Passie, bezieling – je zou ze dagelijks willen zien in elke school, op elk kantoor, op elke werkplek. En vaak zie je ze ook, als je goed kijkt en er oog voor hebt. Of als je de goede vragen stelt. Dan komt passie vanzelf naar boven, aan de oppervlakte. Toch zijn het woorden die je in de wereld van bestuur en beleid zelden tegenkomt. En al helemaal niet als ‘objecten van sturing’. Gelukkig maar! Maar is het goed dat ze geen rol spelen in de wijze waarop ‘we’ ons werk en dat van anderen organiseren?

Bezieling en beleving

Er zijn situaties die we achteraf duiden als ‘momenten van passie’, als beleving van bezieling. Ik denk dan aan situaties waarin we onszelf even helemaal kwijt waren in positieve zin. Situaties waarin we meer dan geconcentreerd zijn en even ons zelfbewustzijn terzijde hebben gezet, en zelfs dat niet gemerkt hebben als bewuste daad. Het is de beleving die samenvalt met: ‘de tijd vergeten zijn’. Ergens helemaal in opgaan. Op dat moment zijn we helemaal onszelf geweest, hebben we het meest unieke van onszelf ingezet. Op dat moment hebben we afstand gedaan van elke gereserveerdheid, van elke distantie tussen onszelf en de situatie waarin we verkeren – we gingen er in op.

Maar ook het omgekeerde is mogelijk als vindplaats van passie. Dat gebeurt als we de tijd niet kwijt zijn maar juist voor onszelf tijd vrijmaken, om te laten bezinken, om te laten komen wat komt, om ruimte te geven aan reflectie maar dan niet zo geregisseerd als ware reflectie een competentie die we moeten ontwikkelen in ons persoonlijk competentieprofiel…

Ik zeg met dit alles niets nieuws. In allerlei tradities zijn daar namen voor: het inwendige gesprek, het interne discours, het verwijlen bij zichzelf, het zich ontvankelijk tonen (en ontvankelijkheid is behoorlijk passief!). Gedachten laten opkomen en laten vervliegen en dan achteraf constateren dat er toch iets achterbleef en daar dan weer verwonderd over kunnen en mogen zijn.

Bezieling en religie
Bezieling wordt ook vaak in verband gebracht met religie. Zijn die los van elkaar te denken? Er wordt vaak gezegd dat de mens niet een religieus wezen is maar zelf schepper is van zijn religie (zoals de filosofen, psychologen en sommige theologen met enige hardnekkigheid beweren). Religie als projectie dus, om met Simon Vestdijk en velen met hem, te spreken.

Maar ik denk, met Willem Barnard (in diens Stille Omgang), dat eerder het omgekeerde het geval is: niet de mens schept de religie maar de religie schept jou, trekt door je heen, trekt daardoor jou er door heen, projecteert jou, maakt jou tot de mens die je bent of bent geworden en nog zult worden, op enig moment.

Religie geeft ruimte aan de ziel. In de ziel verbinden we ons met de eeuwigheid, met het goddelijke, met God zelf; en dit zeggen is geen heiligschennis want dat is precies wat religie doet: verbinden, het Latijnse ‘religare’; niet de verbinding naar het ik toe maar van het ik af.

Religie biedt je de mogelijkheid, de ruimte, en ook de taal om verbinding te leggen. Dat kan door mee te doen, je er een beetje aan over te geven, durven de regie los te laten.

Religie beschikt over een rijk repertoire aan mogelijkheden om te verbinden: rituelen, kunst en muziek, verhalen. Kortom, religie biedt de ziel een huis, een plek om te bestaan en zich te laten zien.

Maar bezieling kan het ook heel goed stellen zonder de verbinding met de religie, zo lijkt het. Tenzij je religie een heel brede invulling geeft. Is voor een wielrennen of schaatser wiens sport diens passie is, de sport een religie, met alle rituelen en gebruiken die daaraan zijn verbonden?

Bezieling en beleid

Terug naar de werkplek, de klas, de school, de directie – of bestuurskamer. Welke ruimte is daar beschikbaar voor bezieling, voor passie? Het opmerkelijke is dat bijna iedereen is vóór bezieling op het werk, voor gepassioneerde docenten, vóór bestuurders die ‘ergens voor gaan’. En iedereen is voor inspirerende momenten, sprekers en gelegenheden. En tegelijk zijn er weinigen die het aandurven om daar ruimte voor te scheppen, door er voor zichzelf voor op te komen of door anderen in de gelegenheid te stellen om voluit hun passie in te zetten. Inspiratie, bezieling, ze lijken soms alleen toegestaan als ze ‘officieel’, dat wil zeggen door de leiding gesanctioneerd, zijn georganiseerd. En daarmee deel zijn van een gecontroleerd systeem. Zit hier de vrees voor de ongewisheid van het resultaat in de weg? Het ontsnappen van de controle? Het moet haast wel.

Het rare, of beter: het hoopgevende, is dat iedereen spontaan of na enig nadenken (als check om te controleren of je het wel echt wilt weten) antwoord kan geven op de vraag: op welk moment merkte je dat je bezield, geïnspireerd je werk deed en even helemaal de tijd kwijt was?

Staat deze vraag ook hoog op het lijstje vragen van bestuurders en leidinggevenden in plan- en resultaatgesprekken? En welk gevolg wordt nadien gegeven aan het individuele en integere antwoord dat volgt op deze vraag? Ik ben benieuwd.

 

Share