De bedoeling van taal*

Hoe zit het eigenlijk: leren we tijdens ons leven steeds beter onze woordloze bedoelingen onder woorden te brengen? Of gebeurt het omgekeerde en leren we door het ontdekken van de bedoelingen van taal steeds beter onszelf kennen?

Toen ik in 1974 tijdens mijn studie Nederlands stage liep op een middelbare school, moest ik een groep leerlingen begeleiden in een gesprek over taal. Daarin kwam aan de orde dat taal de mens als biologische soort uniek maakt. Natuurlijk, dieren communiceren met elkaar, hebben hun eigen talen, maar het is de biologische soort ‘mens’ die tot meer in staat is dan enig ander als het gaat om de inzet van taal en tekens. Het vestigt de gedachte dat we taal gebruiken om een onbegrensde rijkdom aan woordloze bedoelingen (denkbeelden, opvattingen, oordelen, adviezen, suggesties, opdrachten, bevelen, gevoelens) te verwoorden. Taal als een instrument dat we ter hand nemen, onder de knie proberen te krijgen en dat we door veelvuldig oefenen, thuis, op straat en op school, steeds beter gaan hanteren. 

Zo zou het kunnen zijn. Maar misschien ook niet en gebeurt precies het omgekeerde: leren we geleidelijk de bedoelingen van taal kennen en steeds beter in te zetten zodat we onze denkbeelden, opvattingen, oordelen en zo verder steeds beter begrijpen.

Wij mensen, we worden geboren, huilen in het begin, maar gaan al snel brabbelen om vervolgens te ontdekken met welke brabbel welk effect bereikt wordt. We gaan naar de basisschool, leren lezen en schrijven en weten zinnen te ontleden in zinsdelen als onderwerp en gezegde en in woordsoorten als zelfstandig naamwoord en werkwoord. We leren dat taal je de mogelijkheid biedt om je grenzen aan te geven (Veilige school) en dat taal niet bedoeld is om tepesten of te discrimineren.

We gaan naar het voortgezet onderwijsen leren over versvoeten en maten, over metaforen en metonymia.We lezenproza en soms poëzie.In mijn tijd Karel ende Elegast, De Gijsbrecht van Vondel, de Camera Obscura, Max Havelaar, Terug naar Oegstgeest.

We lezen poëzie, Jan Hanlo’s 

 OOTE

Oote oote oote
Boe
Oote oote
Oote oote oote boe
Oe oe
Oe oe oote oote oote
A
A a a
Oote a a a
Oote oe oe
Oe oe oe
Oe oe oe oe oe

(…)

en Marc groet ’s morgens de dingen van Paul van Ostayen: 

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem ploem ploem

Dag stoel naast de tafel

Dag brood op de tafel

Dag visserke-vis-met de pijp

(…) 

We maken kennis met de esthetische mogelijkheden van taal. We ondergaan en ervaren de bedoelingen van goede literatuur: het stimuleren van de verbeelding, het bieden van mogelijkheden tot identificatie, en de vergroting van je wereld. Literatuur als een ervaring naast allerlei andere.

We gaan studeren en worden gedwongen ons te conformeren aan andere, voor ons nieuwe taalconventiesdie meer zijn dan een gewoonte van de sector. Papers, scriptie of thesis: het schrijven ervan verplicht ons tot een bepaalde manier van taalhantering, conform de bedoeling van wetenschap.

We zijn volwassen geworden en hebben inmiddels ontdekt dat de taal van de liefde niet de taal van het voetbalstadion, de taal van de kroeg of de taal van het geloof is. We hebben begrepen dat taal heeft niet één bedoeling heeft maar een verzamelnaam is voor een veelheid van betekenissen en perspectieven. Taal heeft een eigen dynamiek die zich manifesteert in een veelheid van contexten.

We gaanwerken, we verkassen na een paar jaar en leren dat organisaties (scholen, bedrijven, …) verschillen in de manier waarop taal intern gebruikt wordt. Het ene bedrijf is formeel in omgangsvormen. Hiërarchie wordt uitgedrukt in ‘u’; in het andere bedrijf kan alles gezegd worden. We leren dat taal bedoeld kan zijn om machtsverhoudingen in uit te drukken.

We groeien door en raken verzeild (of verstrikt) in leidinggevende posities en doen nieuwe ontdekkingen over de bedoeling van taal. Opeens merken we dat onze taal door onze collega’s en aan wie wij leidinggeven andersgewogen wordt dan we zelf hadden verdacht. Er wordt niet alleen naar ons geluisterd, onze woorden worden ook geïnterpreteerd, collega’s zoeken naar verborgen bedoelingen achter onze woorden, er is bijval of tegenspraak. We merken ook en vooral dat onze woordenkracht hebben, betekenisvol zijn. Onze taal doet ertoe. 

Het zet ons aan tot reflectie.

Taal geeft te denken. 

We denken na over wat er gebeurt als we taal gebruiken en we verbazen ons over de veelheid van verschillende posities waarin taal zich manifesteert als een zelfstandige kracht, als een autonome entiteit met een eigen karakter. Taal heeft zo veel bedoelingen.

Tijdens onze studie leerden we taal te gebruiken als middel om te beschrijven. Wijzelf, wij als persoon deden er niet toe: de wereld van de objecten vraagt van de wetenschapper de vaardigheid tot descriptie waarin die wetenschapper zelf volledig afwezig is. Compleet buiten beeld.

Hoe anders nu we leidinggeven. Nu blijkt dat wij er, anders dan in de wetenschap, juist wel toe doen, met heel onze persoon.

We ervaren dat er met en door onze taal iets heel anders gebeurt dan het louter beschrijven van hoe de wereld in elkaar zit:

We verlenen goedkeuring of juist niet.

We geven opdracht of advies of houden iets tegen.

We laten een leerlingen toch slagen, of juist niet.

We zetten een handtekening of onthouden ons daarvan.

We openen of sluiten vergaderingen, door ons woord.

We benoemen of ontslaan, door ons woord.

We overtuigen of, als dat niet lukt,overreden we met lichte dwang.

We leren dat we met taal mensen kunnen meenemen naar onbekend gebied; we leren de weg wijzen naar een ongewisse toekomst.

We leren mensen te verleiden maar weten ook dat we mensen met onze woorden angst kunnen aanjagen.

We leren dat we met taal kunnen ontregelen en beweging kunnen creëren maar ervaren ook dat taal ons soms kluistert, aan banden legt, opsluit. 

We voelen ons soms gebonden aan gefixeerde betekenissen van woorden waar we maar heel moeilijk van loskomen.

We merken dat woorden de dynamiek die eigen is aan het zijn, niet alleen stillegt maar ook tekort doet.

Ja,

We hebben soms last van de taal als de mentale gevangenis van ons denken.

We merken dat er situaties zijn waarin taal zijn/haar beperkingen toont en we ervaren dat muziek eindeloos verder reikt dan woorden ooit kunnen.

We nemen onszelf soms waar als worstelaars met woorden.

Wij, gebruikers van taal. Zijn wij als gebruikers ook eigenaars?

Taal, van wie is die eigenlijk? Mogen wij onszelf het eigenaarschap van de taal toedichten? En zo ja, zijn wij dan ook altijd heer en meester over onze woorden? Monarchen op de troon in het rijk van de welsprekendheid?

Het lijkt me van niet. Zie ons vaak stamelen en stuntelen, zoeken naar woorden, zo vaak niet bij machte om woorden aan daden te koppelen. ‘Woorden schieten tekort’, zeggen we dan, een merkwaardige paradox om dat dan weer wel te kunnen zeggen. 

Als het om taal en taalgebruik gaat, zijn we beurtelings meester en slaaf. We hebben geleerd ons dankbaar of tegen wil en dank in te voegen in de autonome bedoelingen van taal. Ons meesterschap bestaat in het steeds beter doorgronden daarvan.

Als het waar is dat taal heel veel bedoelingen heeft, wat is dan de bedoeling van taal binnen een bureau dat de bedoeling tot het brandpunt van zijn activiteiten benoemt, van Bureau de Bedoeling? Als het de bedoeling van dit bureau is omhet delen en produceren van kennis te transformeren tot een wederkerige activiteit, welke rol speelt taal daar dan in? Ik denk aan het volgende.

In kennisproductie als gezamenlijke onderneming zullen we het creatieve potentieel van taal moeten aanboren om te ontsnappen aan sjablonen en reflexen, aan betekenisloze rituelen en holle frasen. Dat kan lukken als we ons realiseren dat taal nieuwe werkelijkheid kan scheppen, nieuwe situaties tot leven brengen, ontspoorde verhoudingen kan herstellen en nieuwe handelingsperspectieven kan openen. Dat zijn zo maar wat verschillende bedoelingen die verborgen liggen in taal. Het gaat erom die steeds te ontdekken en wel in twee richtingen: ontdekken hoe taal kennelijk werkt (bewust zijn van) én ontdekken hoe we taal het werk kunnen laten doen (bewust inzetten van).

* Bewerking van presentatie startconferentie Bureau de Bedoeling op 27 september 2019.

Share
Posted in Filosofie | Tagged , | Leave a comment

Schrijven blijft schrappen. De afronding (deel 5)


De reacties van de proeflezers van Cicero leest Covey zijn binnen en ook de recensies. Het geheel overziende spreekt het onderwerp zéker aan maar valt er op de uitwerking nog wel het een en ander te verbeteren. De kritiek daarop was, ondanks de vriendelijke verwoordingen, bepaald pittig! Maar z’n ronde met proeflezers levert ook veel op

Wat je leert van een ronde met proeflezers

Dingen die je wel weet of kent van anderen ondervind je in zo’n ronde met proeflezers nu zelf aan den lijve. Je weet als schrijver dat je tekst (roman, essay, studie, …), zodra je die aan je lezer beschikbaar stelt, niet meer van jou is. De tekst is iets zelfstandigs geworden dat zijn eigen werk doet zonder dat jij als auteur daar nog invloed op hebt. Je hebt geschreven met jouw eigen keuzes voor bepaalde woorden en met jouw eigen associaties bij de betekenis van die woorden. Zodra de tekst zelfstandig is geworden en de deur uit gaat, gaat die zijn eigen weg. Al die mee-betekenissen bij de woorden die je als auteur hebt gekozen, die gaan niet mee, die blijven op de deurmat achter op het moment dat de tekst de drempel van je huis overgaat en de wereld in trekt. Als schrijver heb je het nakijken …

Ander perspectief. Lezers nemen zichzelf mee als ze iets lezen: een roman, een essay, een studie, … De lezer is geen blanco vel, geen lege bak waar woorden in worden gegooid. De lezer, elk lezer, is een persoon met een geschiedenis, iemand die opgevoed is, gevormd, onderwezen, die relaties heeft, die een vakspecifieke opleiding heeft genoten, die een beroep uitoefent. Iedere lezer draagt een rugzak met unieke ervaringen met zich mee in een samenstelling die alleen voor deze lezer bestaat. Met die persoonlijke bagage leest die lezer jouw tekst, jouw kopij voor een boek over retorica in populaire managementboeken. Het levert eens zoveel unieke leeservaringen op. Je leest de verschillen daarin terug in de commentaren en recensies. Je kunt er wat mee, je moet er wat mee, je wilt er wat mee, en je weet tegelijkertijd dat je niet met álles iets kunt.

Als schrijver weet je ook, dat je na de verschijning van het boek te maken zult krijgen met een nog grotere verscheidenheid aan reacties en leeservaringen.

In het, dit jaar met de Librisprijs bekroonde, boek De goede zoon van Rob van Essen is de hoofdpersoon een succesvolle schrijver van …  plotloze thrillers. Zijn succes wordt vooral veroorzaakt door dat plotloze karakter van die boeken die daardoor veel ruimte geven aan de verbeelding van de lezer. Bijgevolg gaan lezers vooral met elkaar in discussie over wat de plot van het boek is. De auteur hoeft dit alleen maar te faciliteren. Ik vond het een mooie vondst die sterk uitvergroot wat ik hiervoor bedoelde. Je hebt de relatie van de schrijver en zijn tekst en je hebt de relatie van de lezer en de tekst. De relatie van de schrijver met de lezer is van een andere orde.

Voor wie schrijf je?

En dan die vraag: ’Voor wie schrijf je? Wie is je doelgroep’. Verschillende proeflezers stelden hem. De vraag is een even terechte als dodelijke omdat in de vraag zelf besloten ligt dat er een afgewogen antwoord bestaat. Je schrijft, dan weet je toch voor wie je schrijft? Dat helder hebben voor je zelf, dat is toch iets waarmee je begint als je gaat schrijven? 

Voor velen is dit wellicht logisch, voor mij was het dat niet. Misschien ben ik naïef, maar mijn simpele antwoord was: ‘voor iedereen die het leuk vindt om te lezen’. 

Ik weet het: met dit antwoord bereik je geen lezers. Je kunt er qua marketing niets mee. Het klopt ongetwijfeld. Heldere doelen zijn levensnoodzaak geworden…. Iets doen louter en alleen omdat je het leuk vindt, anderen daar deelgenoot van maken in de hoop dat die het ook leuk/interessant/wetenswaardig/onthullend/vermakelijk/… vinden, het is niet voldoende.

Wie denk je dat je bent?

Er was geen proeflezer die vond dat ik een veel te grote broek aantrok toen ik dit onderwerp bij de kop pakte en uitwerkte in een boek. Dat niet, maar toch. Via een van de proeflezers kwam ik in aanraking met wetenschappelijke literatuur over de gedragingen van goeroes en over wat goeroes teweeg brengen bij managers. Echt heel interessant. Ik merkte dat ik snel geneigd was informatie daaruit mee te nemen in mijn verslag. Tot ik me realiseerde dat ik me daar juist veel bescheidener in zou moeten opstellen. Het is kennelijk een onderzoeksterrein waarop internationale experts met elkaar samenwerken. Dat alles tot me nemen zou niet alleen ondoenlijk zijn, het zou ook de misplaatste suggestie wekken dat ik tot die kring behoor. Het zou ook een zijlijn van mijn onderzoek tot (bijna) hoofdlijn maken. 

Bij wijze van ‘autocontrole’ (ik las ook dat woord in een van de onderzochte managementboeken) heb ik mezelf daarom een halt toegeroepen en me gefocust op het retorische format in populaire managementboeken die vooral door Nederlanders zijn geschreven in combinatie met een aantal succesvolle vertalingen van bekende goeroes. Op die manier ben ik weer dichter tegen mijn eigen bronnen aangekropen.

Afronding

Over dik een week gaat de kopij naar de vormgever. De redactie moet dan dus klaar zijn. Ik trek er hard aan, herschrijf, vereenvoudig, hak zinnen, schrap woorden. Opnieuw al weer meer dan 3000 (in totaal al meer dan 10.000 op de eerste versie). Ik hoop dat ik daarmee de proeflezers beloon voor hun constructieve inzet. 

Het is de bedoeling dat het boek begin november op de markt is. 

Wilt u tegen die tijd een digitale flyer ontvangen met allerlei informatie over het boek, wat het kost, hoe het te bestellen is, en zo meer, mail me dan (harmklifman@hotmail.com), dan zal ik u de flyer sturen. U kunt ook emailadressen doorgeven van personen waarvan u denkt dat die mogelijk ook interesse hebben.

Share
Posted in Boeken | Tagged , | 2 Comments

Eerst schrijven, dan schrappen, daarna verbeteren, vervolgens verhelderen, …. (deel 4)

In deze artikelen over de productie van mijn nieuwe boek ‘Cicero leest Covey’, ben ik inmiddels een aantal stadia verder. Op dit moment zit ik midden in de volgende fase: het verbeteren van de kopij op basis van de eerste feedback die ik van proeflezers ontving. Het levert zijn eigen dynamiek op.

Gemengde gevoelens

De eerste reacties van mijn proeflezers zijn binnen en die vervullen mij met gemengde gevoelens: ik word blij en trots van de reacties op het verhaal dat ik vertel en geneer me tegelijkertijd voor de grammaticale en tekstuele missers die er, ondanks alle leesrondes, toch nog in zijn blijven zitten. En dat voor een neerlandicus. Alleen al om deze reden is het nuttig om dat ik het manuscript door anderen heb laten lezen. Ik sus mijn gemoed met de constatering dat niet iedereen me op dezelfde grammaticale gebreken wijst (iedereen mist dus wel wat). Ik houd intussen wel mijn hart vast voor de reacties die nog komen gaan….

Wijs advies promotor

Toen ik begin 1983 de laatste hand legde aan mijn proefschrift in de letteren schakelde mijn promotor (een hoogleraar historische taalkunde van het Nederlands) in een late fase nog een copromotor in, een specialist op het gebied van neofilologie en neolatijn. Mijn eerste hoofdstukken kopij kreeg ik meer rood dan zwart van deze co-promotor terug. Dat was schrikken en niet zo’n beetje ook. Maar mijn promotor bleef de rust zelve en leerde me: voor opmerkingen van grammaticale en tekstuele aard kun je altijd dankbaar zijn, meestal zijn ze terecht. Echter, zodra iemand over de inhoud begint, moet je alert en scherp zijn. Ook dan kan de lezer gelijk hebben, maar dat hoeft niet. Het gaat dan niet om jouw tekst maar om jouw verhaal! 

Aan het werk

Terug naar mijn proeflezers tot nu toe: ze geven me niet alleen grammaticale en tekstuele opmerkingen terug maar ook inhoudelijke. En als ik die overzie, dan word ik terecht aan het werk gezet, zoals 

  • over de titels van verschillende hoofdstukken (zijn die voldoende dekkend voor de inhoud van de betreffende hoofdstukken? Klopt het appèl dat ik doe op de zintuigen wel met de tekst?), 
  • over de lengte van verschillende hoofdstukken en de behoefte aan enige gelaagdheid in de tekst, 
  • over de vele voorbeelden die ik geef uit allerlei populaire managementboeken: zijn het er niet teveel om de aandacht bij de rode draad in het verhaal te houden?
  • over de plaats van verschillende alinea’s in een hoofdstuk – dat soort zaken. 

De grote lijn blijft echter onweersproken. Pfffff.

Intrigerende vragen

Ook over die grote lijn las ik intrigerende vragen die me tot meer scherpte dwingen. Zoals de vraag: waar ben je precies op uit? Op het blootleggen van het retorische format dat aan populaire managementboeken ten grondslag ligt? Sec? Of wil ik de lezer ook vertellen wat ik persoonlijk van veel van dit soort boeken vind? Als dt laatste ook het geval is, moet ik daar niet duidelijker over zijn dan ik tot nu toe ben? En ja, het klopt, ik presenteer mijn verhaal over populaire managementboeken alsof ik daar als een archeoloog de retorische fundamenten van blootleg. En dat levert een belangwekkend resultaat op. Tegelijkertijd kan ik het niet nalaten om met lichte ironie te constateren dat sommige auteurs wel erg boude uitspraken doen of dingen beloven die ze absoluut niet waar kunnen maken. Ook zijn er onder hen die zich graag begeven op het vlak van wat René ten Bos eens soul engineering noemde: sleutelen aan de ziel van de manager.

Een andere intrigerende vraag is of het mijn bedoeling is om verder te gaan dan de lezer inzicht te verschaffen in het retorische format van populaire managementboeken. Schrijvers van managementboeken geven steevast aanwijzingen voor de praktische toepassing van hun praktijktheorie – is dat ook mijn bedoeling? En om nog een stap verder te gaan: is het boek niet zelf ook een handleiding geworden voor het schrijven van een populair managementboek?  

Volgende fase

Eerst schrijven, dan snel schrappen, daarna ‘darlings killen’ en nu dan mijn tekstuele blunders corrigeren én de helderheid van mijn verhaal bevorderen – want kennelijk kan dat op een aantal plaatsen beter dan wat er nu staat. Dat gaat lukken. Nee, dat moet lukken. Ik neem er de maand september voor. De maand oktober is bestemd voor vormgeving. In november is het boek dan leverbaar via printing on demand. Aldus de planning.

Survivaltraining

Terwijl ik daar mee bezig ben, bereid ik andere zaken voor, zoals de workshops die ik wil geven op basis van het boek. Ik heb ook al een werktitel: ‘Hoe overleef ik een managementboek!’ Met als ondertitel: ‘Ontvang een tiendelig survivalpakket en volg je eerste training’ . Ik zie het al helemaal voor me: de deelnemers nemen elk hun eigen lievelingsboek op het gebied van management mee en gaan dat stapsgewijs te lijf met de tools uit hun overlevingspakket. Spreekt dit idee u aan?

Share
Posted in Boeken | Tagged , | Leave a comment

Is schrijven wel schrappen? (deel 3)

Ik heb zojuist de ‘schrap-fase’ in de productie van Cicero leest Covey afgerond.De teller staat op: 68.472 woorden, dat wil zeggen een resultaat van -/- 8000 woorden. Is schrijven wel schrappen zoals ik in de twee voorgaande afleveringen van deze mini-serie beweerde? Ik constateer dat het moeilijk was om te focussen op schrappen terwijl zich steeds weer nieuwe ideeën bleven aandienen. Gaat het alleen om schrappen of ook om mezelf in toom te houden en niet meer te schrijven? In deze aflevering wat nieuwe oprispingen.

Visueel beeld

Ik besprak een paar dagen terug de stand met een schoonzoon. Die adviseerde me om de tekst voor de volgende kritische ronde in een ander lettertype en een andere lettergrootte te zetten. Dan ziet die er weer even anders voor je uit. Ik heb dit gedaan en ja, het werkte. Ik kwam weer aardig wat ongerechtigheden tegen.

Oefening in stijlleer

De oxymoron, de compositie van twee woorden die elkaar semantisch in hun letterlijke betekenis uitsluiten. Bekend voorbeeld: zee en land: Zeeland.  Ander leuk voorbeeld: koudvuur, kindvrouwtje. Wat gebeurt hier eigenlijk precies?

Het oxymoron is een stijlfiguur die ik tijdens mijn middelbare schooltijd niet heb meegekregen en die ik me ook (en zelfs?) niet herinner uit mijn studie Nederlands. Deze stijlfiguur is, als ik het goed heb, in onze dagen in opmars. Velen raken erdoor gefascineerd. En niet voor niets: het is een intrigerend stijlfiguur.

De oxymoron is een voorbeeld van de meeromvattende stijlfiguur antithese, de tegenstelling dus. De antithese kan twee kanten op, die ik aanduid als ‘naar beneden’ en ‘naar boven’. 

Als de antithese naar beneden beweegt, ontstaat de contradictio in terminis, een combinatie van woorden die het etiket ongewenst meekrijgt omdat de termen elkaar zodanig tegenspreken dat niet langer sprake is van betekenis. De contradictio in terminis als non-betekenis – maar die combinatie heeft zelf weer alles van een contradictio in terminis.

Als de antithese naar boven beweegt, ontstaat er een sprankelend nieuwe betekenis. Er is in dat geval sprake van semantische dialectiek en in de praktijk kan zich ook een ontologische dialectiek voordoen, zoals in het geval van ‘Zeeland’. 

Subject of object?

Grensverleggend leiderschap is de titel van een van de circa 80 managementboeken die in Cicero leest Covey worden besproken. Die titel houdt me bezig. Er is iets raars mee.

Het woord ‘grensverleggend’ is bijvoeglijk naamwoord bij ‘leiderschap’- zoveel is wel duidelijk. Het zegt iets over dat leiderschap. Maar wat dan precies? 

Betekent het dat het leiderschap subject is van het grenzen verleggen? De actor zogezegd? Leiderschap dat grenzen voor collega’s verlegt of dat de grenzen van de organisatie verlegt en daarmee prestaties mogelijk maakt waarvan voorheen alleen gedroomd kon worden? 

Of is het leiderschap zelf object van het verleggen van grenzen waardoor het leiderschap zich (door)ontwikkelt tot ongekende hoogte, met consequenties voor de organisatie waarin dat leiderschap figureert?

Grappig, dit soort epitheta zijn bedoeld als verheldering maar geven vervolgens te denken.

Cicero las ook Plato

Vandaag bedacht ik me dat een dergelijke subtiele kanttekening op meer situaties van toepassing is. Ik ga daar binnenkort op LinkedIn in een reactie een keer gebruik van maken.  

Wie zich verdiept in de vroegste periode van de retorica stuit binnen de kortste keren op de controverse tussen Plato en de sofisten, de eerste retorica-leraren in de antieke Griekse wereld met opkomende democratieën. Ik wijd daar in Cicero leest Covey ook een paar alinea’s aan omdat deze controverse nog eeuwen nagalmt en ook relevant is voor de interpretatie van populaire managementboeken. Interessant is de opmerking die Cicero eeuwen later over deze controverse maakt. Haarfijn signaleert hij dat Plato in zijn afwijzing van de kunst van de retorica zich juist een meester daarin betoont. Dat kan dus.

Welluidende maar vage metaforen

Auteurs van populaire managementboeken zijn echte vertellers en maken graag gebruik van metaforen, beeldende taal. Dat doen ze vaak en goed. Alleen, er kleeft wel een bezwaar aan: hoe mooier hoe vager. Ik geef wat voorbeelden die ik ontleen aan een ander boek van Stephen R. Covey, de auteur van De zeven eigenschappen van effectief leiderschap, namelijk 4 Managementprincipes voor gegarandeerde resultaten. Hierin las ik onder meer de volgende beeldspraken: 

– ‘eilanden van excellentie benoemen’ d.w.z. ‘uitblinkers die beduidend beter presteren dan het gemiddelde’ (pag. 35)

– ‘op ‘reset’ drukken’: de organisatie afstemmen op de waarde voor de klant’ (pag. 76)

– ‘de economische recessie veroorzaakt een psychologische recessie die nog verder ondermijnt.’ Bedoeld wordt: angst en onzekerheid (pag. 83)

– ‘de wortel van de angst’ (pag. 89)

Het zijn stuk voor stuk metaforen die tot de verbeelding spreken, dat zeker. Ze missen evenwel precisie. Ze hebben een evocatieve functie: ze roepen iets op, maar vraag niet door wát ze precies oproepen. En het is juist die onbepaaldheid die bijdraagt an het succes van populaire managementboeken 

Eerdere afleveringen in deze mini-serie over de afronding van het boek in wording Cicero leest Covey verschenen als artikel op LinkedIn en op deze site.

Share
Posted in Boeken | Tagged , , , | Leave a comment

Schrijven is schrappen (deel 2!)

Het is vijf dagen later en ik ben 6.500 woorden lichter. Dat lijkt misschien veel maar op een bestand van aanvankelijk 76.500 woorden is dat nog geen 10%. Ook begin ik last te krijgen van de wet van de verminderde meeropbrengst. De snelle winst heb ik nu wel achter de rug, het komt nu aan op echte keuzes maken. Kiss your darlings dus. Ik neem er nog een dag of tien voor, dan moet het klaar zijn en kan  de kopij naar de proeflezers. Ondertussen gebeuren er wel interessante dingen met je als auteur.

Kunstgreep

Toen ik eind juni een workshop over mijn boek in wording mocht geven, maakte iemand me erop attent dat ik het woord ‘truc’ gebruikte: schrijvers van populaire managementboeken die trucjes gebruiken om bij de lezer binnen te komen of om die te overtuigen, retorische ‘kunstjes’. Dat woordgebruik suggereerde volgens een van de aanwezigen dat ik het niet zo op heb met auteurs van managementboeken. Leerzame feedback. Gisteren realiseerde ik me dat als een auteur een regel uit de ars rhetorica toepast, dat dan sprake is van een ‘kunst-greep’, maar dan zonder tussenstreepje. Dan klopt het weer wel. Grappig, dit woord ‘kunstgreep’ kreeg opeens betekenis voor me.

Werkende momenten

Dat moment van realisatie vond plaats tijdens een rondje hardlopen. Hardlopen en trouwens ook saunabezoek zijn voor mij activiteiten die buitengewoon scheppend werken. Daarom neem ik naar sauna’s altijd pen en papier mee om aantekeningen te maken. Leuk om te ontdekken ‘wat werkt’. 

Exit veel ondertitels

Populaire managementboeken hebben altijd een titel en een ondertitel. Beiden vervullen onderscheiden functies. Ik schreef daar eerder over. Daarom nam ik tijdens het schrijven van het boek beide in de tekst op. Nu ik toch moet/wil schrappen, levert dat veel extra, niet altijd functionele tekst op. Schrappen dus, die ondertitels. 

Halve marathon

Wat me intrigeert is het proces dat je al onderzoekend en schrijvend doormaakt. Je begint met lezen, veel lezen. Populaire managementboeken en studies over managementboeken. Vooral door de laatsten nam ik bepaalde interpretaties van managementboeken tot me. Aan de ene kant wil ik die heel serieus nemen, aan de andere kant zegt mijn intuïtie me dat er ruimte is voor een eigen perspectief. Maar dat was (en ben) ik nog aan het ontwikkelen. Mijn intuïtie vult dat niet voor me in, die maakt me alleen attent op een mogelijkheid. Of die mogelijkheid voldoende potentie heeft om ontwikkeld te worden hangt af van mijn eigen denkkracht, van creativiteit, van risico’s nemen, van open staan voor nieuwe informatie, van eigen oordeelsvorming.  Vooral dat laatste. Er zijn dagen dat ik hier net zo moe ben als van het lopen van een halve marathon. 

Snel en Snuffel

Een aantal keren vat ik een populair managementboek heel kort samen. Bijvoorbeeld de bestseller Wie heeft mijn kaas gepikt? met in de hoofdrol de muizen Snel en Snuffel. Kan ik dit boek, dat een voorbeeld was voor veel andere auteurs, ook bespreken zonder de samenvatting? Ja dus. Schrappen maar.

Dubbel

Ik merk dat ik een stukje over het boek 4 Managementprincipes voor gegarandeerde resultaten op twee plekken in het boek gebruik. Voor verschillende doeleinden natuurlijk en niet zonder reden, maar toch. Eenmaal schrappen dus. Zegt intussen wel iets over Covey. Toch?! Zijn Zeven eigenschappen etc. is natuurlijk alom bekend en geniet bij velen grote waardering. Maar in 4 Managementprincipes maakt hij het wel erg bont.

Antithese

Auteurs maken graag gebruik van de stijlfiguur antithese, de tegenstelling dus. Dat zal niet verwonderen. In hun boek gaat het er altijd om dat managers ergens weg moeten en ergens anders naar toe moeten. Het ‘van .. naar.. ‘-schema is dan ook erg populair. Zo ook de tegenstelling, met twee kolommentabellen om zaken lekker inzichtelijk en toegankelijk neer te zetten. Ik merk dat ik er teveel heb in de kopij en moet enkele voorbeelden schrappen. Maar het schema ‘plakker versus pakker’ en het schema ‘ontwerpbenadering versus ontwikkelbenadering’laat ik staan. 

Watzlawick

Een van de auteurs, ik zal zijn naam niet noemen, presenteert de oneliner “Je kunt niet niet communiceren” zonder verwijzing naar (voorzover mij bekend) ‘het gezicht van deze uitspraak’, Watzlawick. Ik vermoed dat het een bewuste keuze is van de auteur om deze verwijzing achterwege te laten, maar de gedachtengang erachter kan ik niet verzinnen. Schrappen maar.

Oxymoron

Matthew Steward gaat in zijn boek De Managementmythe onder meer in op een opmerking van Mintzberg over het idee van strategische planning van Ansoff: ‘De term ‘strategieplanning’ is uiteindelijk een oxymoron gebleken.’ (in The rise and fall of strategic planning samen met Robert Waterman). Ik bespreek wel de oxymoron – ook een variant van de stijlfiguur antithese en wel een heel speciale. Je combineert twee worden die elkaar uitsluiten en er ontstaat een nieuw woord met een nieuwe betekenis. Standaardvoorbeeld: Zeeland. Zelf vind ik ‘basalt’ een mooie, al is hier ook sprake van polysemie.

Share
Posted in Boeken | Tagged , , , , | Leave a comment

‘Schrijven is schrappen’ (deel 1?)

Gisteren heb ik een punt gezet. Ik wil een volgende fase in met mijn boek over retorica in populaire managementboeken dat ik voorlopig de titel Cicero leest Covey meegeef. Geen nieuwe artikelen of boeken meer. Met wat ik aan materiaal heb verzameld en geordend ga ik het doen. Anders kom ik niet toe aan de volgende fase van mijn boek in wording: het schaven en polijsten. 

Wie o wie?

Van wie was ook al weer de uitdrukking: ‘schrijven is schrappen’? Ik google. Iemand zegt dat het Godfried Bomans was, een ander noemt Jeroen Brouwers. Zelf leefde ik tot vandaag in de vage veronderstelling dat het Edgar du Perron was. Maakt niet uit. Schrijven blijft schrappen.

Ik heb op dit moment 172 pagina’s tekst A4  formaat, 12 punt letter. Geen idee op hoeveel pagina’s gedrukt boek dat uit gaat komen maar ik veronderstel eerder meer dan minder. Dat wil ik vermijden. Anders wordt het een te duur boek en minder aantrekkelijk voor potentiële kopers, verwacht ik. Schrijven is dus inderdaad schrappen.

Exit bijlagen

Gelijk neem ik een aantal concrete beslissingen. Ik schrap een bijlage met websites over hulp bij het schrijven van een managementboek. Kan iedere geïnteresseerde lezer ook zelf googelen. Ook schrap ik een lijst met bekroonde managementboeken van het jaar. Kan iedereen ook zelf van managementboek.nl plukken. En ik delete een twee pagina’s tellend overzicht van internationaal befaamde managementboeken van de laatste 100 jaar.  Min of meer synoniem van schrappen is ‘kill your darlings’ – alleen iets heftiger qua betekenis. Zover ben ik echter nog niet want deze bijlagen waren niet mijn darlings. 

Ik begin met het herlezen van wat er nu ligt. Dat kan nog een dag of veertien, dan gaat het concept boek naar mijn proeflezers.

Titel en ondertitel

In de bovengenoemde gidsen voor het schrijven van een managementboek wordt er steevast op gewezen dat je met een pakkende titel en ondertitel moet komen. Over de titel, Cicero leest Covey, ben ik tot op heden wel tevreden, maar elke betere suggestie is welkom. ‘Cicero’ staat natuurlijk voor de traditie van de retorica, ‘Covey’ voor die van het populaire managementboek. Over de ondertitel ben ik minder zeker. Die luidt op dit moment: Het lezen van een managementboek zal nooit meer hetzelfde zijn. Ik sta open.

Minder methodologische verantwoording

In de inleiding maak ik melding van een vooronderzoekje naar vijftien populaire managementboeken waarmee ik ben begonnen. Dat onderzoekje bevestigde mijn intuïtie dat ik goed zat: er zit veel retorica in populaire managementboeken en die laat zich inderdaad goed analyseren vanuit de klassieke leer van de retorica. Maar is de beoogde lezer geïnteresseerd in deze quasi-methodologische verantwoording? Ik verwacht het eigenlijk niet. Kan dus weg.

Vico sneuvelt

In een lang hoofdstuk over de metafoor, het troetelkind bij uitstek van auteurs van populaire managementboeken, heb ik een passage overgenomen uit een boek van de Nederlandse filosoof René ten Bos over het boek van Gareth Morgan, Images of organizations. Dit is een interessant boek omdat het voor het eerst spreekt over organisatieculturen in termen van metaforen. In de  bedoelde passage spreekt Ten Bos over een lyrische benadering van management in de lijn van de 18de eeuwse filosoof Vico. Vico ken ik uit mijn studie filosofie. De opmerkingen van Ten Bos over Vico spreken mij zeker aan maar ik ben bang dat het te ver van het bed van de meeste lezers zal zijn, en zal blijven. Kan er dus uit.

Roland Barthes promoveert

Ik stuit bij herlezing van hetzelfde hoofdstuk over metaforen op een citaat van Roland Barthes uit Het plezier van de teksten ach, dit is te mooi om hier te laten verzinken in een heel groot hoofdstuk. Ik licht het citaat eruit en promoveer het voorlopig tot het motto van het boek waarmee het een prominentere plek krijgt, nog voor de inhoudsopgave. Vico exit, Barthes stijgt in de ranking.

Barthes refereert in dit citaat aan een tekst van Friedrich Nietzsche. Ook van die filosoof heb ik daarom een passage opgenomen. Moet die weg nu Barthes is gepromoveerd? Maar even mee wachten. 

Managementmode is ook metafoor

Sommige inzichten komen wat later. Zo realiseer ik me opeens dat niet alleen managementgoeroes en in hun spoor schrijvende adviseurs metafoorgevoelig zijn. Wetenschappers zijn dat ook. Wat er in de wereld van de populaire managementboeken gebeurt wordt door wetenschappelijk onderzoekers en filosofen vaak vergeleken met wat in de modewereld gebeurt. De wereld van de mode als heuristisch vergelijkingsmateriaal om inzichten over managementontwikkelingen te verkrijgen. Het levert inderdaad een hoop interessante inzichten op! Het roept gelijk de vraag op: ‘welke (andere) metafoor zou tot weer andere inzichten leiden?’

Kennis verzamelen en inzichten verkrijgen: het zijn buitengewoon metafoorgevoelige activiteiten.

Share
Posted in Boeken | Tagged , , | Leave a comment

Zes redenen waarom ik plogger ben

Vandaag wordt het misschien we de warmste dag van het jaar – niet direct een dag voor een stevige hardlooptraining. Maar plogging kan altijd, je weet wel: je looptraining combineren met het verzamelen van zwerfvuil. Handschoenen aan en lege vuilniszak mee. In verband met het weer kies ik voor de lichtste variant: dribbelen in de schaduw, stevig wandelen in de zon. En tussendoor steeds bukken om te rapen. Mijn parcours van de dag? Stukje Bremerbergbos, Standgaperpad en langs de Spijkweg weer terug naar bungalowpark De Bremerberg in Biddinghuizen, onze vaste vakantieplek.

Waarom ik plogger ben?

  1. De provinciale Spijkweg is de aanrijroute naar Walibi en naar het evenemententerrein van Biddinghuizen dat onder meer voor Defqon en Lowlands wordt gebruikt. Een weg dus met dagelijks veel weggebruikers. Het is aan de bermen te zien. Blikjes, plastic flessen, papieren zakdoeken, lege sigarettenpakjes, te veel om op te noemen. Ik vind die vervuilde bermen gewoon een foeilelijk gezicht. Zo ben ik wel blij met het toenemend aantal zilverreigers in het groen langs de weg maar aan het wit van papieren zakdoeken heb ik een grondige hekel.
  2. Veel van het zwerfvuil zoals de genoemde blikjes en plastic flesjes, verdwijnt niet vanzelf. Papieren zakjes verteren nog redelijk snel maar dat kan van het meeste zwerfvuil niet gezegd worden. Dat blijft een eeuwigheid liggen voor het als ongewenste troep is opgenomen in de bodem.
  3. Bermen worden regelmatig gemaaid en het gras wordt opgehaald om te worden gebruikt als veevoer. Dit betekent dat er heel vaak vermalen blikjes in het gedroogde gras blijven hangen die meegaan naar koeien. Ik zag foto’s van koeienmagen die ernstig verwond waren geraakt door de scherpe punten aan deze blikresten. Dit dierenleed kan eenvoudig worden voorkomen. Overigens hebben ook de maaiers hier een taak, lijkt me.
  4. Een schoon milieu is een verantwoordelijkheid van iedereen, dus ook van mij. Ik voel mij aangesproken door dit zwerfvuil en zie het opruimen ervan als mijn maatschappelijke bijdrage aan een schoner milieu. Een schoon milieu begint bij jezelf.
  5. Tijdens mijn opruimacties passeren er heel veel auto’s richting Walibi, met name op de Spijkweg. Vanmorgen werd mij door openstaande ramen toegeroepen ‘goed bezig!’ Die hadden het al begrepen. Ik hoop dat dit ook gaat gelden voor veel andere weggebruikers. Hopelijk breng ik vervuilers op andere gedachten.
  6. Ik weet dat heel veel mensen door het opruimen van zwerfvuil bijdragen aan een schone omgeving. Velen houden hun straat of plantsoenen zelf schoon. Voor buitenwegen, bospaden en landweggetjes is dit minder vanzelfsprekend. Ik hoop dat ook andere hardlopers en hardloopgroepen regelmatig hun trainingen vullen met het schonen van hun vaste trainingsrondjes. Waarom zouden ze niet, he? 

Toen ik er vanmorgen twee kilometer op had zitten, passeerde ik het onderkomen van Staatsbosbeheer aan de Spijkweg/Strandgaperpad.  Een mooie gelegenheid om de zak tussentijds te legen. Daarna nog vijf kilometer te gaan met een volle zak als resultaat.

Share
Posted in Lopen | Tagged , , , | Leave a comment

Leren van presenteren

Vrijdag 28 juni 2019 verzorgde ik een workshop over het onderwerp van mijn boek in wording: retorica in populaire managementboeken. Ik mocht te gast zijn bij C3 Adviseurs en Managers in Leusden, een klein en deskundig bureau dat vooral actief is in de gezondheidszorg. Ik had opnieuw de ervaring dat presenteren tijdens het schrijfproces heel nuttig is. Waarom? Dat leg ik uit in dit blog.

De eerste versie van mijn boek is wel zo’n beetje klaar. Ik heb het verzamelde materiaal in 10 hoofdstukken onderverdeeld en ook binnen elk van de hoofdstukken is het materiaal al goed geordend. Op verschillende plekken heb ik een opmerking geplaatst dat daar een paragraaf nog verder uitgewerkt moet worden en er zitten met name op het filosofische deel nog een paar witte vlekken waar ik wat meer tijd voor nodig heb. Maar hoe dit zij, er zijn flinke stappen gezet, zoals dat wel genoemd wordt. Ik ben me tenminste al aan het oriënteren op de manier van uitgeven: helemaal via een uitgever of langs andere weg, zoals in eigen beheer en/of volgens ‘printing on demand’. Zeker als ik kies voor een uitgever, moet ik rekening houden met ‘dealen’ over inhoud en vormgeving. Dat merk ik dan wel. Die workshop dus, wat voegt die toe aan het schrijfproces?

Een verhaal schrijven is echt iets anders dan een verhaal vertellen. Schrijven doe je in je eentje met een denkbeeldige lezer voor ogen…. Maar vaak in eerste instantie ook niet, dan ben je alleen op de stof georiënteerd, om die goed te verwoorden. Die lezer komt in tweede instantie wel weer over de schouder meekijken, op het moment van herschrijven om te polijsten.

Iets presenteren is voor mij ook een check of ik een verhaal goed kan vertellen en dat goede vertellen is dan een check op het goede begrijpen, of beter: beheersen. Ik had al gemerkt dat als ik iemand vertel waar ik mee bezig ben in dit boek, dat ik dat dan niet alleen aan die ander uitleg maar ook aan mezelf. Ik leer van het vertellen erover. (Ik begrijp de opmerking van die ene predikant wel die zei dat als hij  preekt, die preek ook tot hemzelf gericht is. Ik vermoed dat het daarbij om meer ging dan alleen begrijpen.)

Op het scherm twee bestsellers

Bij een presentatie is de situatie anders dan hij schrijven. Je publiek zit pal voor je – de communicatie verloopt heel direct, zeker in een klein gezelschap waar mogelijkheden zijn om onmiddellijk te reageren. De boodschap van het verhaal verdraagt veel minder of helemaal geen onnodige uitwijding. Kortom, bij de voorbereiding, tijdens het klaarmaken van de PowerpointPresentatie, is het belangrijk de statements helder te verwoorden. PPT leent zich daar goed voor. Ik heb, in lijn met mijn boek, ervoor gekozen om te betogen dat een retorische analyse van populaire managementboeken ons kan helpen te begrijpen wat er in deze boeken gebeurt en om te begrijpen waarom ze zo veel gekocht (en mogelijk gelezen) worden. Een verdiepende laag vraagt vervolgens naar de culturele achtergrond van deze verklaring. (En ja, in het achterhoofd sudderen de voorschriften uit de klassieke retorica – het gaat immers om een speech, zij het met interactie. ik houd me er niet expliciet aan maar merk dat ze op de achtergrond aanwezig zijn.)

De presentatie/workshop leverde een aantal interessant en onverwachte leermomenten en feedback op. Om met dat laatste te beginnen: een van de deelnemers vroeg na een half uur/drie kwartier wat ik zelf eigenlijk precies vind van al die populaire managementboeken. Als toelichting worden mijn woorden aangehaald waarin ik het heb over ‘retorische trucjes’. Dat zou kunnen suggereren dat ik deze boeken associeer met manipulatie. Als reactie licht ik mijn ambivalente gevoelens en oordelen bij deze boeken toe. Evaluerend leert het mij dat ik er verstandig aan doe om aan het begin van mijn presentatie daarvan melding te maken en niet halverwege, wanneer daar naar gevraagd wordt. Ik kan beter direct vertellen waar ik sta. Dat ga ik voortaan dus anders doen.

Ander leermoment: juist doordat ik de vorm heb gekozen van een workshop waarin ook gespreksvragen zijn opgenomen om het verhaal te verbinden met de persoonlijke ervaringen van de deelnemers als adviseur en/of manager, juist door deze werkvorm worden mij interessante inzichten aangereikt die anders aan mijn aandacht zouden zijn ontsnapt. En ik hoor andere woorden, beelden, metaforen – andere dan ik zelf geneigd ben om te gebruiken en die ik graag in dank aanvaard. Een mooie vind ik het idee dat populaire managementboeken helaas ‘geen bijsluiter’ meeleveren. Deze boeken bevatten in de regel een universele formule voor succes op een bepaald terrein (effectiviteit, leiderschap, komaan met weerstand, rijkdom,…), en maken maar zelden uitvoerig melding van mogelijke complicaties en ongewenste bijverschijnselen. Ook lees je niets over het gegeven dat organisaties van elkaar verschillen zoals ook allerlei sectoren van elkaar verschillen waardoor de diversiteit in de regel groter is dan de toepassing van de universeel toepasbare succesformule het doet voorkomen. 

Leerzaam is ook de opmerking dat managers vast niet alleen leren uit populaire managementboeken en het bezoeken van seminars daarover. Hun mogelijkheden om zich te voeden met relevante inzichten en ervaringen zijn aanzienlijk groter. Dat speelt mee in hun waardering voor deze boeken, waaronder hun relativering van de boodschap erin. Goed om dit te beseffen. Inderdaad, voor je het weet lijd je aan blikverenging en denk je dat alles dit om een boek.

Veel populaire managementboeken gaan niet over hoe effectief bedrijfsresultaten worden bereikt (zoals bij het begin van dit genre meestal het geval was) maar over persoonlijke ontwikkeling en groei als manager. Denk aan boeken over leiderschap, over omgaan met weerstand en dat soort onderwerpen. Iemand maakte de opmerking dat die aandacht voor de individuele persoon en van die persoon voor zichzelf, wel eens te maken kon hebben met de automatisering: het feit dat je als werkende geen anoniem en vervangbaar wezen bent maar iemand met een persoonlijk e-mailadres en met persoonlijke inlogcodes op het bedrijf (en een Facebook account enzovoorts). Je bent niet langer een werknemer met een nummer, maar een uniek individu met een eigen identiteit. Dit was voor mij een geheel nieuwe associatie bij die interesse in persoonlijke ontwikkeling.

Iemand merkte op dat er veel belangstelling is voor boeken over feiten, over onomstreden waarheden. Er gaat zo verschrikkelijk veel informatie en non informatie door de digitale snelweg dat we niet langer weten wat waar is en wat niet. We zijn er in elk geval van doordrongen dat absolute waarheid niet bestaat, maar wel veel kleine waarheden. Die willen we vinden tussen alle fake news-berichten.

Aristoteles (Wikipedia)

Voor Aristoteles, de eerste serieuze theoreticus van  de retorica, was het wel duidelijk. Retorica is niet bedoeld om een ander iets op de mouw te spelden. Wat dat betreft was hij het met zijn leermeester Plato eens. Ook van een begaafd spreker, naar wie het aangenaam luisteren is, mag worden verwacht dat hij je geen appels voor citroenen verkoopt. De grote namen in de traditie van de retorica, zoals Aristoteles, Cicero en Quintilianus hebben altijd betoogd dat het morele karakter van de spreker ertoe doet, niet alleen omwille van zijn geloofwaardigheid of authenticiteit, maar gewoon, als bewijs van een hoogstaande ontwikkeling. Zijn ethos dient boven elke twijfel verheven  te zijn.

Dit brengt mij op een laatste opmerking die werd gemaakt tijdens de workshop: zou het goed zijn als er een Kema-keur voor managementboeken kwam? Grappig idee, maar toch maar niet doen.

Presenteren tijdens het schrijfproces? Doen! Het scherpt het denken, het bevordert het communicatieve karakter van je verhaal én het levert interessante en nuttige feedback op.

Share
Posted in Filosofie | Tagged , , | 2 Comments

Snoepjes voor de ogen

Goeroes – en in hun spoor adviseurs en consultants –  houden van mooie plaatjes. Ze zijn gek op grafische voorstellingen waarin in één oogopslag is samengevat waar het om te doen is. Wie kent ze niet: de Roos van Leary, het Jahori venster, de kernkwadranten van Offman, en de pyramide van Maslov. Of denk aan het schema waarin Stephen Covey zijn zeven eigenschappen van effectief leiderschap bijeenbrengt. Deze visualisaties vatten niet alleen samen, ze ondersteunen ook het geheugen omdat ze gemakkelijk zijn te onthouden.

In zijn boek De Managementmythe noemt Matthew Stewart de figuren die goeroes gebruiken ‘snoepjes voor de ogen’ – niet alleen een beeldende aanduiding maar ook uiting van een fijn gevoel voor communicatie. Immers, goeroes beoefenen een heel eigen soort communicatie, een die afwijkt van wat wetenschappers doen. 

Wetenschappers 

Wetenschappers volgen strenge procedures en methoden in hun onderzoek. Elke stap die ze zetten moet logisch te verantwoorden zijn en appelleert om die reden alleen al aan het criterium ‘rationaliteit’. Als ze figuren gebruiken dan is dat om relaties te visualiseren, bijvoorbeeld die van een onderzoeksopzet of die van oorzaak en gevolg. Zulke figuren treden in de regel niet buiten de kaders van het verhaal waarin ze zijn geplaatst. Het zijn adstructies van wat in veel woorden wordt uitgelegd. De figuren van de wetenschapper blijven ingekaderd in de eisen van de rationaliteit. Iedere onderzoeker is zich ervan bewust dat zijn visualiseringen inperkingen zijn van de complexe werkelijkheid, reducties van de volheid die eigen is aan het leven.

Goeroes en adviseurs

Goeroes en adviseurs die populaire managementboeken schrijven, hebben een andere manier van communiceren. Ze voelen zich minder of helemaal niet gebonden aan de strenge procedures en methoden van de wetenschap. Zij ontlenen hun praktijktheorieën niet alleen aan de resultaten van wetenschappelijke arbeid maar ook aan andere kenbronnen zoals wijsheidsleraren en succes-stories uit hun eigen adviespraktijk. Ook spreken zij in hun boeken en seminars andere menselijke kenvermogens dan de ratio aan. Ze appelleren vaak op emoties bij de lezer, bijvoorbeeld op latente angsten of op behoeften aan succes. 

Figuren zijn in hun praktijk bedoeld als geheugensteun en als didactisch hulpmiddel. De semantiek ervan is meestal niet gebonden aan nauw omschreven begrenzingen zoals in de wetenschap. Integendeel, de modellen die zij presenteren worden juist geprezen om hun universaliteit, hun algemeen toepasbaarheid op of in welke situatie dan ook. Tijdens mijn onderzoek naar retorica in populaire managementboeken ben ik een hele galerij van figuren (sjablonen) tegengekomen. Ik hoop hierover in de loop van dit jaar een boek te publiceren.

‘Deugdelijkheid’ wordt ‘Kwaliteit’

Het zal een jaar of 25 -30 geleden zijn geweest dat ik in mijn hoedanigheid van adviseur ook eens een figuur heb ontwikkeld, een visueel beeld in combinatie met een andere succesformule, die van cijfer X letter. 

Mijn figuur was niet de samenvatting van mijn praktijktheorie maar die praktijktheorie zelf. De aanleiding was dat ik enige helderheid wilde scheppen in waar het in het maatschappelijk debat over kwaliteit (i.c. van onderwijs, maar ook elders) ten principale om te doen was. Dat debat liep op dat moment een jaar of tien en er was, naar mijn idee, behoefte aan scherpte. Tot 1981 werd er nooit over de kwaliteit van het onderwijs gesproken – het ging tot dan alleen over ‘de deugdelijkheid’ van het onderwijs, een mooi grondwettelijk woord. Toenmalig minister van Onderwijs, de liberaal dr. A. Pais was de eerste die het gesprek over de toestand van het onderwijs van nieuwe sleutelwoorden voorzag. ‘Kwaliteit’ is sindsdien het dominante begrip. Maar ja, wat is dat: ‘kwaliteit’? Het debat ging aanvankelijk alle kanten op. Vandaar het idee om daarin enige convergentie te brengen. Kortom, ik zocht naar een figuur, naar een snoepje voor de ogen, dat dat zou kunnen schenken en kwam op ‘de zandloper’.

Cijfer maal Letter

Kenmerkend voor een zandloper is dat die bestaat uit twee gelijke delen die met elkaar verbonden zijn door een halsje. Typerend is ook dat de zandloper kan worden omgekeerd zodat de stroom van zoutkorrels (of zit er fijnzand in?) de andere richting opgaat. Een mooie, gelijkwaardige relatie van twee gelijke delen.

In ‘mijn’ zandloper stond de uitwisseling van informatie tussen een schoolbestuur en een school centraal. Informatie vanuit de school naar het bestuur vatte ik samen in de ‘4 K’s van de school’:

Kwaliteit: onderwijsopbrengsten, breed opgevat, dus onderwijskundig, pedagogisch en levensbeschouwelijk.

Kwantiteit: ontwikkeling van het leerlingental en andere relevante data.

Kollega’s: inzet personeel, ziekte, scholing/begeleiding, coaching en dergelijke.

Kosten: exploitatiecijfers, lange termijn financieel beleid.

De informatie die de school over deze ‘4 K’s’ doorsluist naar het bestuur zijn samen te vatten in één term: verantwoording.

De ‘V’ van ‘verantwoording’ is de verbindende schakel naar de informatiestromen die in de omgekeerde richting lopen van bestuur naar het team van onderwijsgevenden. Deze vier stromen vatte ik samen als de ‘4 V’s van het bestuur’:

Visie: wat wil het bestuur met de school/scholen? Wat is de maatschappelijke functie van de school?

Verlangens: het bestuur ‘zeeft’ de vele maatschappelijke claims op de school. M.a.w. het bestuur selecteert in samenspraak met de school en geeft op die manier rugdekking aan het team. 

Verankering: het bestuur bewaakt de verankering van de school in de directe maatschappelijke omgeving van de school; ouderparticipatie.

Vertrouwen: het bestuur staat voor en achter het team, geeft vertrouwen, rugdekking, en is het hitteschild van de school – het antwoord op de ‘verantwoording’ vanuit de school.

De ‘4 K’s van de school’ en de  ‘4 V’s vanuit het bestuur’ lopen niet ongecensureerd heen en weer: daar zit een schakel tussen: de schoolleider. Hij of zij is het halsje in de zandloper waarlangs alles passeert. Reden genoeg om eens nauwkeuriger naar dat halsje te kijken. Wat stelt dat halsje precies voor? Dat halsje is het geheim van de zandloper zelf!

Het geheim van de zandloper

Het geheim van het halsje in de zandloper is: de tijd – de essentie immers van de zandloper. En de regisseur van die tijd is de schoolleider. Die schakelt de hele tijd tussen vier dimensies van de tijd. Zo ontstaan de ‘vier T’s van de schoolleider’:

Timing: het op het juiste moment aan de orde stellen van zaken.

Tempo: het tempo van processen vaststellen: hoe regisseer je beweging zonder de onderwijsgevenden over de kling te jagen?

Tijdgeest: gevoel voor de eisen die deze tijd stelt aan goed onderwijs.

Terugtred: de dynamiek van de tijd even stilzetten zodat er tijd ontstaat voor reflectie, voor tijd voor de geest, voor “spiritualitijd”. 

Er zijn?

Als ik dit beeld van de zandloper presenteerde in workshops voor schoolleiders dan voelden ze zich wel gestreeld door de sleutelrol, de verbindingsfunctie die in dit model bij hen wordt gelegd. Een belangrijke positie nietwaar? Het antwoord was steevast een volmondig: ja!

Vervolgens sloot ik af met de vraag of ze nog eens goed wilden kijken naar dat contactpunt tussen het bovendeel en het onderdeel van de zandloper, dat halsje. Als je goed kijkt zie je dat het niet meer is dan een gat, een niets. 

Wellicht is dat ook het geheim van een goede schoolleider (en in het algemeen: een manager): er zijn door er niet te zijn.

Dit blog verschijnt gelijktijdig als artikel op LinkedIn.

Share
Posted in Filosofie | Tagged , , , | 2 Comments

Taal op oorlogspad

Het waren vier fantastische dagen! 

Neen, niet als interimmer ergens op de ICT-afdeling van een kantoor, maar als gast van de zusters Clarissen in Megen, al bijna dertig jaar mijn vaste retraiteplek. Vier dagen met actieve participatie in de vieringen (vijf op een dag) én met lekker doorwerken aan mijn boek over retorica in en van populaire managementboeken. Ik zag door de jaren heen het aantal zusters af- en hun zorgen toenemen. Door sterk verminderd kerkbezoek is de vraag naar hosties waarvan hun bakkerij veel parochies voorziet, fors teruggelopen terwijl de onderhoudskosten van alleen al de gebouwen er niet minder op worden. En dus zijn de zusters op zoek naar nieuwe verdienmodellen.

Ja, u leest het goed, verdienmodellen. Mijn woord voor hun praktijken. Eerlijk gezegd, ik moest er zelf ook even aan wennen. In hun laatste nieuwsbrief doen zij tussentijds verslag van hun activiteiten: open kloosterdagen, vega-challenges, verkoop van door hun zelf samengestelde kruidenthee, uitbreiding van het aantal gastenplekken,… Ik lees dat er een ‘visiestuk’ is opgesteld en dat er nu ‘peilgroepjes’, aangestuurd door een ‘Verderbrenger’, bezig zijn om nadere verkenningen te plegen. Er is een peilgroep Produktlijnen, een peilgroep Gastvrijheid (dat een ‘vlekkenplan’) gaat opstellen, een peilgroep Duurzaamheid, en er is een peilgroep De Tafel van de Heer die zich oriënteert op fondswerving om de investeringen die voor deze plannen nodig zijn mogelijk te maken. 

Het zal toch niet…?!

Wel dus.

Laat duidelijk zijn: ik ben door de loop van de jaren erg gesteld geraakt op deze gemeenschap waarin voor mij als buitenstaander alles anders is als daarbuiten (en voor de insiders waarschijnlijk veel toch hetzelfde): een eigen wijze van in de wereld staan, een unieke levensvorm. Deze gemeenschap is voor mij steeds weer een inspiratiebron die mij eraan herinnert dat alles anders kan, vanuit andere intenties en in een andere taal. Ze inspireert me meer dan haar seculiere pendant, de filosofische levenskunst die niet meer dan beproefde mogelijkheden aanreikt, terwijl het in de kloosters niet gaat om mogelijkheden maar om existentiële overgave. Een essentieel verschil. 

Ik moet er niet aan denken dat deze enclaves van spiritualiteit in een door neo-liberale beginselen diep geïnfecteerde wereld, zouden verdwijnen. Het laatste wat ik dan ook zou willen is dat u in deze column kritiek op de zusters leest. Verre van dat.

Het is een soort jeukende verwondering die mij overvalt. Ik lees taal die niet past bij de wereld zoals ik die gewend was, termen die ik ken uit een context die welhaast haaks staat op wat ik vele jaren ervaren heb als het betere alternatief. Ik zie termen uit het populaire management- en consultancy-jargon een wereld binnendringen die daar tot nu toe verschoond van bleef. Taal op oorlogspad, een nieuw domein annexerend.

‘Maar een klooster moet toch ook gewoon gemanaged worden?’ hoor ik u zeggen. Jazeker! Als u bedoelt dat daar ook taken verdeeld moeten worden om zaken goed te laten verlopen, dan ben ik dat helemaal met u eens. En ik heb ervaren dat ze daar heel vaardig in zijn. Het gaat me juist om dat ene woordje, ‘gewoon’, want daar zit de crux. Want wat betekent dat gewone woordje ‘gewoon’?

Als er één ding is wat de afgelopen veertig jaar heel duidelijk is geworden, dan is het dat management zich heeft kunnen profileren als een tegelijk neutrale én generieke vaardigheid. Management is weliswaar overal maar management is vooral overal hetzelfde – dat is precies wat ‘gewoon’ is gaan betekenen. Overal zie je dezelfde technieken gericht op vergroting van effectiviteit en efficiency van ‘dé organisatie’ (en niet van: ‘dit ziekenhuis’, ‘deze school’, ‘deze stichting’). Overal zie je dezelfde kwaliteitssystemen (de varianten tussen wat de markt biedt, zijn beperkt), overal dezelfde HR-dingetjes, overal dezelfde nieuwe modes in leiderschap – het zijn steeds weer andere maar in de regel slecht onderbouwde inzichten die sector-onafhankelijk zijn en ‘uitgerold’ worden door generalisten van buiten met beperkte kennis van waar het in het bedrijf om te doen is, laat staan langdurige ervaring hebben in het specifieke domein. 

De mallen van het moderne management zijn universeel en kunnen op alle sectoren worden toegepast en dat is ook daadwerkelijk gebeurd (en laat u niet misleiden door de verschillende woorden die daarvoor worden gebruikt). Onderwijs, gezondheidszorg, welzijn, jeugdbeleid, cultuur, je hoeft niet zo lang te kijken om het te zien. 

Voor wie dit als winst ziet, wijs ik graag op de prijs die ervoor wordt betaald: het verdwijnen van vakmanschap, van specifieke professionaliteit. Met alle gevolgen van dien. Wie wil weten hoe dat gelopen is, verwijs ik graag naar het boek van Sander Heijne, Er zijn nog 17 miljoen wachtenden voor u – een goed gedocumenteerd en onthutsend relaas over het verdwijnen van vakmanschap op de werkvoer. En over wat je daar dagelijks van merkt. Of lees het al oudere maar nog steeds relevante Ontregelen, de herovering van de werkvloer van Jos van der Lans.

De zusters Clarissen in Megen zijn, voor zover ik dat kon waarnemen, enthousiast over de eerste resultaten: een druk bezochte open kloosterdag en een aantoonbaar groeiende omzet van kruidenthee. Het is ze van harte gegund. 

Ik hoop – en ik reken er intussen ook stilletjes op – dat de traditie waarin zij staan, stevig genoeg is om niet te bezwijken voor het moderne managementgeweld. Dit gaat vast lukken. Ze hebben vaker stormen mogen doorstaan.

Dit blog wordt gelijktijdig gepubliceerd op www.bubbelonië.nl.

Share
Posted in Filosofie | Tagged , | 1 Comment