Onder deze titel wil ik (zo mogelijk) elke dag een quote plaatsen van een filosoof of schrijver met daarbij een korte reflectie. Deze quotes zullen ook verschijnen op LinkedIn en Facebook. Op deze site voeg ik de nieuwe steeds toe aan dit bericht.

Quote van de dag (6 april 2020)

‘Principes: je moet ze elke avond tellen. En dan lachen dat je er nog altijd zoveel hebt.’

(Cornelis Verhoeven in Ger Groot, Twee zielen, pag. 55)

De opdracht die Verhoeven geeft: je principes elke avond tellen, kan dat eigenlijk wel? Wie heeft daar een genummerd rijtje van? En wanneer telt iets als principe? Als het de onderbouwing is van bepaalde gedrags- of handelingspatronen? Of mogen die patronen ook als zodanig gelden?

Nu we met zijn allen moeten improviseren, zakken er heel wat heilige huisjes in. Vaste gewoonten, rituelen, onweersproken ordeningen, dingen die we verheven hebben tot een ‘principe’ – zoal niet zo genoemd dan toch wel zo beleefd. We ontdekken dat dingen ook anders kunnen. Al improviserend vinden we nieuwe weggetjes.

Toon Tellegen dichtte eens zo mooi (Over liefde en over niets anders):

Ik trok een streep:

tot hier,

nooit ga ik verder dan tot hier.

Toen ik verder ging

trok ik een nieuwe streep, 

en nog een streep.

De zon scheen

en overal zag ik mensen,

haastig en ernstig,

en iedereen trok een streep,

iedereen ging verder.

Een beetje spot, ook zelfspot, is volgens Verhoeven gezond. Het maakt de dingen lichter. Spotten doe je niet met van alles en nog wat. Niet alles komt er voor in aanmerking. ’Iets waarmee je spot, moet altijd een beetje heilig zijn, anders is het niet spannend.’ Jezelf niet al te serieus nemen is ook gewaagd. 

Je principes tellen en je dan verwonderen over jezelf.

Quote van de dag (4 en 5 april 2020)

Deze beide schitterende weekenddagen heb ik aan andere zaken besteed.

Quote van de dag (3 april)

Op deze dag schreef ik een column over een uitdrukking die ik ergens las over organisaties in de zorg. Daar werk gesprek van een ‘vernetwerkte zwerm van organisaties’. Die uitdrukking trok mijn aandacht. de column is als zelfstandige bijdrage gepost.

Quote van de dag (2 april)

‘Woord-kleur

Wanneer ik verfkleuren koop, doe ik dat louter op het zien van hun naam. De naam van de kleur (Indisch geel, Perzisch rood, celadongroen) bakent een soort generiek gebied af, waarbinnen het precieze, speciale effect van de kleur onvoorspelbaar is: de naam is aldus de belofte van een plezier, het programma van een handeling: er schuilt iets toekomstigs in de volle naam. En toch, wanneer ik zeg dat een woord mooi is, wanneer ik het gebruik omdat het me bevalt, dan is dat allerminst op grond van zijn welluidende charme of van de oorspronkelijkheid van zijn betekenis, of van een ‘poëtische’ combinatie van beide. Het woord sleept me mee vanwege de idee dat ik er iets mee ga doen: het is de tinteling van een toekomstig handelen, iets als eetlust. Dit verlangen doet het hele bewegingsloze schilderstuk van de taal op zijn grondvesten schudden.’

(Roland Barthes door Roland Barthes, pag. 140).

Ouders met schoolgaande kinderen hebben het in deze tijd extra druk. Als een of beiden bovendien thuiswerken, dan is een beetje structuur in de dag en een handvol afspraken wel zo handig en rustgevend. Dat wordt sowieso aangeraden, dat aanhouden van bepaalde ritmes. Schiet de tijd om te lezen er voor deze ouders nu helemaal bij in? 

Anderen melden op social media dat ze juist eindelijk aan lezen toekomen. De lijstje en goede tips vliegen je om de oren. 

Zelf lees en herlees ik werk van de Franse filosoof Roland Barthes: zijn Het plezier van de tekst en zijn autobiografie Roland Barthes door Roland Barthes. Beide boeken lees ik parallel. Ze inspireren me, om meerdere redenen. Daarom deze keer geen quote, geen oneliner, maar een fragment – een fragment uit de autobiografie van Roland Barthes, die, net als Het plezier van de tekst, is opgebouwd uit tekstfragmenten en hier en daar een foto of tekening. Een autobiografie waarin de auteur niet in de eerste persoon spreekt maar over zichzelf in de derde persoon: hij. Als over een ander.

Het zijn geen gemakkelijke boeken. Het is voor mij echt even wennen aan de stijl die springerig is, associatief, meanderend en vaak in gesprek met andere auteurs die ik niet allemaal ken. Hij gebruikt ook woorden die nieuw voor me zijn of in een betekenis die me vreemd is.

Tegelijkertijd dagen de tekst en de stijl me uit. Ze zetten me aan het denken over mijn eigen leeservaringen, over mijn eigen plezier van de tekst, over de momenten van genot (Barthes maakt een intrigerend onderscheid tussen plezier en genot). Ik ben daarom begonnen mijn eigen reflecties te verwoorden in een persoonlijke brief aan Barthes, mijn antwoord op zijn Het plezier van de tekst. Natuurlijk weet ik dat Barthes deze brief, zodra ik die ‘verzonden’ heb (en dat gaat nog wel even duren) nooit zal lezen. Zijn dood, vorige week 40 jaar geleden, als gevolg van een verkeersongeluk kreeg een episch vervolg in de roman De zevende functie van taal van Laurent Binet. 

Het bovenstaande fragment gaat over woorden die verwachtingen wekken zoals de namen van verfkleuren, namen die plezier beloven, die de toekomst op voorhand met een gulden randje versieren. Het gaat niet over de betekenis van woorden (we zien geen kleuren) maar over de werking ervan. 

Is dat niet ook de functie die boektitels hebben: woorden die de potentiële koper = lezer eerst tot stilstand willen brengen en daarna tot een beweging: het opnemen van het boek om de achterflap te lezen? De titel als verleiding, de achterflaptekst die de smaakpapillen in werking zet.

En als u op enig moment (weer) door de boekhandel loopt (de onze is helaas gesloten), wil dan eens letten op de verschillen tussen soorten boeken. Zoals er in de literatuur verschillende genres zijn (proza/poezie, fictie/nog fictie) zo zijn er ook genres te onderscheiden in boektitels. Zelf onderzocht ik de retorische werking van titels van populaire managementboeken (zie Cicero leest Covey). Die titels hebben vaak tot doel te appelleren aan een emotie bij de lezer (vrees voor de toekomst, vrees voor eigen onvermogens) en een oplossing daarvoor te beloven (‘Hoe je …’). De retorische lading van dit soort titels verschilt echt van die van romans of van biografieën. Of van kookboeken of sportboeken, of …

Quote van de dag (1 april 2020)

‘Humor is een verwerking van rouw (juist datgene wat ons pijn doet moeten we aanvaarden), waardoor hij zich ook weer onderscheidt van de ironie, die eerder moordzuchtig is. Ironie verwondt, humor geneest. Ironie kan dodelijk zijn, humor is levensreddend. Ironie wil overheersen, humor maakt vrij. Ironie is meedogenloos, humor is barmhartig. Ironie is vernederend, humor is nederig.

Ironie zegt nee (terwijl het vaak ja lijkt); humor zegt ja, ja ondanks alles, tóch ja, zelfs tegen alles wat de humorist, als individu niet in staat is te aanvaarden.’

(André Comte-Sponville, Kleine verhandeling over de grote deugden, pag. 266)

Wij Nederlanders zijn wel wat gewend, met onze levendige cabaretcultuur. We houden van spot en zelfspot, van satire, van een kritische spiegel die ons wordt voorgehouden. Zelf ben ik opgegroeid met Toon Hermans, Wim Kan, Seth Gaaikema, daarna Ivo de Wijs, Bram en Freek, Youp van ’t Hek, Herman Finkers en vele anderen daarna. Terugkijkend roept dit de vraag op of het karakter van humor is veranderd.

Misschien is dit de verkeerde vraag. Misschien is het beter om een verschil te maken tussen de inhoud en de werking van humor. Er worden tegenwoordig andere grappen gemaakt dan vijf, tien of twintig jaar geleden, gewoon omdat er andere onderwerpen aan de orde zijn of worden gesteld. Ook de vorm waarin dat gebeurt, is geen constante. 

Als we naar de werking kijken, is dan ondanks alle verschil in inhoud en vorm de grens tussen humor en ironie niet steeds dezelfde gebleven? 

Het corona-virus, zo las ik vandaag in mijn kwaliteitskrant, genereert zijn eigen humor. Zie de satirische nieuwssite De Speld. Er zullen ook andere zijn.

Zou het onderscheid dat Comte-Sponville maakt tussen ironie en humor ons helpen in ons pluis/niet pluis gevoel voor wat er zoal langs komt en wat we daar van vinden?

Quote van de dag (31 maart 2020)

‘Zichzelf begrijpen: is dat een ontdekking of een creatie?’

(Pascal Mercier, Nachttrein naar Lissabon, pag 345)

Ook vandaag weer een zin die tot nadenken stemt. En dat zomaar, middenin een roman. Nou ja, niet zomaar een roman. Nachttrein naar Lissabon staat bol van filosofische zinnen en passages. Misschien dat u er meer van gaat lezen in deze serie.

Ontdekken, creëren? Hoort in zo’n opsomming niet ook: uitvinden? En misschien ook: verzinnen? Of is ‘verzinnen’, net als ‘construeren’, een variant van ‘creëren’?

Op school leerden we het verschil tussen ‘ontdekken’ en ‘uitvinden’. ‘Ontdekken’ als leren kennen van iets wat er altijd al was, maar nog niet werd gekend (zoals de ontdekking van Amerika – een voorbeeld van toen dat nu grote vraagtekens oproept). ‘Uitvinden’ als iets wat er nog niet was maar wel mogelijk blijkt (zoals de uitvinding van de stoommachine). Waar zit ‘creëren’? Dichter bij ‘uitvinden’ dan bij ‘ontdekken’?

Dan die eerste woorden: ‘zichzelf begrijpen’. Er staat niet: ‘jezelf begrijpen’. Niet de tweede persoon enkelvoud, maar de derde persoon, zoals in ‘zich verbazen’, ‘zich vergissen’. Onbepaalde wijzen dus, infinitieven, het hele werkwoord, onvervoegd. Minder direct, minder aan-sprekend dan ‘jezelf begrijpen’. Onpersoonlijker, afstandelijker en daardoor universeler.

We zeggen gemakkelijk tegen de ander dat we hem of haar niet begrijpen. In spaarzamere gevallen zijn we ook bereid te erkennen dat we onszelf soms niet begrijpen. We verrassen dan onszelf. Dat kan en ook dat is dan weer verrassend.

Zichzelf begrijpen, hoe verloopt dat? Het werkwoord begrijpen suggereert eerder een bewuste actie, een handeling waar moeite voor wordt gedaan, dan een inzicht dat je toevalt. Met andere woorden, ontvankelijkheid is niet voldoende, het is wel een noodzakelijke voorwaarde. 

Zichzelf begrijpen: je moet er zelf iets voor doen. Via de blik naar binnen, via de ander als spiegel, via beide? En wat is dan ‘begrijpen’? Kunnen beredeneren? Iets van jezelf ‘een plaats kunnen geven’ (wat of waar dat dan ook moge zijn)? Begrip krijgen voor jezelf? Grip krijgen op jezelf?

En wat gebeurt er als we het werkwoord ‘begrijpen’ aanwenden voor wat ons in deze tijd overkomt en hoe we daar taal aan geven? Hoe kunnen we de coronacrisis begrijpen? Is wat we crisis noemen een ontdekking of een creatie? 

Het komt me voor dat het vooral een ‘constructie’ is waarin het ‘begrijpen’ en het ‘grip krijgen op’ hand in hand gaan. 

Quote van de dag (30 maart 2020)

‘Iets kunnen laten, dat is de essentie van beschaving, toch!’

(Jaap Scholten, Morgenster, pag. 169)

Bij beschaving denken we eerder aan meer dan aan minder, eerder aan hoger dan aan lager, eerder aan kwaliteit dan aan kwantiteit. 

We noemen een samenleving een hogere beschaving wanneer er sprake is van kunst, van fraaie architectuur, en van dichters die het leven bezingen, 

Van een mens zeggen we dat die beschaafd is, als hij of zij welgemanierd is in woord en daad, als zij of hij weet in welke situatie welke woorden en handelingen passend zijn.  

Tegenover ‘beschaafd’ staat ‘onbeschaafd’. En, naar Cornels Verhoeven eens opmerkte, misschien ook ‘onbeschoft’.

Wat staat tegenover ‘beschaving’? Iets niet kunnen laten? Niet ‘nee’ kunnen zeggen tegen ongebreidelde verlangens? Weigeren om afstand te houden als dat wordt gevraagd?

Quote van de dag (29 maart 2020)

‘Volgens Prediker zou je moeten zeggen: het genieten van je succes doe je door je succes te ontvangen als iets wat je toevalt; als iets wat je niet kunt afdwingen, maar dat je gegeven is en dat toch altijd mede afhankelijk blijft van gelukkige omstandigheden  en van de inspanningen van anderen.’

(Jan Hoogland en Maarten Verkerk, Prediker voor managers. Levenswijsheid voor bestuurders en professionals. pag. 123.)

Tijdens mijn onderzoek naar retorica in populaire managementboeken frappeerden mij de vele beloften die werden gedaan op succes. Veel van deze boeken drijven op de bewering dat als je als manager maar voldoende van X door je handelen strooit, het succes je tegemoet stroomt. Supergoeroe Stephen R. Covey durft, mits je zijn adviezen strikt opvolgt, dat succes zelfs te garanderen. En zo wordt het de lezer met de paplepel ingegoten: succes is je eigen verdienste.

En wat als je geen succes hebt, als je tegenslagen hebt te verduren? Ligt dat dan ook aan jezelf?

Op dit moment ervaren velen tegenslag zoals inkomensderving of contactarmoede. Dat stemt tot nadenken, voorbij de vanzelfsprekendheden waarop stilzwijgend altijd werd gerekend. 

In hun boek over het Bijbelboek Prediker pleiten Hoogland en Verkerk voor een andere visie op wat management is en wat management vermag. Ze vragen aandacht voor ontvankelijkheid – voor de kunst van het ontvangen, voor dankbaarheid.

Het zaad van de dankbaarheid wordt in een seculiere samenleving maar schaars gezaaid. Als afscheid is genomen van God, bij wie moet je dan nog terecht?

En toch, diep van binnen weet iedereen hoe het met de veelgeprezen ‘autonome, verlichte mens’ eigenlijk zit.

Ben benieuwd waartoe dat leidt.

Quote van de dag (28 maart 2020)

‘Hopen is geloven dat iets mogelijk is. Geloven is hopen dat iets niet onmogelijk is.’

(Ann van Sevenant, Filosofie in honderd woorden, pag. 96 (Geloof))

Soms opent een enkele zin een gedachtenwereld die het verdient om nader ontdekt en verkend te worden. Je voelt onmiddellijk dat het gaat om meer dan een puntig aforisme. Het is alsof er een mentale ruimte wordt ontsloten die nog niet in kaart is gebracht. Je mist richtingwijzers en bestemmingen en het is maar de vraag of de taal waarover je beschikt voldoende is toegerust voor deze tocht. 

Nog zo’n zin die ooit als een bliksem bij mij binnenkwam:

‘Scheppen is iets maken uit niets, vergeven is niets maken uit iets.’

(Theo de Boer, De God van de filosofen en de God van Pascal, pag 53).

Ook hier geldt: elk woord telt, elk woord verdient een eigen meditatie.

Quote van de dag (27 maart 2020)

‘Op het meest fundamentele niveau is alle gedrag individueel. Dus als u de morele dimensie toepast op individueel handelen, brengt u integriteit in de gehele werkgemeenschap. (…) Uw leven is uw boodschap. Leiderschap door het goede voorbeeld te geven is niet alleen de meest indringende maar ook de meest duurzame vorm van leiderschap.’

(Keshavan Nair, ‘Waarde(n)vol leiderschap’, pag. 105 en 107)

Bovenstaande quote komt uit een boek over het leiderschap van Mahatma Gandhi, de geweldloze Indiase leider die voor velen een bron van inspiratie was en is. In boeken over leiderschap wordt hij veelvuldig genoemd.

Als er een iemand is geweest (naast Jezus natuurlijk) wiens leven  en wiens boodschap een twee-eenheid vormden, dan is dat Gandhi. 

Hoe zou de wereld er uit zien als, laten we zeggen, de helft van alle leiders hiertoe ook in staat zou zijn?  

Quote van de dag (26 maart 2020)

‘De gemiddelde ongevraagde briefschrijver is een diep verongelijkte schoolmeester, die zijn superioriteit jegens geadresseerden als een stuifmeelnevel over al zijn opmerkingen spuit, om vervolgens in het midden te laten welke overige bijdrage hij nog had willen leveren aan de maatschappelijke discussie.’

(Marja Brouwers, Casino, pag. 355)

Ook al leven we in tijden van Twitter en Facebook, dagbladen blijven bestookt met ingezonden brieven.

NRC meldt wekelijks het aantal voor plaatsing aangeboden brieven en het aantal daadwerkelijk geplaatste brieven, de laatste een fractie van de eerste.

Kennelijk verliest de traditionele uitlaatklep niets van zijn functie ook al zijn er kanalen beschikbaar die sneller stromen en onmiddellijk de respons terugvoeren naar de schrijver.

De situatie waarin we ons op dit moment bevinden prikkelt velen om een duit in het zakje te doen.  

Wat me opvalt is dat LinkedIn als zakelijk sociaal medium door veel leidinggevenden wordt benut om trots uit te spreken over de inzet en creativiteit van professionals. En wie zou deze waardering willen betwisten?

Twitter stond de eerste dagen vooral bol van ‘briefschrijvers’ die meenden betere virologen en crisisbeheersers te zijn dan de medewerkers van het RIVM resp. de staven van de regering. 

Wat brengt deze schrijvers tot deze zelfoverschatting, tot deze schoolmeesterachtige uitingen van superioriteit? Angst? Politieke vooringenomenheid? Plezier in het scheppen van verdeeldheid? 

Terwijl de situatie aanhoudt, verstomt langzaam het opportunistische geluid. De positieve krachten in de samenleving winnen. 

‘De meeste mensen deugen’.

Quote van de dag (25 maart 2020)

‘Waarschijnlijk gaat geen paradijs zo pijnlijk verloren als dat wat je in feite nooit had.’

(Emma Brunt, Een rus over de vloer, pag. 107)

De wereld staat op zijn kop. Heel veel dingen gaan anders dan we gewend waren. Er wordt een beroep gedaan op ons improvisatievermogen. 

Zal dit een tijdelijk beroep zijn? Of gaat het coronavirus ons dagelijks leven permanent ingrijpend veranderen?

Naarmate de crisis langer duurt wordt het laatste meer waarschijnlijk.

Ondanks de ernst van de situatie is dit ook een tijd om te experimenteren. Zie de overal opspringende creativiteit, het doorbreken van routines, en het verwijderden van hekjes rond de eigen opvattingen en belangen.

Creëren we ons een geïdealiseerd verleden? Of kijken we vooruit en scherpen we ons oog voor wat deze crisis ons aanbiedt als collateral benefits?

Quote van de dag (24 maart 2020)

‘Als je iemand vermoordt, steel je een leven. Je steelt het recht van zijn vrouw op een echtgenoot, berooft zijn kinderen van een vader. Als je een leugen vertelt, steel je iemands recht op de waarheid. Als je iemand bedriegt, steel je zijn recht op een rechtvaardige behandeling. Er is geen daad verachtelijker dan stelen’.

(Khaled Hosseini, De vliegeraar, pag. 102)

De situatie rond het coronavirus toont nieuwe voorbeelden van wat in dit citaat bedoeld wordt met ‘stelen’:

  • Hamsteren: je steelt voorraden die voor anderen bestemd zijn.
  • Het negeren van de oproep 1,5 meter afstand tussen personen aan te houden: je steelt voor de gezondheid noodzakelijke ruimte.
  • Mondkapjes en andere preventiematerialen tegen woekerprijzen te koop aanbieden: je steelt de fragiel zekerheid van werkers in de gezondheidszorg.
  • Nepnieuws verspreiden in de social media: je steelt de wankele rust die nodig is om niet collectief in paniek te raken.
  • Als leek niet onderbouwde twijfels verspreiden over de experts waarop onze regering haar beleid baseert: je steelt vertrouwen in het gezag.
  • ?

Quote van de dag (23 maart 2020)

‘De mens die niet in staat is om telkens ook in de derde persoon en in de tweede persoon te leven, is een karikatuur van zichzelf, geen held of god. En een groep van dit soort mensen is een brandende fakkel, een troep krijgers, een leger, maar geen volk. Want een volk heet volk vanwege zijn kracht tot veranderen, omdat het nooit verstart tot alleen maar eerste persoon.’

(Eugen Rosenstock-Huessy, De taal van de ziel, pag. 70)

Derde, tweede, eerste persoon, waar kennen we dat van? Inderdaad, het doet mij denken aan de rijtjes waarmee we vroeger Franse werkwoorden leerden vervoegen. En precies daar verwijst Rosenstock ook naar. Alleen is het hem niet te doen om taalverwerving of beheersing van een vreemde taal. Het gaat hem niet om kennis van een taal maar om taalinzicht

Als we vanuit de taal van de ziel (dat is wanneer we merken dat onze taal er echt toe doet, wanneer we spreken met ons hart) kijken, dan zien we dat niet de eerste persoon enkelvoud of meervoud (ik, wij) voorop staat maar de tweede persoon (jij, jullie).

De tweede persoon gaat vooraf aan de eerste persoon omdat je als mens allereerst wordt aangesproken. Dat begint al als pasgeborene. Die wordt continu toe- en aangesproken zonder een woord terug te zeggen. Dat laatste ontwikkelt zich geleidelijk en dan vooral door verzet. Juist aan het aangesproken worden en aan je naam ontleen je je zelfstandigheid, je bestaan, je identiteit.

Wij mensen zijn niet alleen unieke, individuele en rationele wezens, we zijn ook en vooral relationele wezens: we hebben elkaar nodig om tot een bestemming te komen. We zijn antwoordende wezens. Onze identiteit is niet voorgegeven maar ontwikkelt zich gaandeweg, antwoordend, ja en nee-zeggend, meegaand of zich verzettend. 

Daarom is het belangrijk om te kunnen schakelen tussen de verschillende grammaticale personen in plaats van onverzettelijk op onze strepen te staan (eerste persoon).

Alleen zo komen mensen tot hun recht. 

(Hebt u nu associaties met Martin Buber, Emmanuel Levinas of Franz Rosenzweig? Klopt. Deze filosofen kenden elkaar en elkaars werk goed).

Quote van de dag (22 maart 2020)

‘Misschien bestaat de absolute waarheid, misschien ook niet, dat is een zaak voor filosofen, maar daar staat tegenover dat elke idioot en elke schurk precies weet wat een leugen is.’

(Amos Oz, Een vrouw kennen, pag. 195)

Is het inderdaad zo duidelijk als deze romanpersonage uit het werk van Amos Oz suggereert? 

Interessant is dat het niet lijkt te gaan om het eerste deel van de zin maar om het tweede, het doorzien van de leugen. 

Interessant is ook dat duidelijk is voor wie daar geen probleem mee heeft: de idioot en de schurk. Waarom de idioot? Omdat de afwezigheid van een normaal, rationeel verstand hem of haar uit een voordeel bezorgt, namelijk een intuïtief inzicht? 

Waarom de schurk? Omdat de schurk zichzelf in de leugen herkent?

En wij, gewone, vredelievende stervelingen? Ook wij staan niet met lege handen. We hebben immers ons gevoel voor ‘pluis/niet pluis’. Ook al kenen we niet het fijne van de zaak, we ‘voelen aan ons water’ of iets wel of niet klopt.

Naarmate we dat ‘pluis/niet pluisgevoel’ vaker durven in te zetten, zal ons gevoel voor wat waarheid is en wat niet, zich scherpen. En dan hoeven we ook niet te wachten tot de filosofen er eindelijk uit zijn.

Quote van de dag (21 maart 2020)

‘Men moet bedenken dat niets moeilijker is om te ondernemen, gevaarlijker om uit te voeren, of onzekerder ten aanzien van de goede afloop, dan leiding te geven aan de uitvoering van een nieuwe orde; omdat de vernieuwer allen die het goed hebben onder de oude omstandigheden als vijand heeft, en zij die het goed kunnen hebben onder de nieuwe juist zwakke verdedigers zijn. Dit gebrek aan vuur komt deels voort uit angst voor de tegenstrevers, die de wetten aan hun zijde hebben en deels uit ongeloof van mensen, die niet licht in nieuwe dingen geloven alvorens ze er lange tijd ervaring mee hebben.’

Niccolò Machiavelli, De heerser, (ed. Librero 2012, pag. 55)

Dit beroemde citaat uit het postuum in 1532 gepubliceerde werk, heeft ook na bijna vier eeuwen niets van zijn actualiteit verloren. Machiavelli verwoordt een ervaring die door iedereen die leiding geeft aan een belangrijke verandering, zal worden herkend.

Het nemen van ingrijpende beslissingen vergt moed en geloof in de juistheid ervan. Het veroorzaakt ook eenzaamheid. 

Ik stel mij voor dat deze eenzaamheid alleen ten deel valt aan hem of haar wiens beslissing niet gebaseerd is op egoïsme maar op altruïsme. Immers, wie alleen voor zijn eigen belang gaat, ondervindt er geen last van maar put er energie uit. 

Voor wie groter denkt dan zichzelf, ligt dit anders. 

Daarom verdient zo iemand allereerst ons respect, en meer nog (op z’ minst een beetje) ons vertrouwen. 

Quote van de dag (20 maart)

‘Fatsoenlijke mensen geloven we liever en gauwer, over alle onderwerpen in het algemeen, maar helemaal in kwesties waar geen exacte kennis van mogelijk is en waar plaats is voor twijfel. Maar dit vertrouwen moet wel het gevolg zijn van de toespraak zelf, niet van een vooroordeel over de aard van de spreker.’

(Aristoteles, Retorica 1356a)

Een televisietoespraak van de minister-president, een Kamerdebat, deskundigen in praatprogramma’s en een schier oneindige reeks ‘deskundigen’ in de social media. Wat of wie overtuigt? Niemand die de waarheid in pacht heeft. 

Het corona-virus is wat dat betreft typisch een retorisch onderwerp: er is altijd een marge van onzekerheid zodat elk prognose niet verder reikt dan een waarschijnlijkheid. Wie overtuigt in zo’n situatie? Degene in wie we op het moment dat hij/zij nog moet gaan spreken, al geloven? Of degene die uiteindelijk het beste verhaal heeft? 

Emoties doen ertoe, ook als het gaat om de geloofwaardigheid van sprekers. Daar begint het mee, maar daar houdt het niet mee op. 

Zijn we nog in staat om werkelijk te luisteren naar een volksvertegenwoordiger aan wie we een hekel hebben? 

Aristoteles roept ons op om echt te luisteren en onze vooroordelen te boven te komen.


Quote van de dag (19 maart)

‘Wij kunnen, naar mijn mening, alleen maar wijs zijn in de kennis van het heden, niet in die van het verleden, en ook niet in die van de toekomst.’

Michel de Montaigne, De essays I, 25.

Achteraf kunnen we (oud premier Balkenende na-)zeggen dat we ‘met de wijsheid van nu’ misschien anders zouden hebben gehandeld.

Voor nu mogen we er op hopen dat gedegen kennis en wijsheid elkaar niet in de weg staan maar aanvullen.

Gedegen kennis is te organiseren, zoals nu ook gebeurt. Daar moeten we op kunnen rekenen.

Kan dat ook op wijsheid? Of moeten we daar vooral op kunnen vertrouwen?

Alleen angst kan ons van dat laatste weerhouden.

Maar was angst altijd wel zo’n goede raadgever?

Share