Eerst schrijven, dan schrappen, daarna verbeteren, vervolgens verhelderen, …. (deel 4)

In deze artikelen over de productie van mijn nieuwe boek ‘Cicero leest Covey’, ben ik inmiddels een aantal stadia verder. Op dit moment zit ik midden in de volgende fase: het verbeteren van de kopij op basis van de eerste feedback die ik van proeflezers ontving. Het levert zijn eigen dynamiek op.

Gemengde gevoelens

De eerste reacties van mijn proeflezers zijn binnen en die vervullen mij met gemengde gevoelens: ik word blij en trots van de reacties op het verhaal dat ik vertel en geneer me tegelijkertijd voor de grammaticale en tekstuele missers die er, ondanks alle leesrondes, toch nog in zijn blijven zitten. En dat voor een neerlandicus. Alleen al om deze reden is het nuttig om dat ik het manuscript door anderen heb laten lezen. Ik sus mijn gemoed met de constatering dat niet iedereen me op dezelfde grammaticale gebreken wijst (iedereen mist dus wel wat). Ik houd intussen wel mijn hart vast voor de reacties die nog komen gaan….

Wijs advies promotor

Toen ik begin 1983 de laatste hand legde aan mijn proefschrift in de letteren schakelde mijn promotor (een hoogleraar historische taalkunde van het Nederlands) in een late fase nog een copromotor in, een specialist op het gebied van neofilologie en neolatijn. Mijn eerste hoofdstukken kopij kreeg ik meer rood dan zwart van deze co-promotor terug. Dat was schrikken en niet zo’n beetje ook. Maar mijn promotor bleef de rust zelve en leerde me: voor opmerkingen van grammaticale en tekstuele aard kun je altijd dankbaar zijn, meestal zijn ze terecht. Echter, zodra iemand over de inhoud begint, moet je alert en scherp zijn. Ook dan kan de lezer gelijk hebben, maar dat hoeft niet. Het gaat dan niet om jouw tekst maar om jouw verhaal! 

Aan het werk

Terug naar mijn proeflezers tot nu toe: ze geven me niet alleen grammaticale en tekstuele opmerkingen terug maar ook inhoudelijke. En als ik die overzie, dan word ik terecht aan het werk gezet, zoals 

  • over de titels van verschillende hoofdstukken (zijn die voldoende dekkend voor de inhoud van de betreffende hoofdstukken? Klopt het appèl dat ik doe op de zintuigen wel met de tekst?), 
  • over de lengte van verschillende hoofdstukken en de behoefte aan enige gelaagdheid in de tekst, 
  • over de vele voorbeelden die ik geef uit allerlei populaire managementboeken: zijn het er niet teveel om de aandacht bij de rode draad in het verhaal te houden?
  • over de plaats van verschillende alinea’s in een hoofdstuk – dat soort zaken. 

De grote lijn blijft echter onweersproken. Pfffff.

Intrigerende vragen

Ook over die grote lijn las ik intrigerende vragen die me tot meer scherpte dwingen. Zoals de vraag: waar ben je precies op uit? Op het blootleggen van het retorische format dat aan populaire managementboeken ten grondslag ligt? Sec? Of wil ik de lezer ook vertellen wat ik persoonlijk van veel van dit soort boeken vind? Als dt laatste ook het geval is, moet ik daar niet duidelijker over zijn dan ik tot nu toe ben? En ja, het klopt, ik presenteer mijn verhaal over populaire managementboeken alsof ik daar als een archeoloog de retorische fundamenten van blootleg. En dat levert een belangwekkend resultaat op. Tegelijkertijd kan ik het niet nalaten om met lichte ironie te constateren dat sommige auteurs wel erg boude uitspraken doen of dingen beloven die ze absoluut niet waar kunnen maken. Ook zijn er onder hen die zich graag begeven op het vlak van wat René ten Bos eens soul engineering noemde: sleutelen aan de ziel van de manager.

Een andere intrigerende vraag is of het mijn bedoeling is om verder te gaan dan de lezer inzicht te verschaffen in het retorische format van populaire managementboeken. Schrijvers van managementboeken geven steevast aanwijzingen voor de praktische toepassing van hun praktijktheorie – is dat ook mijn bedoeling? En om nog een stap verder te gaan: is het boek niet zelf ook een handleiding geworden voor het schrijven van een populair managementboek?  

Volgende fase

Eerst schrijven, dan snel schrappen, daarna ‘darlings killen’ en nu dan mijn tekstuele blunders corrigeren én de helderheid van mijn verhaal bevorderen – want kennelijk kan dat op een aantal plaatsen beter dan wat er nu staat. Dat gaat lukken. Nee, dat moet lukken. Ik neem er de maand september voor. De maand oktober is bestemd voor vormgeving. In november is het boek dan leverbaar via printing on demand. Aldus de planning.

Survivaltraining

Terwijl ik daar mee bezig ben, bereid ik andere zaken voor, zoals de workshops die ik wil geven op basis van het boek. Ik heb ook al een werktitel: ‘Hoe overleef ik een managementboek!’ Met als ondertitel: ‘Ontvang een tiendelig survivalpakket en volg je eerste training’ . Ik zie het al helemaal voor me: de deelnemers nemen elk hun eigen lievelingsboek op het gebied van management mee en gaan dat stapsgewijs te lijf met de tools uit hun overlevingspakket. Spreekt dit idee u aan?

Share
This entry was posted in Reflecties and tagged , . Bookmark the permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *