden heeft dan twijfel ik over doorlezen. En een heel enkele keer ben ik al eerder klaar met een boek. Dat overkwam me bij lezing van Boek van de doden van Philip Huff. Na 35 pagina’s had ik genoeg van die bagger. Het omgekeerde komt ook voor. Dan zou ik van elke pagina wel iets willen vasthouden. Dat heb ik bijvoorbeeld bij het beeldrijke werk van Erwin Mortier en bij de mooie stijl van Stefan Hertmans, om maar een paar voorbeelden te noemen.
Kritische functie: het waarderen van een werk. Is het verhaal in zichzelf geloofwaardig? Dit betekent dat ik erop let of het verhaal als verhaal binnen de eigen grenzen daarvan overtuigt. Dat wil dus niet zeggen dat het verhaal moet kloppen met wat in de werkelijkheid wel of niet mogelijk is. heelmeesterNeem de recente roman Heelmeester van Marcel Vaarmeyer (niet te verwarren met het schitterende De heelmeesters van Abraham Verghese) die ik onlangs las. In werkelijkheid kan dit verhaal helemaal niet, daarvoor is het veel te veel een aangehouden hyperbool, met alle hilarische effecten van dien. En toch was het als product van rijke verbeelding maar met een ernstige boodschap in zichzelf geloofwaardig.

Een filosofisch werk lezen

Bij het lezen van een filosofisch werk moeten andere mentale functies actief worden ingezet. Zo leerde ik tijdens mijn studie filosofie dat je een filosofisch werk op drie/vier manieren kritisch kunt lezen:
Feitelijke kritiek: klopt het verhaal met wat we weten over de werkelijkheid? Zitten er geen feitelijke onjuistheden in of (erger) blunders?
Immanente kritiek: Is het verhaal in zichzelf consistent? Doet de auteur wat hij belooft? Gebruikt de auteur cruciale begrippen steeds in dezelfde betekenis of geeft hij er steeds een andere zwengel aan?
Transcendentale kritiek: Is er iets te zeggen over de normatieve waarde van cruciale begrippen? Wat zijn de transcendentale voorwaarden van het gebruik daarvan? Zoals: de auteur heeft het steeds over ‘leven’ of over ‘kunst’ of over ‘waarden’, maar welke normatieve lading geeft hij aan die begrippen? Bijvoorbeeld door de complexe betekenis van een begrip te reduceren tot één element ervan? Denk aan een strikt biologische (‘biologistische’) kijk op menselijk leven of het herleiden van menselijke emoties tot ‘stofjes in het brein’ (materialisme).
Transcendente kritiek: Terwijl de transcendentale kritiek zeer geprezen werd, werd de transcendente kritiek buiten het domein van de geoorloofde filosofische kritiek geplaatst. Met andere woorden: kritiek in de zin van ‘in mijn geloof kijk ik hier anders naar’ of ‘mijn geloof leert me dat…’ werd als niet-filosofische bestempeld.

I. KantHet zal duidelijk zijn dat het bij het lezen van een filosofisch werk gaat om een heel andere omgang met een tekst dan in de situatie van een roman. Daar moesten we als beginnende filosofiestudenten ook echt in oefenen. Het was een apart vak in het rooster. Ook kregen we voor de eerste filosofische kennismaking met het werk van Immanuel Kant, namelijk lezing van diens Prolegomena zu einer jeden künftigen Metaphysik (een boekje van pakweg150 pagina’s) een leeswijzer van 1 A4 om er een weg in te vinden; dat was geen overbodige luxe. En onlangs las ik twee boeken over Nietzsche waarin beide auteurs (Paul van Tongeren resp. Michael Tanner) leesaanwijzingen geven bij bepaalde werken van deze denker. Zo wijst Van Tongeren op het proeven en vervolgens herkauwen van de vele aforismen en op de kunst om goede vragen bij de tekst te stellen.

Nu ik mijn aandacht aan het verleggen ben in de richting van de filosofie zal ik me dus weer iets van die oude en specifieke leestechnieken moeten toe-eigenen.

Hoe werkt dit bij u, lezer van dit blog? Herkent u zich in de onderscheiden mentale functies of komt u tot andere inzichten? Reacties zijn welkom!

Denkt u dat dit blog ook interessant is voor anderen? Deel het dan gerust in uw sociale netwerken.

Share
Posted in Boeken | Tagged , , , | 1 Comment

Machtsrelaties onder de waterspiegel?

‘Dwingen’ vreemde ogen wel echt en zo ja, hoe lang dan? En is externe verantwoording iets wat een professional echt ‘uit zichzelf moet willen’ of is hier sprake van ‘opgedrongen spontaniteit’? Is de klaagzang over bureaucratie uiting van frustratie en onmacht? En zo ja, onmacht ten opzichte van wie of wat? Het zijn niet de minste vragen en zal er ooit een afdoende of ieder bevredigende beantwoording mogelijk zijn? De vragen lijken uitdrukking van een complexiteit waaraan namelijk maar moeilijk valt te ontsnappen. Hoewel?

Actief als auditor

Laat ik beginnen met een persoonlijke ervaring. Een van de opdrachten die ik de afgelopen jaren met veel plezier heb uitgevoerd, was het uitvoeren van audits in opdracht van de Stichting Technasium. Scholen voor voortgezet onderwijs die het vak Onderzoek en Ontwerpen conform de principes van deze Stichting in hun onderwijsaanbod opnemen, onderwerpen zich daarmee aan een gezamenlijk overeengekomen systeem van kwaliteitshandhaving. (Dit systeem is recentelijk in revisie genomen; technasiumik spreek van de situatie die hier tot medio 2017 aan voorafging).
Een belangrijk onderdeel in dit systeem van kwaliteitshandhaving was het periodiek uitvoeren van audits waarbij een (extern) auditteam (‘de auditor’) volgens een bepaalde, tevoren afgesproken en bij de school dus bekende procedure, checkt of de school (‘auditee’) voldoet aan de overeengekomen kwaliteitsindicatoren. De auditor brengt vervolgens advies uit aan het bestuur van de Stichting dat beslist over verlenging van het predicaat. Er is daarmee sprake van een belangrijk civiel effect van de audit als instrument van kwaliteitshandhaving en toezicht.

Auditing kan worden omschreven als een vorm van externe verantwoording. Ik gebruik hier ‘verantwoording’ in de zin van ‘het leveren van bewijs dat voldaan wordt aan tevoren bekende criteria/normen’. Auditing is goed te situeren vanuit het perspectief van kwaliteitszorg: de gerichtheid op verantwoording vraagt naar de mate waarin zaken onder controle zijn. Daarmee onderscheidt auditing zich van visitatie waarin externen (vaak: collegiale) feedback geven op de school met het oog op ontwikkeling.
Terzijde: in de situatie van de Stichting Technasium werd gezocht naar een zekere mix van verantwoording en ontwikkeling al leerde de praktijk dat in de context van de audit de verantwoording toch altijd als de dominante dimensie werd ervaren. En juist dat laatste plaatst auditing volgens bepaalde auteurs en criticasters van dit toezichtinstrument in een bedenkelijk daglicht. In het proces van auditing is volgens hen sprake van een zo fundamentele en ingrijpende vorm van asymmetrie dat de praktijk van de audit kan worden opgevat als een panoptis200px-Jeremy_Bentham_by_Henry_William_Pickersgill_detailche situatie. En toen ik dat las, was mijn interesse direct en volledig gewekt want het panopticum kende ik van de ideeën van de Engelse filosoof Jeremy Bentham (1748-1832) en ik wist ook van de indrukwekkende wijze waarop de befaamde Franse Michel Foucault daar later mee aan de haal is gegaan. En nu keert dit panopticum dus terug als metafoor voor de situatie in de auditpraktijk – of beter: in een onderzoek naar de vraag of de auditpraktijk inderdaad vergeleken kan worden met die van het panopticum. Ik heb het over de dissertatie van Marja Creemers, getiteld Van panopticum tot arena. Een etnografie van een auditpraktijk waarop zij op 9 mei van dit jaar promoveerde aan de Universiteit voor Humanistiek. Een intrigerende titel!

Het panopticum als ideale gevangenis

Over Jeremy Bentham en in zijn spoor andere vertegenwoordigers van het utilitarisme las ik een jaar of wat terug het boek van Peter Venmans, Over de zin van nut. Een filosofisch essay. In dit boek gaat Venmans in op het denken van onder meer Bentham, John Stuart Mill, John Dewey, Peter Singer en 250px-Jeremy_Bentham_Auto-IconRichard Rorty. Op de omslag een mooie foto van Bentham (zie hiernaast) in zijn gedaante als (zoals hij dat vooraf zelf al noemde) auto-icoon. Hij gaf namelijk de opdracht dat hij na zijn dood geprepareerd wilde worden om daarna tentoongesteld te kunnen worden. Nou, en daar zit hij dan. Volgens Venmans is alleen het hoofd niet origineel maar een replica. Het illustreert mooi dat Bentham een origineel en gewaagd denker was die dwars tegen gevestigde opvattingen in durfde te denken. Als grondlegger van het later invloedrijke ‘Principe van het Grootste Geluk’ hield hij zich permanent bezig met de vraag hoe dingen anders, dat wil zeggen: beter, efficienter, goedkoper, en vooral, tot nut van meer mensen kunnen.

Eén zo’n probleem in zijn tijd was dat van de erbarmelijke omstandigheden in de gevangenissen. Om daar wat aan te doen ontwierp hij het panopticum: een zeer specifieke vorm van gevangenis die we nu nog terug kunnen zien in de koepelgevangenis in onder meer Breda. Bentham’s panopticum is een rond gebouw met in een buitenste cirkel verschillende, gestapelde lagen van gevangeniscellen met in het midden een toren. D250px-Panopticone cellen hebben naar buiten toe ramen, naar binnen toe tralies. Vanuit de toren biedt het tegenlicht de mogelijkheid om elke gevangene in beeld te hebben. Omgekeerd is het niet mogelijk voor de gevangene om in de toren te kijken. Daardoor zijn weinig bewakers nodig; de idee dat je als gevangene 24/7 gevolgd wordt, doet zijn werk. Gevangenen konden wel elkaar zien en daarmee elkaar in het gareel houden. En Foucault signaleerde later terecht dat de overgang van lijfstraffen naar volstrekte disciplinering daarmee was voltrokken.
Bentham vond het, aldus Venmans maar niets dat gevangenen niets deden; ze kostten alleen maar geld in plaats van iets op te leveren. Daarom zocht hij ook naar mogelijkheden om hen aan het werk te zetten, eveneens een nieuw idee voor die tijd. Bentham zag een grote toekomst weggelegd voor zijn ontwerp en achtte dat ook bruikbaar voor de oplossing van onder meer het grote armoedevraagstuk in zijn tijd.

Het panopticum als metafoor

Terwijl Bentham zijn ideale gevangenis beschouwde als een heel concreet en zeer nuttig middel om iets te doen aan maatschappelijke problemen, gebruikte Michel Foucault het panopticum als een metafoor voor de manier waarop machtssystemen in allerlei sectoren van de samenleving onderhuids hun diep inwerkende invloed uitoefenen op ons gedrag. En dat gaat in zijn beeld foucaultaanzienlijk verder dan het permanent geobserveerd worden (zoals dat nu weer ter discussie staat als gevolg van de ongebreidelde expansie van cameratoepassingen) – de machtssystemen beïnvloeden niet alleen ons denken maar ook en allereerst onze fysieke gesteldheid. Foucault ziet de mens om zich heen ingekapseld in ritmes, dagroosters, planningen, impulsen, vele vormen van gezag, toezicht, controle, verantwoording etc. Disciplinering is bij Foucault een vorm van strikte onderworpenheid aan een overall systeem waar je als individu nagenoeg geen invloed op hebt, sterker, waar je je zelfs klakkeloos naar voegt zonder er weet van te hebben, laat staan ervoor gekozen. Dat bedoel ik met onderhuids en met onder de waterspiegel. En het is dit indringende metaforische beeld van het panopticum, deze metafoor waarin Bentham’s project door Foucault wordt geradicaliseerd, dat door de criticasters van auditing als instrument in toezichtrelaties wordt opgevoerd als symbool van hun ergernis. Auditing is een systeem waarin de auditor alomtegenwoordig is, en waarin de auditee permanent zichtbaar, volstrekt onderworpen en niet méér dan object van informatie is en nooit subject daarvan. ‘Maar klopt het wel?’ zo was de vraag die Creemers zich stelde en waaraan zij een tweede perspectief toevoegde, dat van sensemaking zoals Karl Weick dat ontwikkelde.

creemersHet was een boeiende leeservaring om te zien hoe Creemers het karikaturale, Foucaultiaanse panopticum inzet als een heuristiek om een scherp beeld te tekenen van enerzijds de asymmetrische elementen in auditing maar die anderzijds ook te relativeren, wijzend op onder meer de vele momenten dat auditor en auditee de mogelijkheid hebben om via sensemaking de asymmetrie te neutraliseren. De vele anekdotische beschrijvingen uit dcreemers2e auditpraktijk zijn zeer illustratief en voor mij vaak ook herkenbaar uit mijn persoonlijke ervaring als auditor in opdracht van de Stichting Technasium. Allerlei vormen van gedragingen van auditees komen voorbij: van royale medewerking tot subtiele obstructie. De beschrijvingen zijn heel helder, haar analyses verlopen vooral door het citeren van markante uitspraken terzake uit de literatuur.
Deze dissertatie, die allereerst een proeve van bekwaamheid is van de promovenda en een bijdrage aan de wetenschap, is tegelijk zo concreet, praktisch, herkenbaar en toegankelijk geschreven, dat ik het boek graag aanraad aan iedereen die hetzij als auditor of auditee, hetzij als toezichthouder (en opdrachtgever van audits) actief is in dit domein van kwaliteitszorg.

De strekking van het onderzoek van Creemers is dat de situatie ten aanzien van auditing wel een stuk genuanceerder ligt dan het beeld van het panopticum waarmee Foucault de vele disciplineringsmechanismen in de moderne samenleving schetst. Het proces van auditing is weliswaar opgetuigd met een veelheid aan zogenoemde ‘sturingstechne’, maar is tegelijkertijd ook ingebed in complexe systemen en relatienetwerken waarin heel wat ruimte is voor sensemaking en tegenkracht (‘trekkrachten’). En ja, dan zijn er soms situaties waarin de kansen op sensemaking onbenut blijven en het hard tegen hard gaat. Dan is de arena daar een beter beeld voor dan het panopticum.

Auditing als exempel

Het aardige van het boek van Creemers is dat het me opnieuw bepaalde bij de vanzelfsprekendheid en het gemak waarmee in het publieke domein gesproken wordt over toezicht, verantwoording, transparantie, borgen, documenteren, aantonen, bewijzen, …. en bij het gemak waarmee deze begrippen operationeel worden voorzien van ‘sturingstechne’ zoals bestanden, protocollen, reglementen, afspraken, normen, criteria …. En ook al hebben de criticasters van auditing volgens Creemers geen correct beeld van hoe auditing in de praktijk werkt waardoor hun oordeel in de lucht komt te hangen, de Foucaultiaanse interpretatie van Bentham’s panopticum maakte me wel opnieuw gevoelig voor de machtsrelaties die onder de waterspiegel hun werking hebben en niet ter discussie staan. Terwijl er wel een grote behoefte is aan minder druk vanuit de diepte en aan meer oog voor positief drijvende krachten zoals inspiratie, ruimte, innovatie, …..

Nieuwe balans

Die behoefte aan ruimte voor professionaliteit, aan eigen verantwoordelijkheid, aan de mogelijkheid om als individuele beroepsbeoefenaar gebruik te kunnen maken van je ‘discretionaire bevoegdheid’ maar ook aan in gezamenlijkheid te zoeken naar nieuwe wegen – die behoefte klinkt ook duidelijk door cover-boek-de-geest-uit-de-fles_1000-185x230in het boekje De geest uit de fles. Van bureaucratie naar bezieling. De titel laat geen misverstand bestaan omtrent de bedoeling. In dit boek is Tijmen Bolk samen met enkele schoolleiders op zoek naar een nieuwe balans tussen verantwoorden enerzijds en innoveren anderzijds. In ons onderwijsstelsel is er behoefte aan beiden en de kunst is ‘hoe realiseer je een goed evenwicht?’.
Bolk is bepaald een gekende en erkende autoriteit op het gebied van kwaliteitszorg en weet zijn brede ervaring en uitgebreide kennis steeds goed te vertalPublicatie_kwaltiteitszorg-185x228en in overzichtelijke beschouwingen. In De geest uit de fles geeft hij acht principes voor de controlekant en eveneens acht principes voor de ontwikkelkant. Het gelijke aantal is op zich al uitdrukking van het streven naar balans. Met het geven van ‘principes’ vervolgt hij de richting die hij en zijn collega’s eerder uitzetten in Kwaliteitszorg heeft een geest!? Ook in dat boek wordt een pleidooi gehouden voor de zachte kanten van kwaliteitszorg.

Na bespreking van de beide reeksen principes reflecteren drie schoolleiders (PO, VO, (V)SO) aan de hand van trefwoorden als ‘bezieling’, ‘leiderschap’, ‘vertrouwen’, ‘toegevoegde waarde’ op de ontwikkeling van kwaliteitszorg en op wat zij daar vanuit hun functie zelf aan bijdragen. Dat leidt vaak tot mooie observaties, tot bekentenissen, tot inspirerende gedachten. En wat opvalt is dat de taal van de verantwoording, van de controle, volstrekt helder en eenduiding is en alom bekend, terwijl bij herhaling wordt opgemerkt dat er voor de andere kant van de balans, die van de innovatie en de inspiratie nog onvoldoende taal aanwezig is. Hier wordt nog gezocht, ontdekt, geprobeerd,… de woorden aan deze kant van de balans hebben nog geen afgebakende betekenis, ze zijn meer zoektermen dan oplossingen. Het is alsof hier de lichaamstaal het moet winnen van het gesproken woord. Het waren juist die signaleringen van de schoolleiders zelf die me bepaalden bij het diepere gelijk van Foucault: de disciplinering (het geheel van sturingstechne, de linkerkant van de balans) heeft zich dermate ingevreten in de manier waarop we met de kwaliteit van het onderwijs bezig zijn, dat het is gaan ontbreken aan een levendige taal voor wat ons ten diepste raakt en in beweging zet. De kracht van ‘de machtsrelaties onder de waterspiegel’ is dermate aanwezig dat ze maar moeizaam de weg opent tot een nieuw idioom dat het verlangen naar bevrijding verwoordt. En daarom vervullen ook hier metaforen een functie om in het onzegbare te voorzien, zoals het beeld van de trektocht: durven op pad te gaan zonder duidelijke notie van de bestemming. Daar is geen ondernemerschap voor nodig, zoals zo vaak zo modieus bepleit wordt, maar zin en zelfvertrouwen en vertrouwen in elkaar. Meer is’t niet maar ’t is wel dat.

Vond u dit artikel nuttig en mogelijk interessant voor anderen? Deel het dan via uw sociale netwerken!

Share
Posted in Boeken | Tagged , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

8 Plussen en 8 minnen van ontwikkelingsmodellen

Verborgen filosofie in de taal van de adviseur -3- 

Je komt ze regelmatig tegen: modellen met daarin een weergave van de historische of conceptuele ontwikkeling van een vak of verschijnsel. Zulke modellen in de vorm van opeenvolgende fasen in de ‘evolutie’ van een vak of verschijnsel zijn in boeken en artikelen en ook in trainingen veelgebruikte hulpmiddelen door onderzoekers en adviseurs. En die hebben goede redenen om dergelijke modellen/schema’s te presenteren. Tegelijkertijd is het nuttig om te bedenken dat er niet alleen voordelen maar ook beperkingen kleven aan zo’n model. Met name die beperkingen komen niet altijd goed over het voetlicht. In dit blog daarom een overzicht van de plussen én minnen van dit soort schematische weergaven van een ontwikkeling.

Drie voorbeelden

Verspreid over dit blog treft u drie ontwikkelingsmodellen aan. Deze modellen zijn op het vrije internet beschikbaar en hier opgenomen om hun exemplarische waarde.
Het eerste is afkomstig uit een artikel dat Theo Schraven schreef voor Goed Bestuur (2, 2012, pag 58-59). Het betreft in het bijzonder de ontwikkeling van de governance in de zorgsector.
Het tweede vond ik op internet en is gericht op interne organisatievraagstukken.
Het derde is afkomstig uit een publicatie over kwaliteitszorg in het onderwijs, Kwaliteitszorg heeft een geest!? uitgegeven door B&T. Ik hoop dat de weergaven voldoende leesbaar zijn 😉

 

schraven!

Model 1: ontwikkeling governance zorg

Het vervaardigen van dit soort ontwikkelingsmodellen gaat niet vanzelf. Ze zijn het resultaat van een aantal mentale operaties die er op gericht zijn om de diversiteit in de werkelijke situatie op een bepaald domein te ontstijgen (abstraheren). Daardoor wordt het mogelijk om individuele situaties te her-vormen tot exempels die vervolgens, als exempels, worden geanalyseerd. Dat klinkt ingewikkelder dan het is, maar neem het schema van Schraven (model 1) als voorbeeld: hierin wordt de bestuurlijke situatie (de inrichting van de governance in de zorg) in allerlei concrete organisaties in beeld gebracht aan de hand van een serie kenmerken, in dit geval ‘dimensies’ genoemd. Daarbij kan het niet anders of er worden keuzes gemaakt omdat niet alle concrete verschillen kunnen worden opgenomen. Vergelijk het met het berekenen van een gemiddelde uit een serie getallen. De ervaring van de opsteller van dit model speelt hierbij een belangrijke rol want het is diens oordeelsvermogen dat hierin zorgt voor de juiste keuzes. En of de opsteller inderdaad de goede keuzes maakt, valt goed af te lezen aan de ontvangst van zijn model door vakgenoten.

gov hub

Model 2: TGH model

Wat zijn nu de plussen en de minnen, de voortreffelijke mogelijkheden en de even belangrijke beperkingen van het soort modellen dat hier wordt besproken?

De plussen

1. Zo’n model heeft de bedoeling en wordt in de regel ook ervaren als verhelderend: het geeft inzicht in een situatie, het brengt de werkelijkheid van een domein of een bepaalde sector gestructureerd en samenhangend in beeld.
2. Zo’n model geeft taal aan die werkelijkheid waardoor daar überhaupt over gesproken kan worden. De gekozen termen verwijzen naar handelingen of interacties die daarmee een naam krijgen, tot een entiteit worden en daardoor herkend en erkend. Het schema verkrijgt zodoende een communicatieve waarde in de zin dat het door de aangereikte taal en onderscheidingen een zinvol gesprek mogelijk maken en daarmee een reflectie op de eigen situatie. De modellen 1 en 3 hebben ook nadrukkelijk die bedoeling.
3. Zo’n schema ordent, integreert, geeft structuur en verleent zodoende ook een zekere logica aan een bepaalde situatie. Alle stukjes vallen op de goede plek, het microsysteem per verticale kolom is in zichzelf consistent. Dit geldt voor alle drie de geïllustreerde modellen.
4. Het model wint aan kracht als de samensteller er in slaagt om voor de invulling van de horizontale lijnen, dus de typerende kenmerken binnen een bepaalde dimensie, termen te vinden die binnen hetzelfde taalregister vallen maar onderling distinctief zijn. Dat maakt de vergelijking inzichtelijk en de verschillen concreet, herkenbaar en van betekenis.
5. De opeenvolgende (verticale) kolommen in model 1 bevatten in hun gezamenlijkheid een reconstructie (een analyse achteraf) van een ontwikkeling. De inherent veronderstelde gelijktijdigheid per verticale kolom zal in werkelijkheid diffuser zijn geweest dan het schema suggereert en dat is eigen aan ontwikkeling. Niet alle organisaties in een bepaalde sector zullen gelijktijdig de overstap van het ene taakopvatting naar de volgende taakopvatting hebben gemaakt. Er zal een zekere mate van ongelijktijdigheid in de synchroniciteit hebben gezeten. Ondanks deze verschillen in tempo is er, door het schema, een gesprek mogelijk.
6. Een ontwikkelingsmodel heeft een didactische waarde omdat het op het niveau van kennisoverdracht een helder beeld biedt van de ontwikkeling van bijvoorbeeld de governance (model 1) of de kwaliteitszorg (model 3) in een sector.
7. Het model heeft een codificerende functie doordat het (met terugwerkende kracht) conceptuele eenheid creëert en als het met enig geweld zijn helderheid oplegt aan het verleden. Met andere woorden, het verleden wordt met terugwerkende kracht geharmoniseerd.
8. Modellen als deze laten in de regel onbesproken wat de reden is voor de overgang van de ene taakopvatting naar de andere taakopvatting terwijl die er toch altijd zal zijn. Met andere woorden, er zal altijd een aanleiding zijn om te veranderen en die aanleiding is extern (nieuwe regelgeving, al dan niet onder invloed van ontsporingen in de sector) en daarmee nieuw en niet eigen aan de vigerende kolom. Óf de aanleiding is te motiveren vanuit ongenoegen in het opereren binnen de vigerende kolom zodat een volgende stap als wenselijk of noodzakelijk wordt ervaren. Het is interessant om bij reflectiebijeenkomsten dit verschil goed in beeld te hebben.
Model-strat-kwaliteitsmanagementkopieModel  3: Kwaliteitszorg onderwijs

De minnen

1. Om maar gelijk aan te sluiten bij het laatstgenoemde pluspunt: spreken over de volgende stap in een ontwikkeling suggereert dat ontwikkeling iets is dat metaforisch geduid kan worden als het afleggen van een bepaalde route en wel stappen in een opwaartse richting, van matig naar voortreffelijk. Iedere organisatie zet stappen en al die stappen volgen een bepaalde richting, als ware het een ‘Jacob’s ladder’. De ‘agile’-situatie in het THG-model oogt als het ultieme perspectief en ook model 3 betreffende kwaliteitszorg suggereert een serie cumulatieve verbeteringen.
2. De reconstructie zoals model 1 dat geeft van de governance-ontwikkeling in de zorgsector is een duiding achteraf die in die duiding spreekt in termen van gefaseerde tijdseenheden. Dit suggereert dat de overstap van de ene kolom naar de volgende systematisch en over de hele linie van dimensies tegelijk gebeurt, maar dit zal zelden het geval zijn.
3. in de lijn van een bekende en tegenwoordig vaak geciteerde uitspraak van de Deense filosoof Kierkegaard: „Het is beslist waar, zoals de filosofen zeggen, dat het leven naar achteren moet worden begrepen. Maar ze vergeten de andere kwestie, dat het leven naar voren moet worden 266px-Kierkegaardgeleefd.” De laatste kolom bevat de beschrijving van de actuele situatie, de situatie dus op het moment dat de opsteller het schema vervaardigt. Het schema suggereert dat de meest rechtse kolom niet alleen de actuele maar tegelijk de finale fase is; terwijl de logica van het schema zelf alles in zich heeft om te veronderstellen dat ook deze bui weer overwaait en er een nieuwe taakopvatting dominant wordt. En Kierkegaard maakt impliciet duidelijk dat daarbij keuzes moeten worden gemaakt met alle onzekerheden van dien. De helderheid achteraf is zelden ook de helderheid vooraf.
4. De categorieën uit de eerste kolom ( de dimensies in het schema 1 van Schraven) bevatten een hoewel weloverwogen, een keuze in kijkrichting. Deze keuze voor een bepaalde kijkrichting is gebaseerd op een combinatie van common sense en praktijkervaring, maar zal voor een wetenschappelijke rechtvaardiging nog wel een nadere onderbouwing behoeven.
5. Het schema heeft, zoals elk schema, een selecterende functie en ziet alleen wat het zien wil. Maar de hamvraag is en blijft ook dan: wordt alles gezien en meegenomen in de analyse of worden er ook zaken weggelaten of geëlimineerd? Ter illustratie model 1: op het eerste gezicht zou het antwoord kunnen zijn dat de linkerkolom echt alle wezenlijke elementen (dimensies) uit de governancestructuur in de zorg bevat. Het is de vraag of het gekozen perspectief (huidige governanceopvattingen) hierin niet voorsorteert. Het TGH-model (model 2) lijkt vooral geïnspireerd door de laatste fase die met terugwerkende kracht zijn stempel drukt op de fasen die eraan voorafgaan.
6. Schema’s zoals hier besproken, hebben in de regel in de ogen van de opsteller een descriptieve status. Ze hebben dus een beschrijvende en, zoals in model 1, een reconstruerende functie maar in het gebruik van dit soort schema’s liggen normatieve implicaties al snel op de loer. Dit geldt zeker in didactische situaties waarin schema’s als deze worden gepresenteerd als een referentiemodel waaraan de eigen ontwikkeling kan worden geanalyseerd. De overgang van sein naar sollen wordt dan al snel gemaakt. Uit mijn advieservaring weet ik dat de Inspectie van het Onderwijs lichtvoetig omgaat met dit verschil. Maar ook in de handen van adviseurs is de verleiding groot om het ontwikkelingsmodel niet alleen gebruiken om iets te verhelderen maar ook om de opdrachtgever op het spoor van (te begeleiden) verandering te zetten. De gekozen terminologieën in de model 2 en de vormgeving in model 3 hebben een impliciet uitnodigende lading.
7. Zo’n schema doet veronderstellen dat de beweging slechts één kant op gaat (naar rechts) terwijl het heel goed mogelijk is dat omstandigheden het noodzakelijk maken om (eventueel op onderdelen/dimensies) een stap terug te doen. Ook is het niet zo dat elke verticale kolom iets volstrekt nieuws brengt, integendeel, vaak wordt er veel ‘meegenomen’ uit de vorige fase, de volgende fase in. Er is altijd sprake van continuïteit en discontinuïteit tegelijk. De schema’s 2 en 3 lijken dit ook te impliceren.
8. De gekozen termen in het schema, met name in de bovenste horizontale balk, suggereren een zekere neutraliteit. Dit roept daardoor wel de vraag op: ‘waar zit de impliciete referentie aan de morele dimensie?’ Met andere woorden, ze lijken een spiegel te zijn van het maatschappelijk bewustzijn op enig moment, of beter: de maatschappelijke preoccupatie met hoe het intern toezicht wordt georganiseerd.

Tot slot

Ik heb in dit blog de plussen en minnen willen schetsen van schematische voorstellingen van ontwikkelingen. Wellicht ten overvloede: ik heb niets tegen dit soort modellen. Ik hoop in het bovenstaande voldoende aangetoond te hebben dat er veel voordelen zitten aan dit soort overzichten maar dat die voordelen de beperkingen niet mogen verhullen.

Dit blog verschijnt in de serie Verborgen filosofie in de taal van de adviseur. Welnu, over die taal en de verborgen filosofische opvattingen daarin, is meer te zeggen dan ik in het voorgaande deed. Voor de adviseur is zo’n model of schema iets voor in zijn Toolkit, een van de instrumenten waarvan hij of 200px-20060513_toolboxzij zich bedient, zoals ook de metafoor of de analogie of de oppositie dat zijn. En wat mij bijzonder fascineert is de vraag: wat doet de adviseur als hij zo’n gereedschapskist voor zichzelf vult? Wat zeggen al die instrumenten (elk voor zich) over de werkelijkheid (of doen ze de werkelijkheid wat aan?) en wat betekent het dat de adviseur dit weer opvat als een ‘gereedschapskist’, immers óók een metafoor! Welnu, ik heb in deze bijdrage het accent willen leggen op de modellen als zodanig. Op een later moment zal ik nader ingaan op de vraag waarom adviseurs graag met dit soort modellen werken.

Vond u dit blog nuttig en mogelijk ook interessant voor anderen? Deel het dan via uw sociale netwerken!

Share
Posted in Reflecties | Tagged , , , | Leave a comment

Verborgen filosofie in de taal van de adviseur -2-

In de eerste aflevering van deze nieuwe serie blogs introduceerde ik het onderwerp dat de komende jaren de rode draad zal zijn in mijn onderzoek. Ook schetste ik de verschillende wegen die openstaan voor nadere verkenning alvorens een meer precieze en concrete route uit te stippelen. Zeker is dat ik de weg op wil van de taalfilosofie – een relatief jonge en bescheiden tak van de wijsbegeerte maar wel een vol voetangels en klemmen. (Lees deze eerste zinnen gerust nog een keer, let op de gebruikte beeldspraak en je krijgt een indruk van waar het over zou kunnen gaan: naar welke werkelijkheid verwijzen al die metaforen die ik in deze korte alinea gebruikte?) 

In mijn inwerkperiode zal ik me dus grondig moeten verdiepen in de verschillende taalfilosofische stromingen. Maar er is nog een andere kant van het verhaal dat ik wil schrijven: die van de taal van de adviseur/consultant.

Om voor mezelf meer beeld te krijgen bij het filosofisch denken over het werkveld van de adviseur las ik de afgelopen weken enkele boeken over deze functionaris en over zijn gesprekspartner annex opdrachtgever: de bestuurder c.q. manager. Dat leverde enkele interessante inzichten op.

Modes in management
Management is uit, leiderschap is in. Een kwestie van bordjes verwisselen en meer van hetzelfde? Het lijkt er wel op: populaire boeken, alles belovende titels, goeroes, met in hun kielzog adviseurs/consultants die zorgen voor verdere verspreiding en ‘implementatie’ . Meer van hetzelfde en toch steeds net even anders, maar telkens met absolute waarheidsaanspraken en exclusiviteitspretenties.

In 2000 schreef de huidige Denker des Vaderlands (deze eretitel verdient hoofdletters, toch?!) René ten Bos een uitdagend boek over Modes in management. Een filosofische analyse van populaire 266px-René_ten_Bos_September_2017organisatietheorieën, oorspronkelijk in het Engels geschreven en in 2002 in een Nederlandse vertaling verschenen. Een paar jaar daarvoor verscheen al van zijn hand Strategisch denken. Op zoek naar nieuwe helden, dat heel goed valt te omschrijven als een voorstudie op Modes in management. Beide boeken stonden jaren in mijn kast, ik had ze ook al gelezen maar waren toch ook weer uit beeld geraakt. Gelukkig, wie wat bewaart, heeft wat. Deze boeken kwamen nu zeer goed van pas, te meer daar Ten Bos in Modes in management vooral het handelen van goeroes, consultants/adviseurs en ondernemers in het vizier heeft. Passender bij mijn onderwerp kan haast niet.

Cliffhanger
De twee boeken hebben duidelijk iets gemeen. Ten Bos zet als filosoof vraagtekens bij allerlei kennelijke vanzelfsprekendheden in de wijze waarop naar organisaties wordt gekeken en naar de manier waarop die organisaties omgaan met vitale vraagstukken als een bedrijfsstrategie.
Het leuke van de stijl van Ten Bos is, dat niets ‘natuurlijk’ is of logisch of rationeel of vanzelfsprekend waar en daarom niet discutabel. Heilige huisjes bestaan voor hem niet, hij is openlijk polemisch. MiMWaar auteurs van managementboeken graag een appèl doen op het gezond verstand en het rationele denken, geeft Ten Bos ook ruimte aan de rol van minder grijpbare (en daarmee manipuleerbare) zaken als emoties, zintuigen en persoonlijke smaak. Waar menigeen een punt zet, plaatst Ten Bos een vet vraagteken. En waar een ander de alinea afsluit, komt Ten Bos met een onverwachte cliffhanger in de trant van: ’hij zegt dat nu wel maar is dat ook zo?’ ‘Waarom zou de functie van manager een professie moeten worden, zoals neorationalisten bepleiten?’ ‘Wat is er mis met de belangstelling van managers voor modieuze opvattingen over organisaties? Ze konden wel eens een heel goede reden hebben voor die belangstelling!’ ‘Modes kunnen ons vanuit een heel onverwachte kant mogelijk iets leren over de manier waarop organisaties werken’. Ten Bos grossiert in dit soort statements en geeft altijd een nadere toelichting of onderbouwing.

Vijf modes
Ten Bos heeft wel wat met managementmodes, hij bagatelliseert ze niet zoals academici en bepaalde categorieën van organisatie-adviseurs dat doen (zonder door te hebben dat ook hun opvattingen vaak modieus zijn), maar is toch ook niet onkritisch. Sterker, hij verwijt goeroes van managementmodes zoals de Peters, Mintsbergs, Prahalads, Hammers en Coveys van de laatste decennia, juist dat ze niet kritisch en consequent genoeg zijn en uiteindelijk ten prooi vallen aan het utopistisch denken waar ze zich in de regel tegen verzetten. En daarmee raken we aan een wezenlijk uitgangspunt in de analyse van Ten Bos over de situatie in de organisatiekunde: elke theorie (en elke mode) draagt uiteindelijk elementen in zich die zijn te herleiden tot utopistisch denken. Terwijl modes juist een tegenwicht tegen utopistisch denken zouden kunnen vormen; helaas schieten ze daarin uiteindelijk tekort waardoor ze allereerst zichzelf tekort doen. Dat is tegelijk de conclusie van zijn verhaal nadat hij heeft ingezet op een beschrijving van de ‘titanenstrijd’ tussen mode enerzijds en utopie anderzijds. Ten Bos beschrijft die strijd vanuit vijf modieus onderwerpen in de organisatiekunde van de laatste decennia: strategie, leiderschap, cultuur, de lerende organisatie en business process redesign. Me dunkt, onderwerpen die nog niet zijn bijgezet in de galerij van afgesloten hypes.

Sleutelwoorden
‘Utopistisch denken’ en ‘mode’ – om de strijd tussen die twee begrippen draait het dus in het boek Modes in management. Juist omdat deze twee begrippen zo’n cruciale rol spelen is het goed te weten wat Ten Bos er onder verstaat. Laat ik met ‘mode’ beginnen.

Dat woord ‘mode’ gebruikt hij in drie verschillende maar wel semantisch samenhangende betekenissen: (1) mode in de zin van stijl die populair is, vgl. fashion, (2) als metafoor voor alles wat vluchtig, esthetisch, stijlvol, oppervlakkig experimenteel, emotioneel etc is. Ten Bos gebruikt hier liever adjectieven dan substantieven omdat die laatsten vaak massiever zijn, vastleggen en vastliggen, en (3) mode is de zin van ‘theorie’, hier tussen aanhalingstekens gezet om aan te geven dat hieronder niet een rationeel onderbouwde theorie wordt verstaan maar een veel lichtere variant ‘die gelooft in het primaat van de zintuigen en zich richt op processen en continuïteit.’ Daarmee gaat het om een theorie ‘die ons aanspoort om aan de oppervlakte te blijven. Daarom geloof ik dat mode ons meer plausibele inzichten in de wereld van de managers biedt dan wetenschappelijke of utopistische idealiseringen’ (pag. 16). Daarmee doet Ten Bos een groot beroep op zijn lezers omdat deze derde betekenis van ‘mode’ alles in zich draagt van een contradictio in terminis.

266px-Achterhuis2017

Foto: Vysotsky (Wikimedia Commons).

Utopisme
En dan die tegenpool: utopisme, of beter utopistisch denken (als vergrotende trap van ‘utopisch’ denken). Ten Bos baseert zich voor de betekenis van dit woord op de ‘briljante beschouwing’ van de Nederlandse filosoof (en toevallig de eerste Denker des Vaderlands) Hans Achterhuis. Die kwam met een rijtje kenmerken waarmee het begrip utopie zich goed laat omschrijven (pag. 31-33). Ik geef ze hier verkort weer om in elk geval een beeld te geven:
– Het utopisme maakt het individu ondergeschikt aan het collectief.
– Het utopisme gelooft sterk in de maakbaarheid van dromen, leidend tot een ‘beangstigende beheerslogica’.
– Het utopisme keert zich tegen de mythe van de aangeboren goedheid van de mens.
– Het utopisme gelooft in de ‘verbondenheid van totaliteit en detail’. Waardoor afwijkende opvattingen niet op prijs worden gesteld.
– Het utopisme is radicaal en wenst te breken met het verleden.
– Liefde en seksualiteit zijn gevaarlijk omdat ze onbeheersbaar zijn.
– Een obsessie met hygiëne en zuiverheid.
– Utopia is geen luilekkerland. Schone arbeid staat hoog in het vaandel.
– Het geluk vormt de rechtvaardiging van Utopia, maar dan wel geluk in de utilitaire, berekenende betekenis van het woord.
– Het geweld is onvermijdelijk, niet alleen om anderen op afstand te houden, maar ook om alle inwoners onder controle te houden.

Gereduceerd beeld werkelijkheid
Ik geef dit lijstje om te laten zien dat het voldoen aan deze kenmerken niet mogelijk is anders dan door strakke regie, rationele liefst wetenschappelijke planning, expliciete of impliciete hiërarchie en volledige overgave aan het ideaal. Welnu, doorheen Modes in management, maar ook in Strategisch denken laat Ten Bos zien hoe veel van deze kenmerken ook terugkomen in de vijf managementmodes die hij bespreekt, zoals die van ‘de lerende organisatie’. Ik moet zeggen – het leverde frequent voor mij onthullende inzichten op. Aan eye-openers geen tekort in deze boeken. En steeds keerde hierbij terug de kritiek dat in die managementvisies sprake was van een gereduceerd beeld van de complexiteit die eigen is aan de werkelijkheid. Iedere goeroe creëert een beeld van een werkelijkheid die deze herleidt tot herkenbare, hanteerbare en daarmee te manipuleren eigenschappen. In Strategisch denken ent hij dit gecreëerde beeld van de werkelijkheid op een strategisch denkendaaraan inherent gebruik van een ‘verarmde rationaliteit’ die als kenmerken heeft dat ze volledig in dienst staat van efficiëntie, volledig vertrouwt op procedures, alles verwerpt wat hier niet in past en de illusie van controle en zekerheid bevordert (pag. 105-106). Zoiets als ‘toeval’ zul je niet gauw uit de mond van een goeroe horen. Evenmin over de rol van ‘toeval’ in het succes van de ene organisatie en in het uitblijven daarvan in een andere. ‘Toeval’ als vorm van onbeheersbaarheid bestaat in hun ogen niet. ‘De goeroe en de consultant moeten die onbeheersbaarheid in de doofpot stoppen om hun eigen nering niet te schaden’ (Mim, pag. 139).

Managers relativeren
Terwijl goeroes hun best doen om hun inzichten succesvol over het voetlicht te brengen als een definitieve stap in de goede richting (cynisch genoeg verzetten goeroes zich tegen bestaande modes terwijl ze daar zelf zonder blikken of blozen de volgende tegenaan zetten) en adviseurs graag meeliften op het succes daarvan, is het toch bepaald niet zo dat managers zich onkritisch laten inpalmen door weer de volgende ‘trend in management’. Ten Bos relativeert de invloed van goeroes tot een aangenaam reflectiemoment voor de manager die, in zijn of haar ‘dagje op de hei’ even de mogelijkheid krijgt om aan de hectiek van alledag te ontsnappen.

Metaforen
Er is nog veel meer te zeggen over deze twee interessante en qua gedachten rijke boeken. Zo zit er in Modes in management een uitvoerige beschouwing over de rol van metaforen. En door de studies van Gareth Morgan weten we dat deze stijlfiguur ook zijn weg heeft gevonden in de organisatiekunde. Ook hier maakt Ten Bos een opmerking die me aan het denken heeft gezet: horen metaforen wel thuis in de wereld van de rationele organisatiekunde? Zijn het niet meer stijlmiddelen die juist hun betekenis ontlenen aan een andere, meer lyrische of muzische manier om naar de werkelijkheid te kijken? En als ik daar op door redeneer: zijn er niet goede redenen te geven om de metafoor te bevrijden van wat genoemd kan worden ‘het oneigenlijk gebruik’ ervan in andere ‘werelden’ dan die van de retorica? Ik denk dat dit een wel erg vėrgaande conclusie zou zijn, gelet op het gegeven dat metaforen niet alleen in de poézie en literatuur in het algemeen een belangrijke rol spelen – ook ons dagelijks taalgebruik is ermee doorspekt, zie de openingsalinea van dit blog.

Andere motieven managers?
Ik rond af. Er is meer over beide boeken te zeggen dan ik in het voorgaande heb gedaan. Zo heb ik de neiging om kanttekeningen te plaatsen bij de relevantie van de oppositie of ‘titanenstrijd’ tussen mode en utopie zoals Ten Bos die schetst, hoe leerzaam en onthullend zijn analyses ook zijn. Om daarvan een indicatie te geven: als het waar is dat managers heel goed kunnen omgaan met de betrekkelijkheid van (alweer) een ‘ ieuw en definitief inzicht’ in hoe organisaties zouden moeten functioneren, wat is dan het spel dat tussen goeroes annex adviseurs enerzijds/consultants en anderzijds managers/ondernemers wordt gespeeld? Reageren die managers/ondernemers inderdaad op het alles belovende beeld dat de goeroe hem of haar voorhoudt of is er sprake van een heel andere impuls? Ten Bos noemde al het ‘voor een moment ontvluchten’ van de dagelijkse hectiek en dat is echt een andere impuls dan de goeroes met hun nadruk op vergroting van de bedrijfsresultaten doen voorkomen. Ik stel me voor dat een onderzoek onder de motieven van die managers ook andere beweegredenen zou blootleggen, zoals onzekerheidsreductie, collega’s ontmoeten, interessante ideeën horen, vergroting van persoonlijke vaardigheden, beeld vormen van actuele zaken,…. Een dergelijk onderzoek zou de impliciete heftigheid in de dichotomie tussen mode en utopie (‘titanenstrijd’) kunnen relativeren.

Daar komt bij dat veel managementgoeroes afkomstig zijn uit of schrijven over het Angelsaksische bedrijfsleven waar de rol van de manager een andere invulling krijgt dan die hij heeft in het meer Rijnlands ingerichte bedrijfsleven zoals wij dat kennen en dat hier te lande nog eens wordt aangedikt met een stevige laag polderklei.

Kuil
Een laatste kritische kanttekening: Ten Bos verwijt goeroes dat ze een sterk gereduceerd beeld geven van de werkelijkheid waar ze dan hun eigen ‘beloofde werkelijkheid’ (hun ‘utopie’) tegenover zetten. Het aardige is dat ik met name in Strategisch denken daar heel wat voorbeelden tegen kwam, zoals de figuur op pagina 140 waarin de ‘bureaucratische overheid’ geplaatst wordt tegenover de ‘ondernemende overheid’.
Inderdaad, Ten Bos was, toen hij dat boek schreef, zelf actief als adviseur/consultant bij Schouten en Nelissen. Het lijkt erop dat hij soms zelf in de kuil valt die hij voor anderen had gegraven.
Ben benieuwd of hij in die tijd een spanning heeft ervaren in de twee rollen van adviseur/consultant enerzijds en filosoof anderzijds.

Volgende stap?
Tot zover de beide boeken van Ten Bos die me veel leerde over op een filosofische manier kijken naar management. Wat moet mijn volgende stap worden? Op dit moment kom ik tot twee conclusies:
Ten Bos bevestigt mijn beeld dat in de wereld en met name in de taal van de adviseur stijlmiddelen metapherszoals de metafoor, een belangrijke rol spelen. Las ik al eerder de befaamde en vernieuwende studie van George Lakoff, Metaphers we live by, het begrip metafoor heeft toch een veel ruimere traditie dan Lakoff er aan geeft. Misschien is het goed om mijn beeld hiervan te scherpen en daarbij vooral te letten op een mogelijke spanning tussen de lyrische duiding van de metafoor enerzijds en de rationalistische omgang ermee anderzijds.
Metaforen vormen een belangrijk instrument in de handen van (goeroes en) adviseurs. Is er literatuur te vinden die ingaat op het (voornamelijk) talige instrumentarium van deze beroepsgroep?

Andere lectuur
Naast de hier besproken boeken van René ten Bos las ik ook nog andere boeken zoals de spannende thriller van Guido Eekhaut, Slender Man waarin een vrouwelijke gepensioneerde politie-inspecteur uit Edinburgh, in Londen waar ze is gaan wonen met haar veel jongere vriendin, getuige is van een koelbloedige moord op een vrouw door twee meisjes van 14 en Slender-man15 jaar. Kon dit zien ongestraft blijven? Eekhaut varieert in dit boek op een bekend personage uit computerpellen en films

Verder las ik de roman Vaak ben ik gelukkig van Jens Christian Grøndahl waarin een tweevoudig weduwe terugkijkt op haar lang niet altijd gemakkelijke verleden, hetgeen haar niet belet om moedig nieuwe realiteiten te aanvaarden.

UnknownEn ook ben ik bezig met het prachtig verzorgde De geest uit de fles waarin filosoof Ger Groot een mooi
historisch (filosofisch) antropologisch overzicht biedt van de wording van de moderne mens (zeer geschikt eindejaars-/Sinterklaas-/kerstgeschenk!), met de fraaie verzamelbundel Alle vogels van Koos van Zomeren (idem!) en mediteer ik over passages uit Open uw hart van Henri Nouwen.

Vond u dit blog interessant of nuttig en mogelijk ook van belang voor anderen? Deelt u het dan via uw sociale netwerken. 

Share
Posted in Reflecties | Tagged , , , , , , | Leave a comment

Verborgen filosofie in de taal van de adviseur -1-

In juli van dit jaar sloot ik mijn loopbaan af als adviseur in het onderwijs. Ik ben nu met pensioen maar zit niet stil, integendeel.  In een van de vorige blogs gaf ik al een inkijkje in mijn ‘programma’ voor de komende tijd. Inmiddels is een en ander daarvan verstreken. Een overgangsperiode van drie maanden (aug/okt) gevuld met reizen en andere activiteiten, ligt achter me. Deze periode van ‘leven in de tussentijd’ werd in de overgang van oktober naar november afgesloten met een weekendje Dublin waar ik mijn 32ste marathon liep. Vorige week had ik mijn eerste week in het nieuwe regime van regelmatige studie en concentratie op een mogelijk onderzoeksobject voor een dissertatie in de filosofie.

Mijn beeld hierbij is het volgende. Ik wil tot diep in het voorjaar van 2018 voor mezelf aan de studie en wel met twee doeleinden: mezelf goed inlezen in allerlei relevante literatuur en schrijven van een concrete (concept) onderzoeksopdracht. Met dat laatste wil ik in het voorjaar 2018 op zoek naar een promotor die bereid is me te begeleiden.

Ik realiseer me goed dat er allerlei spannende kanten zitten aan deze aanpak: want wat valt allemaal niet onder ‘relevante literatuur’? Verlies ik mezelf in de mer à boire van literatuur die potentieel relevant en in elk geval interessant is? Lukt het me om een probleemstelling te formuleren die filosofisch van betekenis is en die zich leent voor een welomschreven promotie-opdracht? Lukt het me om een hoogleraar te vinden die zijn zegen wil geven over mijn voorstel of moet ik mijn ideeën daarvoor eerst aanpassen? En als dit laatste het geval is, kan ik me daar dan mee verbinden? Lukt het me überhaupt om de discipline op te brengen om serieus en consequent studieus aan de slag te gaan?

Op dit moment dienen zich nogal wat mogelijkheden aan die zich m.i. allemaal lenen voor een filosofische doordenking van vooronderstellingen en van de filosofische vragen die in de door de adviseur gebezigde taal besloten liggen.

In het advieswerk dat ik uitvoerde ging het altijd om dingen die er nog niet waren. Immers, opdrachtgevers schakelen een extern adviseur in ter compensatie van een gemis in eigen gelederen (in de organisatie of in zichzelf). Dat gemis kan betrekking hebben op heel triviale zaken als tijd en mankracht maar het kan ook en vooral gaan om inhoudelijke expertise of ervaring in het begeleiden van veranderprocessen. De opdrachtgever neemt om enigerlei reden geen genoegen met het bestaande en heeft behoefte aan verandering daarvan. De extern adviseur wordt geacht geoefend te taal van veranderingzijn in verandermanagement en doorkneed te zijn in de taal en techniek van veranderprocessen. ‘De taal van verandering’. Rombout van den Nieuwenhof is er eerder op gepromoveerd in een prachtige en doorwrochte studie. Tegelijkertijd constateerde ik bij lezing ervan dat hij onvoldoende oog voor de filosofische aspecten van de taal waarin veranderaars de verandering structuur geven.

In het advieswerk dat ik deed in de sector onderwijs, ging het vaak om het creëren van een nieuwe toekomst voor een school of scholengroep. Denk aan schoolplannen en (vaker) strategische beleidsplannen op stichtingsniveau (scholengroep). In ons advieswerk schilderen we dan een traject van a naar b, van ‘wat is’ naar ‘wat we met elkaar willen’ binnen de grenzen van ‘het mogelijke’ en met inbegrip van ‘het noodzakelijke’, waaronder ‘het wettelijk verplichte’. Het gaat in zo’n situatie steeds om twee werelden, die van ‘het nu’ en die van ‘het dan’. Eerste zorg is het eens te zijn over een gedeelde visie op de wereld van ‘het nu’. En wat is er voor nodig om vast te kunnen stellen dat er sprake is van een gedeelde visie? En is de constatering daarvan tevens de garantie van de aanwezigheid ervan? Ik kan het nauwelijks geloven en toch leven we ermee een van de vele ficties die samenleven mogelijk maken. De wereld van ‘het dan’ is er een die vooralsnog (en ook daarna) alleen bestaat in taal: in woorden verpakte beelden van een gewenste realiteit waarvan we hopen dat we daar hetzelfde beeld bij hebben. Zo noemen we dat, al is de aanduiding ‘ergens een beeld bij hebben’ behoorlijk fragiel.

Om die twee werelden van ‘het nu’ en ‘het dan’ goed te contrasteren gebruiken adviseurs hulpmiddelen zoals scenario’s, metaforen, opposities en kwadranten. Interessant is om te reflecteren op de vraag wat de status is van dat soort ‘hulpmiddelen’.

Over hulpmiddelen gesproken – ik zette het woord al even tussen aanhalingstekens – taal is het instrument van de adviseur bij uitstek en zo kijken we er ook altijd naar. Een goede adviseur is altijd ook en allereerst een taalvaardige adviseur. De Nederlandse filosoof Cornelis van Peursen zei in een van zijn colleges: helder schrijven is uitdrukking van helder denken. Is het omgekeerde ook waar: is niet helder geschreven tekst uitdrukking van onhelder, onaf denkwerk? Dit terzijde.

Is de taal van de adviseur echt een instrument zoals de hamer dat is in de hand van de timmerman of de boor in het hand van de tandarts? Ik denk van niet. De taal van de adviseur  is meer dan een verlengstuk van de vakman of vakvrouw: taal is de drager van de betekenis die uiteindelijk wordt gecreëerd. Dat roept allerlei vragen op: welke werkelijkheid (‘het dan’) wordt er in de taal van de adviseur tot aanzijn gebracht? Of moeten we spreken van een werkelijkheid die ontsloten wordt? Als dat om een nieuwe werkelijkheid (feitelijke stand van zaken) gaat, die wordt beoogd en nog niet is gerealiseerd,  wat is dan de ontologische status van die in woorden uitgedrukte werkelijkheid? Is die 399px-Aristotle_Altemps_Inv8575er al, zij het alleen in taal? Of wordt die werkelijkheid van ‘het dan’ gerealiseerd in de mate dat de betrokken actoren die aanwezig doen zijn in concrete praktijken in hun handelen? Mogelijk biedt de oorzakenleer van Aristoteles hier interessante perspectieven voor duiding….

Hoe dit zij, er is in de taal van de adviseur heel wat verborgen filosofie aanwezig. Een aanpalende vraag is of de adviseur zich hiermee in een unieke positie bevindt. Is hij of zij de enige die actief bemiddelt tussen de wereld van het nu en die van het dan? Het lijkt me niet. Ook in andere beroepen gebeurt dat en ook de politicus doet niet anders. Daarom sluit ik niet uit dat mijn directe aanleiding (mijn achtergrond als adviseur) om te kiezen voor de verborgen filosofie in de taal van de adviseur wel eens een verbreding zou kunnen krijgen. we gaan het merken.

Er staan naast de al genoemde nog andere onderzoeksweggetjes (‘onderzoek als landschap’) open voor eerste verkennende activiteiten. Ik noem er een paar. Is wat de adviseur en zijn opdrachtgever gezamenlijk willen bereiken te verbinden met de notie van het verlangen en/of met die van de wil? Die twee (wil en verlangen) vallen niet samen maar beide zijn wel relevant als drijvende kracht achter verandering als zodanig….. En nu het toch gaat om twee werelden, die van ‘het nu’ en die van ‘het dan, is er dan ergens in het werk van de adviseur in opdracht niet ook een verwijzing aanwezig naar een utopie, naar het ideale leven, of, bescheidener geformuleerd’, naar de notie van het goede leven?

Kortom, er zijn nogal wat mogelijkheden en interessante vragen die nu al opdoemen. Omdat taal in mijn verwachte/beoogde onderzoeksopzet een belangrijke plaats zal innemen,  ben ik vorige week begonnen met intensieve lezing van een boekje van Jos Defoort, Het woekerende schrift over Derrida-by-Pablo-SeccaDerrida, met name over diens filosofie van  het schrift. De keuze voor dit boekje kan op het eerste gezicht vreemd klinken, maar dat is dan een misverstand. Defoort gaat uitvoerig in op een onderwerpen van algemenere aard die de afgelopen decennia veel aandacht hebben gekregen. Ik noem de kritiek op de klassieke tekentheorie, de belangstelling voor de kracht van taal, met name in het werk van John Austin en John Searle, in het bijzonder over het al dan niet vermeende bijzondere karakter van performatieven (werkwoorden die een werking voltrekken in plaats van iets beschrijven).zevende Derrida en Searle gingen uitvoerig met elkaar in debat. Laurent Binet geeft daar in zijn roman De zevende functie van taal een prachtige uitwerking aan! Daar wil ik nu nog het fijne van gaan weten.

Voor mij is het boekje van Defoort een veel uitdagender introductie in contemporaine taalfilosofie dan het boekje van René van Woudenberg dat ik eerder dit jaar las, Filosofie van taal en tekst, en dat me eerder bevestigde in het (in mijn beleving) steriele karakter van de Angelsaksische taalfilosofie dan dat het me uitdaagde om er de verdienste van te onderschrijven. Wat dat betreft vond ik lezing van Lakoff en Johnson’s boek over de kracht van metaforen (Metaphors we live by) weer wèl betekenisvol. En zo gaan we nog even door….

Het is mijn voornemen om via blogs met als titel Verborgen filosofie in de taal van de adviseur verslag te blijven doen van mijn leeservaringen. Ook ben ik van plan om mooie zinnetjes die ik lees via het twitteraccount @filosofie_in_taal  te verspreiden.

Leessuggesties of andere reacties zijn welkom!

Share
Posted in Reflecties | Tagged , , , , | 2 Comments