Het carrièrezelf, een diep verankerd ideaal …. en vooroordeel.

Kun je zicht hebben op je eigen vooroordelen? Is het zelfs mogelijk om je eigen stereotype reflexen zo snel herkennen dat je ze op den duur voor kunt zijn? Of kun je alleen leren om jezelf te corrigeren omdat een, met een vooroordeel geladen gedachte er al is voor je het weet? Inderdaad lijken bepaalde gedachten er al te zijn voor je door hebt dat het een vooroordeel is. Je hobbelt achter de feiten aan.

Psychologen en neurologen zullen er onderzoek naar gedaan hebben. Dat kan ik opzoeken en er kennis van nemen. Maar ik deed iets anders. Ik las een filosoof en werd zelf aan het denken gezet.

Voorstelrondje

Onlangs kwamen we weer bijeen in onze leesgroep ‘Boek en pizza’. Onze naam maakt al duidelijk wat we doen en wanneer we bij elkaar komen. Rond etenstijd dus, aan het eind van de middag; de pizza-keuzemogelijkheden zijn royaal.

De laatste keer waren er twee nieuwe gezichten en dus stelden we ons aan elkaar voor. Na afloop van de ronde merkte iemand op hoe opvallend het was dat iedereen begon met te vertellen ‘wat hij/zij deed’ – en het optreden als oppasopa werd dan niet als eerste genoemd. Een ander noemde als mogelijke verklaring dat voorstelrondjes zich vooral in de wereld van het beroep voordoen. Dat kan zo zijn, maar waarom is in Nederland het als eerste noemen van je werk het belangrijkste en is dat in andere landen, zo lijkt het, anders? Is het beeld dat we van onszelf hebben (en de waarde die we daar aan hechten) zo sterk gekoppeld aan ons beroep dat we vooral daaraan onze identiteit, of beter: het verhaal (het narratief) over onszelf, ontlenen?

Carrièrezelf

In een interessant essay uit 1999 (1) gaat de Amerikaanse filosofe Margaret Urban Walker in op de dominante manier waarop we in onze tijd kijken naar ons eigen leven: we zijn dat gaan zien als een carrière met een individueel en lineair verloop. Zowel vooruit als achteruit plaatsen we al onze activiteiten in het perspectief van een carrière en creëren we zo ons ‘carrièrezelf’ . 

Volgens Walker is deze trend niet van vandaag of gisteren maar al ingezet in de zeventiende eeuw. Belangrijker dan dat is mijns inziens haar opmerking over de functie ervan: “het bijbrengen van ‘geïnternaliseerde zelfcontrole’, het vermogen zichzelf te regeren, een vereiste van de economische en politieke instituties van het moderne leven. Het is een beeld dat individuen herinnert aan hun verantwoordelijkheid het eigen leven volgens de normen van de maatschappij in te richten.’ En even verderop schrijft ze: ‘Het beeld van het fitte, energieke, productieve individu dat voor zichzelf een koers uitzet voor voortschrijdende vooruitgang binnen de begrenzingen van de regels en instituties van de samenleving en wiens geordende bestaan getuigenis aflegt van zijn zelfdiscipline en individuele inzet, is nog steeds een icoon van onze cultuur.’ En als icoon zit dit beeld diep in ons verankerd en speelt het een rol in de manier waarop we maatschappelijke verschijnselen zien en met elkaar bespreken en politieke oplossingen creëren.

Life review

Walker werkt dit in verschillende richtingen leven. Ze schrijft over de dienende rol die de vrouw lang vervulde om de carrière van de man mogelijk te maken en op de vragen die rijzen als vrouwen zich hiervan los willen maken. Ze gaat ook in op het gegeven dat vooraanstaande filosofen die schrijven over ethische onderwerpen, vaak vanuit dit beeld denken en redeneren. Zo noemt ze als voorbeeld het idee om aan het eind van je leven over een ‘life review’ te kunnen beschikken: een reservoir van herinneringen waaraan een centrale betekenis wordt onttrokken waardoor het leven zin heeft gehad. Walker is sceptisch over dit idee. Ze vindt dat deze ‘meedogenloze zelfdefiniëring en zelfcontrole’ te veel focust op de individuele verantwoordelijkheid. Daardoor gaat men voorbij ‘aan onze afhankelijkheid van en kwetsbaarheid voor elkaar’ waardoor ‘onze levensbepalende banden met en verantwoordelijkheden voor elkaar in de schaduw worden gesteld’. 

Alternatief

Het perspectief van het carrière-zelf mag dan krachtig zijn en als een dominant frame in maatschappelijke debatten optreden, de feitelijke uitoefening ervan is niet voor iedereen weggelegd: er zijn grote groepen mensen die arm zijn of ziek of gehandicapt of wat dan ook en allesbepalende belemmeringen ondervinden om zich in te voegen in dit normatieve beeld. Of liever: om zich te persen in deze mal. Walker stelt een alternatief voor dat uitgaat van verbondenheid en dat onze relaties met anderen centraal stelt en het delen van collectieve ervaringen.

Druk

Als ik om me heen kijk, kan ik niet anders dan constateren dat het ideaal van het carrièrezelf inderdaad buitengewoon krachtig is. Ik denk aan de stress onder jongeren om een ‘rijk’ CV op te bouwen, de burn out die veel jongeren daardoor treft, ik denk aan de argumentatie van de vorige onderwijsminister om het leenstelsel voor studenten aan te passen (‘lenen is investeren in jezelf’ – jezelf dus als onderneming, dividend wordt later uitgekeerd), ik denk aan de ‘succesillusie’ (2) die niet alleen het denken over organisaties maar ook opvattingen over individuele mensen vastzet. 

Ik herken ook in mezelf wat Walker noemt ten aanzien van ouderen: de externe druk om na je pensioen ‘actief’ en ‘productief’ te blijven – al houd ik mezelf graag voor dat ik alle dingen die ik doe, helemaal uit eigen, vrije keuze doe….  

Walker heeft gelijk als ze zegt dat het beeld van het carrièrezelf ten grondslag ligt aan allerlei politieke keuzes die gemaakt worden. Het is een beeld dat dieper gaat en daardoor subtieler uitwerkt, dan dat van het veelbekritiseerde neo-liberale denken (dat er intussen wel een geschikt klimaat voor is).

Diskwalificeren

Dit brengt me terug bij het begin van dit blog: het herkennen van je vooroordelen – want dat is wat er gebeurt. Als een idee, of beter; een ideaal dominant wordt (en ‘iconisch’), betekent dat ook dat het normatief wordt in de zin van ‘zo hoort het (binnen de regels van de heersende economische en culturele opvattingen)’. Wat van de norm afwijkt wordt daarmee ‘ongewenst’ of sterker nog: ’fout’. 

Ik herinner me situaties waarin ik mezelf betrapte op mijn vraagtekens bij mensen die hun hele leven onderwijzer blijven op dezelfde school, bij mensen die er geen enkele behoefte aan hebben om een sport hoger op de maatschappelijk lader te staan, en bij mensen met opvattingen die ik zelf als ‘ambitieloos’  kwalificeerde. Ik herinner me ook situaties waarin ik met een kritisch blik keek naar mensen waarvan ik vermoedde dat ze onze sociale voorzieningen comfortabeler vonden dan zelf de handen uit de mouwen te steken. En zo is er meer te noemen.

Conclusie en troost

Ja, de diepe verankering van het carrièrezelf zit ook in mijzelf, ik kan er niet omheen. Ik wist van het bestaan ervan, maar Walker heeft dit heel inzichtelijk voor me gemaakt. Ik begrijp niet alleen mezelf beter, maar zie ook de subtiele invloed ervan in het publieke debat over politieke kwesties.

Er is gelukkig een kleine troost: juist het actief blijven na mijn pensionering en het mezelf blijven ontwikkelen – en daarmee mezelf inpassen in het logische vervolg van ‘het leven als carrière’ – heeft me via lezing van het artikel van Walker tot dit inzicht gebracht. Het kan verkeren.

Noten

  1. Margaret Urban Walker, ‘Uit het gelid: alternatieven voor het leven als carriere’, oorspronkelijk: ‘Getting out of line: alternatives to life as a career’. Nederlandse vertaling te vinden in Joep Dohmen en Jan Baars, De kunst van het ouder worden. De grote filosofen over ouderdom. Amsterdam: Ambo/Anthos 2016 (9e druk), pag. 384-397.
  2. Ik verwijs graag naar de hilarische publicatie van Richard Engelfriet, De succesillusie. Hoe trainers, goeroes en consultants u dagelijks bedriegen en hoe u daar in zeven eenvoudige stappen vanaf komt. Zaltbommel: Uitgeverij Haystack 2017.
Share
Posted in Reflecties | Tagged , , , | Leave a comment

Tien professionele ervaringen als adviseur

Ruim een jaar geleden ging ik met pensioen. Echt met pensioen welteverstaan, dus niet doorklussend,…maar evenmin stilzittend. Ik ben flink aan de studie en reflecteer nog regelmatig op mijn advieswerk. Lezend in allerlei handboeken voor adviseurs stelde ik mezelf de vraag: wat zijn voor mijzelf de meest aansprekende leerervaringen geweest die ik op enig moment opdeed en vervolgens steeds heb geprobeerd in te zetten? Welke tien professionele ervaringen zou ik willen doorgeven. 

Dit verzamelen van leerervaringen bleek eenvoudiger dan ik had gedacht: ze kwamen zó bovendrijven – als kennelijke evidenties. Maar ook met voorbehouden, immers: ik was zeker geen ‘feilloze’ adviseur (om een aanduiding van Peter Block te volgen (1)). Ik heb tegen elk van deze ervaringen wel eens of vaker gezondigd… en misschien werden het juist daardoor leerervaringen.

Ten overvloede: het zijn mijn persoonlijke leerervaringen die aansluiten op mijn aanvankelijke en persoonlijke blinde vlekken en unieke onwetendheden. Ieder ander is daarin eveneens uniek. Ik ben benieuwd naar jouw professionele leerervaringen

Ervaring 1: Het verloop van het proces is een exempel van het probleem dat er in aan de orde is.

Deze ervaring heb ik niet van mezelf; ik heb hem wel vaak bevestigd gezien. De dienstverleningsrelatie van een adviseur met een opdrachtgever voltrekt zich in de regel in een aantal fasen, zoals de acquisitie/intake en contractfase, de onderzoeks-, analyse-, en ontwerpfase, de presentatie- en besluitvormingsfase, de implementatiefase en tot slot de evaluatiefase (ik laat allerlei varianten buiten even beschouwing). De manier waarop deze fasen successievelijk verlopen is vaak een afspiegeling van het onderwerp dat in het adviestraject centraal staat. Een eenvoudig te herkennen voorbeeld: de tijd die een opdrachtgever nodig heeft om tot een beslissing te komen over de offerte, illustreert vaak de besluitvaardigheid in de hele organisatie. Als je als adviseur lang moet wachten op uitsluitsel over een offerte dan krijg je daarmee bevestigd waarom jouw hulp werd ingeroepen, zoals voor het wegnemen van stroperigheid in de organisatie.

Het is daarom zaak om zelf jouw adviestraject bij deze opdrachtgever ook een exempel te laten zijn van de nieuwe werkwijze die je erin voorstelt.

Ervaring 2: Aangehouden nieuwsgierigheid.

Als adviseur krijg je veel informatie over de organisatie waar je voor werkt. En als je die niet al krijgt toegeworpen dan zul je er om vragen, zeker in de intakefase en in de onderzoeksfase. Soms kan de informatie divergerend zijn, dat wil zeggen: steeds nieuwe dimensies van het probleem aan het licht brengen waardoor het complexer wordt of zelfs van aard verandert. En soms zal elke nieuwe informatie de voorgaande bevestigen en versterken. Alles is mogelijk, afhankelijk ook van welke partijen tijdens de opdracht worden ‘afgetapt’.

‘Aangehouden nieuwsgierigheid’ is in mijn ervaring om ten minste twee redenen van belang.

De eerste, en meest voor de hand liggende: de wenselijkheid om als adviseur niet te snel te roepen dat het probleem je duidelijk is, dat je begrijpt waar het om gaat. Daardoor ontstaat de kans dat je alleen nog maar hoort wat past in je beeld waardoor je nieuwe geluiden dus niet meer opvangt. Bij ‘aangehouden nieuwsgierigheid’ hoort dus het ‘opschorten van het oordeel’.

De tweede reden waarom ‘aangehouden nieuwgierigheid’ van belang is, is dat informanten vaak pas bij de tweede herhaling van de vraag (dus bij de derde variant van de adviseur op dezelfde vraag) het ‘echte’ antwoord geven. Dit komt omdat de informant zich pas na twee vragen en antwoorden werkelijk serieus genomen voelt. Dit is voor de informant vaak een nieuwe, verheugende en enerverende ervaring, die hem of haar ‘opent’ waardoor diep naar binnen laten kijken, mogelijk wordt. Het derde antwoord wordt dan het echte antwoord.

Ervaring 3: Oprechte belangstelling.

Als adviseur kom je in allerlei organisaties. En ook al zijn dat organisaties uit dezelfde sector, zoals in mijn geval het onderwijs, dan nog is elke organisatie een eigen entiteit, dat wil zeggen een juridisch en sociaal construct met een eigen identiteit, een eigen cultuur en een eigen praxis. Ik merkte dat ik niet met elke organisatie dezelfde affiniteit had: ik kon met de ene cultuur en praxis beter uit de voeten dan met de andere.

Soms is er onmiddellijk een klik, soms komt die er maar moeizaam of zelfs niet echt. Waar bij een snelle en spontane klik de oprechte belangstelling van de adviseur voor de problematiek van de opdrachtgever spontaan vloeit, kan het in moeizamere situaties nodig zijn dat je als adviseur er voor kiest om je belangstelling bewust te activeren én actief te houden. Bij een aanvaarde opdracht heeft de opdrachtgever er recht op dat je er als adviseur volledig en zonder voorbehoud voor hem of haar bent. Ik heb gemerkt dat dit de ene keer meer inspanning vergt dan de andere keer. So what?!

Ervaring 4: License to kill

Misschien klinkt deze wat overbodig of als een open deurtje , maar ik noem hem toch: ik heb geleerd om er in de intakefase rekening mee te houden dat de opdrachtgever deel is van het probleem dat hij of zij aan je voorlegt. Bijvoorbeeld: een bestuurder van een scholengroep vindt dat het centrale overleg met de directeuren van de scholen moeizaam verloopt: er gebeurt te weinig, ieder zit er ‘voor zijn eigen toko’, er is geen gemeenschappelijk belang…. Aan jou als adviseur de vraag om daar wat beweging in te brengen. In dit soort situaties is het heel wel mogelijk dat het gedrag van de bestuurder (mede) debet is aan de ontstane situatie (los van de vraag of de directeuren van de scholen het door de bestuurder gedeelde beeld van de situatie beamen). Ik heb geleerd dat het goed is om al in de intakefase te duiden op deze mogelijkheid en daarmee permissie te vragen om daar later op terug te kunnen komen (‘ook jij bent nu aan de beurt’).

Ervaring 5: Afstemmen op relatieniveau.

In handboeken voor adviseurs wordt met klem gewezen op de wenselijkheid om als adviseur steeds goed af te stemmen met je opdrachtgever (en eventueel andere organen zoals begeleidingsgroepen) zodat de verhoudingen op relatieniveau in takt blijven, ook als het op inhoudsniveau ingewikkelder (dat wil zeggen: spannender en mogelijk bedreigender) wordt. Dit betekent: naast formele contactmomenten kan het nodig zijn om ook informeel contact te onderhouden (even bellen, samen een keer eten). Afstemmen op procesniveau wil ook zeggen dat de verwachtingen over en weer steeds aan de orde komen: neem je als adviseur te veel initiatief (waardoor de opdrachtgever het gevoel heeft dat je als adviseur teveel naar je toe trekt) of ben je in zijn of haar ogen juist te afwachtend?

Ik heb de indruk dat dit ‘afstemmen op relatieniveau’ niet mijn sterkste punt was. Ik ben bang dat mijn fixatie op inhoud me wel eens verhinderd heeft de behoefte aan afstemming op relatieniveau tijdig te onderkennen.

Ervaring 6: Evaluatie en zelfevaluatie.

Elke adviseur realiseert zich dat het evalueren van zijn opdrachten om meerderde redenen van belang is. Weten of gedaan is wat werd afgesproken, of bereikt werd wat werd beloofd, of totstandkwam wat werd toegezegd – geen adviesproject kan zonder dit worden afgesloten. Toch?!

Evalueren op relatieniveau is evenzeer van belang, zowel tijdens als aan het eind van een adviestraject. Zowel de inzet van de adviseur als die van de opdrachtgever zelf, zijn hierbij in beeld. Hebben beiden er alles aan gedaan om elkaar te faciliteren in het realiseren van het eigen aandeel?

En dan is er nog de zelfevaluatie van de adviseur: het inwendig gesprek met jezelf. Vaak is dat er tijdens de reis naar huis, of de volgende dag, of op het moment dat je het van je eigen organisatie verplichte, evaluatieformulier invult. Maar bovenal, zo is mijn ervaring (en die geef ik graag door) op al die momenten waarin je eerlijk en oprecht bent tegenover jezelf. En je dus niet toegeeft aan de (natuurlijke?) neiging om aardig te zijn voor jezelf door missers kleiner te maken dan ze waren of die te vergoelijken met verwijzingen naar missers van de ander. Missers opblazen hoeft nu ook weer niet, maar ze eerlijk onder ogen zien, is een vorm van leren van je ervaring die onmiddellijk beklijft.

Ervaring 7: Wees in beeld op het moment dat je cliënt je nodig heeft.

Zogenoemde ‘koude acquisitie’ – ik rilde ervan. Ik kon het ook niet en ik heb het ook nooit gewild. Sommige lezers van deze tips zullen het wellicht als een pure noodzaak ervaren. Gelukkig heb ik dat zelf nooit hoeven ondervinden. Ik weet het, sommig adviseurs zijn goed in acquireren en helpen veel collega’s aan een opdracht, anderen voeren liever uit of ontwikkelen iets nieuws. Ik behoorde tot de laatste categorie.

Dat betekent wel dat ik andere manieren nodig had om bij potentiële opdrachtgevers in beeld te zijn. Ik ben er altijd van uit gegaan dat je in beeld moet zijn op het moment dat (in mijn situatie) een bestuurder, toezichthouder, schoolleider, manager, iets wil maar niet weet wat of hoe. Anders gezegd, je naam moet op het goede moment ‘langskomen’, zonder dat je als adviseur invloed hebt op dat goede moment bij juist die opdrachtgever. Het enige wat je dus kunt doen, is regelmatig voorbij komen, via je mailings, je artikelen in tijdschriften, je boeken, je gastcolleges bij leergangen,….. het is een vorm van acquireren die lijkt op opvoeden: je zaait maar je weet niet wanneer je oogst. Des te aangenamer de verrassing áls je oogst.

Ervaring 8: Blijf jezelf ontwikkelen.

Misschien zie ik het verkeerd, maar ik heb wel eens de indruk dat de noodzaak om te voldoen aan hoge (‘uitdagende’) targets (in combinatie met een gezinsleven of rijke sociale relaties) adviseurs verhindert om vakliteratuur bij te houden, of gewoon: om eens een goed boek te lezen. Ook al is er een levendige markt van managementboeken (in de regel geschreven door adviseurs), verkoopcijfers zeggen niet alles over de feitelijke consumptie ervan. Veel van deze managementboeken zijn in feite one issue – publicaties, waarin één methode wordt gepropageerd om bijvoorbeeld met weerstand of veranderingen in een organisatie om te gaan. Vlot leesbare literatuur, een snelle hap, vaak met prettige nasmaak en met één oneliner die voldoende is om het hele verhaal te onthouden.

Als ik aan vakliteratuur denk, komen niet alleen de titels van de vaktijdschriften boven maar ook wetenschappelijke onderzoeken, rapporten van gezaghebbende instituten als de WRR, het CPB, en adviesorganen van de verschillende ministeries. Persoonlijk houd ik ervan om nog breder te kijken en ook trendstudies en filosofische analyses te lezen.

Natuurlijk is lezen niet de enige manier om je te blijven ontwikkelen. Het volgen van training, opleidingen, het deelnemen aan intervisiegroepen etc. dragen daar ook toe bij. Het komt me voor dat dit gemakkelijker is te realiseren vanuit een organisatie dan vanuit een zelfstandige positie als zzp’er (gelet op de vaak hoge kosten van externe scholing), maar daar kan ik me in vergissen.

En dan is er nog een laatste manier van jezelf blijven ontwikkelen die ik graag meegeef: het delen van ervaringen.

Ervaring 9: Deel je kennis.

Je kunt alle kennis en ervaring die je hebt voor jezelf houden, je kunt die ook delen, dat wil zeggen: beschikbaar stellen voor anderen. Ik heb altijd gekozen voor dit laatste en wel om verschillende redenen.

De eerste niet onbelangrijke maar evenmin belangrijkste reden sluit aan bij het voorgaande: aan een ander kunnen uitleggen waar je mee bezig bent of wat je hebt geleerd, is een goede toetssteen om te weten of je het zelf ook goed begrepen hebt. Zoals een van mijn leermeesters in de filosofie eens in een college zei: ‘helder schrijven is uitdrukking van helder denken’. Als je iets niet helder op papier krijgt, dan is dat een signaal dat je de stof nog niet helder op een rij hebt. (Een ander signaal voor mijzelf is, dat ik in zo’n situatie teveel moeilijke woorden ga gebruiken). Iets vertellen aan een ander, door een blog te schrijven of een artikel of een boek, is een methode om zelf een goede beheersing van de inhoud te verwerven – ook een vorm van jezelf blijven ontwikkelen.

De tweede reden is dat ik al snel na de invoering van internet gecharmeerd was van de gedachte dat dit een medium is dat een brede en gratis verspreiding van kennis mogelijk maakt. In plaats van mijn kennis en ervaring angstvallig te beschermen (te ‘monopoliseren’) koos ik ervoor om die gratis en om niet beschikbaar te maken voor anderen. Zoals ook anderen dat (gelukkig nog steeds) doen. Ik denk aan Wikipedia, aan allerlei boekenclubsites, aan digitale versies van onderzoeken en rapporten en wat al niet meer. Helaas hebben allerlei verdienmodellen van bedrijven roet in het eten gegooid, denk aan de discussie over de toegang tot wetenschappelijke publicaties en de rol van grote uitgeverijen.

Hoe dit zij, mijn eigen delen van kennis en ervaring zoals ik al tien jaar doe via mijn website, laat ik niet besmetten met welk verdienmodel dan ook. Ik heb mijn blogs altijd beschouwd als een onderdeel van mijn persoonlijk relatiemanagement.

Ervaring 10: Taal doet ertoe.

Voorzover ik heb kunnen overzien wordt in overzichten van competenties van adviseurs nooit melding gemaakt van zijn of haar taalvoerend vermogen. Met taalvoerend vermogen doel ik niet op de ‘gemakkelijke babbel’, of op het vermogen tot social talk tijdens kennismakingsgesprekken, acquisitiegesprekken, borrels en andere informele momenten. Hoewel deze vaardigheden zeker bevorderlijk zijn voor een vlot communicatief verkeer tussen adviseur en opdrachtgever beschouw ik ze niet als essentieel, als conditio sine qua non.

Taalvoerend vermogen is op nog andere momenten in de adviesrelatie aan de orde, bijvoorbeeld (en niet onbelangrijk) als de adviseur de resultaten van onderzoek en analyse presenteert aan de opdrachtgever. De inzet van allerlei retorische middelen kunnen bijdragen aan de overtuigingskracht van de adviseur – zeker in situaties waarin de boodschap mogelijk onwelgevallige voorstellen bevat en daardoor weerstanden kan oproepen.

Toch ligt de belangrijkste ‘eis tot macht over taal’ bij de adviseur mijns inziens niet in de fase van de presentatie van onderzoek en voorstellen maar in een fase daarvoor. Ik doel op al die momenten dat de adviseur met de opdrachtgever (en in het spoor daarvan met andere personen of geledingen in de organisatie) ‘van gedachten wisselt’ over de zaken in de organisatie waarvoor de adviseur wordt ingeroepen. Dat kan zijn het probleem dat de opdrachtgever aan de adviseur voorlegt, zijn of haar zorgen of onzekerheden, het ‘tekort’ of de ‘afwezigheid’ die zich op een van de dimensies van de organisatie voordoet.

‘Van gedachten wisselen’ – hoe moeten we ons dat precies voorstellen? Zijn die gedachten even talig als de zinnen waarin die gedachten worden geuit? Je zou veronderstellen van wel, maar toch lijkt dit niet het geval. Hoe vaak zegt iemand immers niet: ‘ik vind het moeilijk om mijn gedachten goed onder woorden te brengen’. Kennelijk bestaan die gedachten uit meer dan woorden – wellicht ook uit emoties, onprettige gevoelens, onzekerheid misschien, of zelfs angst? En misschien beschikt de spreker niet over een rijke woordvoorraad om zich genuanceerd in uit te drukken. In elk geval, wat iemand zegt, is meestal minder dan het geheel van achterliggende ‘gedachten’. De informatie die (bijvoorbeeld) de opdrachtgever verschaft aan de adviseur is maar een deel van de informatie die zijn gedachten uitmaken.

Bovendien, de opdrachtgever cirkelt vaak rond in zijn eigen gedachten: zijn waarneming van het probleem dat hem bezighoudt, is gekleurd – door zijn eigen emoties of zijn eigen angsten voor bijvoorbeeld verlies van controle.

Wat de adviseur kan doen is de opdrachtgever ‘op andere gedachten brengen’. Daarvoor zijn twee stappen nodig.

De eerste stap is dat de adviseur het taalregister blootlegt waarin de opdrachtgever zich uitdrukt: wat zijn de sleutelwoorden die hij of zij gebruikt – vertonen die een samenhang waardoor er een bepaald redeneerpatroon of een bepaald beeld (bijvoorbeeld een metafoor) ontstaat waarin de opdrachtgever als het ware gevangen zit? Kan het zijn dat de opdrachtgever zichzelf (onbedoeld en onbewust) heeft opgesloten in een bepaalde zienswijze op het probleem die gedetermineerd wordt door zijn eigen taalvoerend vermogen?

De tweede stap: het daadwerkelijk ‘op andere gedachten brengen’ van de opdrachtgever door de adviseur. Dit betekent dat de adviseur de opdrachtgever andere taal aanbiedt die voor hem of haar een nieuwe ruimte schept, een ruimte waarin hij of zij opnieuw maar met andere ogen naar de eigen situatie kan kijken. Een ruimte die de mogelijkheid van alternatieven en oplossingen opent en die bijgevolg wordt ervaren als een loskomen van vastgeroeste denkpatronen. Edu Feltmann noemt dit zo mooi ‘ontstroeven’ (2). Andere woorden roepen andere betekenisvelden op met andere associaties. Het begin van veel succesvol verlopende adviesopdrachten ligt in mijn ervaring bij het vermogen van de adviseur om taal aan te bieden die het denken van de opdrachtgever loswrikt uit de vicieuze cirkel van de eigen denkpatronen waardoor er een nieuw perspectief ontstaat op hetgeen tot dan als ‘kennelijke gegevenheid’ werd opgevat.

En om elk misverstand te vermijden: ik heb het hier dus, met dank aan Mathieu Weggeman (3), niet over de veelbekritiseerde neiging van adviseurs om de vraag van de klant te herformuleren in de oplossing die de adviseur daarvoor standaard in zijn koffertje al bij zich heeft.

Afsluiting

Tot zover tien persoonlijke professionele leerervaringen. Nogmaals, sommige zullen overkomen als ‘volstrekt evident’ of ‘open deur’ – ik heb gemerkt dat ze dat pas werden ná een concrete ervaring. Dit bevestigt het verschil tussen iets lezen, iets leren en iets (daadwerkelijk) ervaren. Alle drie doen ertoe, maar de derde is de krachtigste.

Noten:

1. Block, Peter (2010), Feilloos adviseren. Een praktische gids voor adviesvaardigheden. Den Haag: Sdu, derde druk.

2. Feltmann, Edu, Barbara Lubbers e.a. (2010), Denkadviseren. Over de relaties tussen taal, het denken en de problemen van mensen in organisaties. Amsterdam: Mediawerf Uitgevers 2010.

3. Weggeman, Mathieu (2003), Provocatief adviseren. Organisaties mooier maken. Schiedam: Scriptum Management 2003.

Share
Posted in Reflecties | Tagged | 2 Comments

Waarom ik naar de kerk blijf gaan.

Kerken, op dit moment vooral de Rooms-Katholieke, maar morgen kan het een andere zijn, staan er in de publieke opinie niet goed op. Ze hebben veel uit te leggen, te onderzoeken en goed te maken: misbruik, sluiting van gebouwen, samenvoegingen van gemeenten/parochies, en leerstellingen standpunten. Het stormt rond ‘het instituut kerk’ en menigeen haakt af zoals recent VVD-leider Klaas Dijkhoff. Anderen blijven haar trouw. Zo ook ikzelf, om redenen die in het publiek rumoer niet zo vaak gehoord worden.

Gisteren zat ik er weer, in de Hooglandse kerk in Leiden om de viering van de Leidse ecclesia bij te wonen, een oecumenische gemeenschap, aanvankelijk gericht op studenten maar al heel lang heel breed van samenstelling. De meditatie wordt verzorgd door professor Wessel Stoker, emeritus hoogleraar esthetiek. Hij levert met zijn meditatie over de vraag ‘is er geweld in God?’ een bijdrage aan de serie over de Apocalyps. Eerder deden onder anderen Marcel Barnard en Johan Goud dat. Het leverde prachtige overdenkingen op.

De dienst verloopt langs de bekende, vaste lijnen: welkom en introtekst, gebeden, lezing(en), overweging, muziek (een schitterende spontane improvisatie van pianist en organist samen), brood en wijn, gezamenlijk Onze vader, collecte en mededelingen, slottekst en zegen en tussendoor diverse liederen van, zoals gewoonlijk, vooral Huub Oosterhuis.

Het bijwonen van de dienst is een belangrijk moment in mijn week. Het is een moment van rust en van me aandachtsvol voegen in en overgeven aan de vaste volgorde der dingen. Dat start bij het binnentreden van de oude, monumentale kerk verwachtingsvol. Op de ontvangst van de liturgie volgt gelijk de snelle blik op de naam van de voorganger, op het thema en op de te zingen liederen. 

De wekelijkse bijeenkomst is een moment waarop er van alles met me gebeurt. 

Het is een moment van inkeer en zelfreflectie en van stilstaan bij de manier waarop ik in het leven sta. Voorwaarde daarvoor is dat ik open sta en me laat aanspreken door de woorden die tot mij komen in de liederen, de gebeden, de lezingen en de meditatie. 

De ruimte en de hele eigen stilte van de kerk is daarin heel ondersteunend. Ik begrijp wat de benedictijner monnik Anselm Grün bedoelt als hij in Leven uit de stilte schrijft: ’Wanneer ik in een kerk zit, kan ik me voorstellen dat ik zelf een tempel van God ben. Deze ruimte van stilte waarin ik zit, die is ook in mij’.

Ook al gebeurt er van alles waar ik actief aan mee doe, zoals meezingen, meebidden, luisteren – om echt mee te gaan in deze activiteiten is tegelijk een passieve houding nodig, een bereidheid om uit handen te geven, de regie los te laten. De sfeer in de diensten maakt inderdaad dat ik mijn ziel open en me ontvankelijk opstel. Ik ben bereid om me te laten aanspreken. Of ik ook daadwerkelijk aangesproken word, onttrekt zich wel wezenlijk aan die openstelling en is niet van mijzelf afhankelijk – het is een vorm van genade. De ervaring van genade heb ik ook regelmatig bij het zingen van de liederen. Die liederen met hun poëtische teksten en prachtige melodieën kunnen me soms emotioneel diep raken en daar heb ik geen invloed op.

Het deelnemen aan de kerkdienst is ook de gelegenheid om mijn dankbaarheid te tonen aan mijn Schepper – voor mijn bestaan en voor alles wat ik daarin mag ontvangen. Danken en bidden vloeien moeiteloos in elkaar over, heen en terug. 

Vaak heb ik de ervaring dat de taal van de diensten zo anders is dan alle andere taal die in de achterliggende week tot me komt. En wat is dat vaak heerlijk verrijkend: de taal van het geloof opent andere perspectieven op de wereld en op de zin van het bestaan. En helaas is dat soms ook schandelijk broodnodig omdat het meegaan in de retoriek van het alledaagse met al zijn ingebouwde verbale geweld zo gemakkelijk op de loer ligt. 

Ik noem het de taal van de diensten maar het gaat om meer dan louter woorden: door de woorden heen gaat het om manieren van kijken, om zin en betekenis geven aan het leven, om te leren onderscheiden in wat goed is en wat beter vermeden wordt. Het is de taal die opent naar het transcendente, die me optilt en me meeneemt naar een andere manier van zijn. En die andere manier van zijn is voor mij niet die van een vereniging met het Ene, van heelheid of van het deel uitmaken van het goddelijke, het ongedeelde; neen het is eerder de ervaring van geborgenheid, me aanvaard te weten zoals ik ben en van opgenomen zijn in een betekenisvol en zingevend verband.

Laat dit maar zo blijven, die eigen taal van de kerk. Die moet vooral niet willen samenvallen met de taal van daarbuiten, want dan verliest ze onherroepelijk haar eigen betekenis die nu juist haar wezen is. Ik voel me geroepen en in de dienst antwoord ik.

De dienst van het woord, de meditatie, maar eigenlijk alle taal in de dienst is een appèl op mijn andere, mijn betere ik dat doordeweeks steeds opnieuw te weinig verschijnt en daarom dit wekelijkse steuntje in de rug heel goed kan gebruiken. Het appèl dat er van uitgaat, is méér dan moreel, het is geen opgeheven vinger die verbiedt of waarschuwt, het is existentieel, geeft richting en nodigt uit.

In de diensten ontmoet ik een gemeenschap van gelijkgezinden, van mensen die ook komen om zich te laten inspireren door woorden die elders niet zo vaak meer te horen zijn. Ik denk dat veel vaste bezoekers de ecclesia als een echte gemeenschap zullen ervaren. Zelf heb ik dat niet zo. Ik herken wel de gezichten van de vaste bezoekers maar ken hen niet persoonlijk. Ik neem soms wel deel aan activiteiten zoals het bijwonen van lezingen, maar meer ook niet. Is mij prima zo. 

Wanneer ontstaat een gemeenschap? Wanneer houdt die op er een te zijn? Is het samen delen van het brood en het drinken van de wijn daarvoor voldoende om gemeenschap te heten? Het lijkt me wel.

Terwijl ik dit alles overdenk, realiseer ik me dat het niet moeilijk is om ook allerlei verheven gedachten en opvattingen over de maatschappelijke functie van de kerk te noemen, want die zijn er (ondanks alle treurnis) zonder meer. Maar als ik dicht bij mezelf blijf, dan zijn het toch bovenstaande overwegingen die de boventoon voeren.

Vindt u dit bericht mogelijk ook interessant voor anderen? Deel het gerust via uw sociale netwerken.

 

Share
Posted in Reflecties | Tagged , , , | Leave a comment

Boekhouder of schatbewaarder?

Ik registreer. Ik schrijf op wat ik aan sport doe en ik schrijf ook op wat ik lees en wat ik vind van wat ik lees. Eerst dat eerste: opschrijven wat ik sport. Dat begon lang geleden, misschien 15 jaar al, dat ik op weekstaten ging noteren welke afstand ik had gelopen, soms aangevuld met de tijd en de plaats. Onderaan de streep tel ik per week op tot hoeveel kilometers ik die week gekomen ben. Ben ik een boekhouder geworden van mijn eigen bestaan of bouw ik zorgvuldig aan een rijke schat?

Shirtjes en bidons

O, ik ben zeker niet de enige die ‘verzamelt’. Veel hardlopers bewaren de startnummers van de wedstrijden waar ze aan deelnamen en noteren daarop hun afstand en tijd. Veel hardlopers bewaren alle vaantjes, medailles, shirtjes, handdoeken, bidons, zweetbandjes, sokken en ik weet niet welke andere herinneringsobjecten. En ja, die bewaar ik ook – een tijdje en dan gaat er weer een lading de deur uit. 

Blessure

Nu ik naast het hardlopen in de sportschool allerlei lessen volg en ook op de crosstrainer sta of op het roei-apparaat zit, heb ik mijn registratie uitgebreid en neem ik ook die activiteiten op in mijn overzichten. Nauwgezet, gedisciplineerd. Laat duidelijk zijn: dat noteren van alle trainingen heeft beslist een reden, of eigenlijk verscheidene redenen. De eerste, de oudste en ook meest urgente is dat deze registraties mogelijk van nut zijn als ik een ernstige blessure krijg. De registratie kan helpen de oorzaak te achterhalen, zo die niet vanzelf mocht spreken. Ben ik misschien overtraind? Ben ik te eenzijdig bezig geweest? Heb ik in te korte tijd teveel in trainingsomvang geswitcht? Mijn huisarts of fysiotherapeut zou hier zijn of haar voordeel mee kunnen doen. En ik natuurlijk ook. Nu heb ik in mijn meer dan veertig jarige loopgeschiedenis gelukkig heel weinig blessures gehad. Het gaat soms jaren achtereen goed; ik kom mijn loopbeurten in de regel schadevrij door. En in de situaties dat ik wel bij de fysio ben geweest had ik de registraties niet bij me en kon ik achteraf constateren dat we er zonder de registraties ook goed uitkwamen. Intussen ga ik gewoon door met noteren. 

Terugblik

Dat doorgaan met noteren heeft te maken met een ander nuttig gebruik: de terugblikmogelijkheid om vorderingen te kunnen constateren of om eerdere ervaringen te checken. Zo bekeek ik onlangs mijn weekstaten van een jaar terug om te zien hoe ver ik toen was in mijn voorbereiding op de marathon van Dublin. Meer concreet: welke lange duurlopen (en in welke fase van de voorbereiding) ik daarvoor aflegde. Ik las verschillende dertigers (duurlopen van 30 km of meer) terug die ik nu, in mijn voorbereiding op de marathon van Eindhoven ook zou moeten lopen. Terwijl ik daar nu juist zo weinig zin in heb…. Ik constateer in het spoor van deze terugblik een groot gebrek aan motivatie en besluit Eindhoven te laten schieten. Misschien was dit ook gebeurt zonder die terugblik op de registratie, dat kan. Maar feitelijk gebeurde er iets anders: de terugblik ontnam me definitief de animo om door te gaan.

Toekomst

Er is nog een derde gebruiksmogelijkheid van mijn registraties en die ligt niet in het verleden maar in de toekomst. Ik houd er rekening mee dat ik misschien over een jaar of tien het leuk vind om nog eens terug te lezen wat ik in het verleden zoal heb gelopen: hoe vaak en waar ik trainde, de tijden die ik op wedstrijden liep – dat soort ‘data’ die mij dan helpen om mij dingen te herinneren en om zicht te houden op het leven dat achter me ligt. Mijn registraties hebben dan dezelfde functie als het bekijken van een fotoboek: die roepen herinneringen op en belevingen bij die herinneringen.

Identiteit

Ook de boeken in mijn boekenkasten beschouw ik als meer dan nuttige of interessante voorwerpen die ik op een bepaald moment heb gekocht of gekregen. Het zijn niet zo maar boeken, het zijn déze boeken en geen andere, en precies déze boeken horen bij mij, zoals ook de registraties van mijn loopactiviteiten en de registraties van mijn boeken strikt persoonlijk en alleen op mij betrekking hebben. Ze maken deel uit van wie ik ben, van mijn identiteit. De registraties van mijn sportactiviteiten zijn meer dan gegevens die ik kan gebruiken bij de huisarts als basis voor de diagnose, ze zijn deel van mijn identiteit. Ik ben niet mijn boekenkast en ik ben ook niet mijn registraties, maar mijn boekenkast en mijn registraties zijn wel een deel van mij – van mijn persoonlijke geschiedenis. Ze zeggen iets van waar ik me in het leven mee heb gevoed, naast al die andere dingen zoals gezonde voeding, zonder welke ik dit niet had kunnen doen.

Nooit af

Mijn boekregistratie heeft overigens niet betrekking op de boekenvoorraad in mijn kasten maar op alle boeken die ik gelezen heb, dus ook als die uit de bibliotheek komen of van de e-reader: romans, detectives, thrillers, studieboeken, filosofie,… En toen de kinderen, inmiddels ruim volwassen, nog klein waren, noteerde ik ook de titels van de boeken die ik voorlas. Het is met boeken als met mensen: zodra je elkaar echt in de ogen kijkt, heb je er een relatie mee – een relatie die overigens heel wisselend kan zijn: van bewondering, achting, respect tot, soms, van misprijzen. Ook met mijn boeken heb ik een relatie. Ze zijn meer dan een verzameling woorden die de boodschap van de schrijver transporteren naar de lezer. Dat klinkt ook door in de recensies die ik schrijf en in de citaten die ik er uit over neem. Die citaten vormen een waardevolle schat aan levenservaring van anderen waaraan ik me kan spiegelen, want een mens is immers nooit af.

Heeft mijn gewoonte tot registratie nog betrekking op andere zaken omdat die ook iets zeggen over mijn identiteit? Kleding – had gekund, zeker als die registratie de vorm heeft van een fotoboek. Maar neen, niet door mij. Neen, sporten en lezen/studeren – dat zijn ze wel: de tijdsbestedingen die meer zijn dan simpele tijdverdrijvingen omdat ze van grote betekenis zijn voor wie ik ben geworden, voor wie ik ben en voor wie ik nog zal zijn.

Share
Posted in Boeken, Lopen, Reflecties | Tagged , , | Leave a comment

Schept taal werkelijkheid? Zo ja, wat voor soort dan?

Oproep: wie heeft suggesties voor interessante literatuur?

Ik heb jaren gewerkt als extern adviseur van directeuren, bestuurders en toezichthouders, met name in het onderwijs. De contacten waren talig van aard en dus niet gericht op bijvoorbeeld digitale operationele systemen. Een opdrachtgever had een probleem (organisatievraagstuk, governancevraagstuk, strategisch vraagstuk, visie-ontwikkeling e.d.). Elke opdracht was te omschrijven als het opheffen van een discrepantie tussen ‘hier en nu’ en ‘dan en daar’. Ik adviseerde in verschillende talige vormen: een mondeling advies, een workshop, een code, een beleidsnotitie, een strategisch advies,… Daarbij was ik vaak doende de opdrachtgever een ‘nieuwe, andere werkelijkheid’ als mogelijkheid te tonen en ik gebruikte dan heel andere bewoordingen dan de taal die de opdrachtgever tot dan toe zelf bezigde. Ik heb dat ervaren als de werkelijkheidconstituerende functie van taal, in dit geval voor de opdrachtgever die door deze nieuwe woorden tot een andere kijk op zijn probleem kwam en een oplossing zag – die ook tot dan nog steeds alleen in taal bestond.

Hierop reflecterend kwam ik tot allerlei (filosofische) vragen:

– als het hele contact tussen opdrachtgever en extern adviseur zich uitsluitend afspeelt in taal, hoe zit het dan met de verwijzing van de woorden die gebruikt worden? Naar welke realiteit verwijzen die? Naar die van ‘het mogelijke’ of ‘het verlangde’? Wat is de ontologische status daarvan?

– mijn advies werd door de opdrachtgever vaak als betekenisvol ervaren; wat betekent ‘betekenis’ in dit woord? Het komt mij voor dat het om meer gaat dan ‘nuttig’.

– zijn er parallelle situaties in andere sectoren of beroepsgroepen?

Ik heb al het een en ander rond deze vragen gelezen (met name op het vlak van taalfilosofie) maar heb het gevoel dat ik andere perspectieven over het hoofd zie. 

Daarom nu mijn concrete vraag: wie heeft mogelijk interessante leestips voor mij? Kent u auteurs (ik denk aan filosofen, maar wie weet hebben ook anderen) die hier zinnige dingen over hebben gezegd?

Reacties graag hieronder of per mail naar harmklifman@hotmail.com

Wilt u dit bericht delen met uw eigen netwerk? Dit verhoogt mijn kans op interessante reacties. Dankjewel!

Share
Posted in Reflecties | Tagged , , | 1 Comment

Over Lowlands en Lili en het verband tussen die twee.

Lowlands, een camping in Gelderland, Howick en Lili, negen kroonjuwelen van de Europese cultuur – ze kwamen de afgelopen weken allemaal langs en hebben iets met elkaar te maken. Ze zetten me aan het denken over een persoonlijk en tegelijk vast voor velen herkenbaar thema: de verhouding tussen aan de ene kant mijn persoonlijke roots en de herinnering daaraan, en aan de andere kant de richting waarin onze samenleving als geheel zich ontwikkelt en mijn persoonlijke verhouding daarmee. 

Schrijftruukje

Als opmerking vooraf: ik ben zo vrij het bij mezelf te houden en me niet uit te spreken in algemene termen, zoals zo vaak gebeurt als schrijvers het hebben over ‘wij’:’wij zijn individualistisch geworden”, “wij hebben ons afhankelijk gemaakt van de techniek”, “we zijn met zijn allen veel te dik.” Ik vind dat het soort uitspraken, waarbij niet duidelijk is of de auteur de pluralis majestatis gebruikt, dan wel verwijst naar de grootste gemene deler. Is het spreken in de wij-vorm alleen maar een schrijftruukje of gaat het om een ongedocumenteerde generalisatie? Ik heb het dus niet over ‘wij’ maar over ‘ik’ want ik wil mijn persoonlijke ervaringen a266px-Montaigne-Dumonstierls uitgangspunt nemen, zoals de Franse filosoof Michel de Montaigne dat deed in zijn befaamde Essais (1580). Ze vormen de basis voor reflecties die mijn individuele ervaringen, denk ik,  overstijgen. 

Op de camping

Het is begin augustus in deze stralende zomer. We staan met onze kampeerbus op een camping in Gelderland – een echte gezinscamping, vooral afgestemd op gezinnen met jonge kinderen. We hebben een mooie plek aan de rand van een groot veld met in het midden een hoop speelzand en een paar speeltoestellen. Verder heeft de camping een aantal skelters en kinderfietsjes staan en ja, we zien dat weekend verschillende kinderen voor het eerst en gelijk in een keer goed fietsen. Prachtig om te zien.

Dit grote veld is met andere velden en met de gemeenschappelijke voorzieningen verbonden via ‘officiële’ paden en  via half verscholen sluippaadjes door heggen, die vooral door kinderen worden fietsjegebruikt. Heel avontuurlijk voor ze. 

Om ons heen kijkend zien we in overgrote meerderheid op het oog autochtone Nederlandse gezinnen. Sommigen blijven de hele dag op de camping, andere gaan er overdag op uit; die zie je aan het eind van de middag terugkomen. Een witte Nederlandse camping dus.

Het doet me denken aan de situatie in mijn jeugd, op het dorp waar we met ons gezin woonden en waar ik ben opgegroeid tot ik na de middelbare school voor studie naar Amsterdam ging. Het doet me denken aan de vijftiger-jaren-wijk die me meer dan vertrouwd was: een buurt met overwegend arbeidersgezinnen en veel kinderen (gemiddeld per gezin meer dan tegenwoordig). Vaders die overdag gingen werken, moeders die het huishouden deden. Om 12 uur (of iets later?) ging ‘de toet van Kuijer’ zoals we die noemden, de stoomfluit van de wasserij een paar straten verderop die etenstijd aankondigde. Veel gezinnen aten tussen de middag warm, zo ook wij tot we naar de middelbare school buiten het dorp gingen. Het was de tijd van de na-oorlogse, weer opgebloeide verzuiling en van een ‘wit’ Nederland. Het was de tijd van vóór de eerste gastarbeiders – die kwamen spoedig daarna. We zagen ze de winkel van fietsenmaker Sluyter in en uit gaan en begrepen dat ze een slaapplek hadden in een afgeschermd deel van de etalage. Het was de tijd dat touwtjes uit de brievenbus hingen….. het was de tijd van het aangeharkte Nederland. Alles was duidelijk: waar je bij hoorde en waarbij niet, hoe je je hoorde te gedragen en hoe niet. Het gaf mij indertijd een soort duidelijkheid waar ik me prettig in voelde. Noem het ‘structuur’ – soms wel wat saai en eentonig maar met nog volop ruimte voor verveling;).

Dus toen ik daar die dagen, op die camping in Gelderland, deze nostalgische herinnering op me in liet werken realiseerde ik me niet alleen rationeel heel goed dat dingen veranderd zijn en dat er sindsdien veel gebeurd is. Ik ervoer er ook een gevoel bij – een soort weemoed naar een tijd die achter ons ligt en die niet meer terugkomt. Was het heimwee naar mijn jeugd, naar een periode die campinggaandeweg paradijselijke afmetingen heeft aangenomen? Neen, dat was het niet. Of misschien ook wel, maar tegelijk was het meer dan dat.

De ervaring die ik had, was er vooral een van begrip voor wat er wordt bedoeld als er wordt gezegd dat Nederland Nederland niet meer is – het gevoel dat de omgeving waarin je verkeert niet meer dezelfde is als die waar je je eertijds niet alleen vertrouwd mee maar ook in opgenomen voelde. Een gevoel van samenhang en horen tot een groter verband. Je had een gemarkeerde plek in een systeem die ik niet als knellend (ik mocht immers studeren en dat was in die wijk aardig uniek) maar wel als duidelijk heb ervaren. Ik voelde me daar, op die camping in Gelderland ouderwets ‘thuis’ hoewel ik dat ‘thuis’ waarnaar ik verwijs, al in 1970 verliet toe ik in Amsterdam ging studeren. Vanaf die jaren ’70 ging het hard trouwens.

Lowlands

Al een jaar of vijftien zijn we zonder onderbreking enthousiaste bezoekers van het Lowlands festival dat ieder jaar in augustus plaatsvindt in Biddinghuizen. Ons vakantiehuisje ligt op loopafstand en het is daar jaarlijks dat weekend een zoete inval van kinderen en vrienden van kinderen. Dit jaar staan er weer vijf tenten in onze tuin; we zijn in totaal met z’n twaalven plus een baby – en dat is geen record. 

Hoewel in de programmering van de muziek de laatste jaren een steeds bredere keuze wordt gemaakt met dit jaar opvallend veel hip hop, is het publiek dat er komt toch in zeer overwegende mate wit en autochtoon Nederlands. Ik zie weinig festivalgangers die ik associeer met Suriname of met de Nederlandse Antillen en evenmin veel mensen die ik associeer met Marokko,Turkije, of met welk ander land in Afrika of Azië. Lowlands is in al die jaren dat we er nu komen een autochtoon Nederlands feestje gebleven. De sfeer is heel ontspannen, mensen die voordringen bij de dranktenten mogen voorgaan. En opnieuw had ik de ervaring: ik voel me hier thuis. 

Maak ik hier impliciet een verwijt aan alle nieuwe Nederlanders die, soms al twee generaties eerder, zich hier gevestigd hebben? Wil ik mijn contrastervaring een plek geven in het actuele debat over het succes of het mislukken van de multiculturele samenleving? Neen, die kant wil ik helemaal niet op. Lees het voorgaande dus niet met die bril op. Daar gaat het namelijk niet over. Het is me te doen om iets wezenlijk anders.

De nostalgische ervaringen die ik had op de camping en op Lowlands, komen in schril contrast te staan met ervaringen als we weer thuis zijn. 

Howick en Lili -1

Het is donderdag. Ik ben in Den Haag op de Lange Vijverberg om aanwezig te zijn bij het aanbieden van een petitie waarin aan leden van de Tweede Kamer wordt gevraagd om deze twee kinderen, die in Nederland zijn opgegroeid, niet uit te wijzen naar Armenië. Ik kijk om mij heen en zie veel senioren, naar ik vermoed autochtone Nederlanders van mijn leeftijd. We zijn solidair met de twee kinderen en maken ons grote zorgen over het hardvochtige perspectief dat hun te wachten staat. We verbazen ons erover hoe het streven naar rechtsgelijkheid kan ontaarden in onrechtvaardigheid en harteloosheid met name voor de kinderen. Om over internationale kinderrechten maar even te zwijgen. Waarom moeten zij gestraft worden voor de (redeloze?) vasthoudendheid van hun moeder ondanks alle rechtelijke uitspraken, én voor de eindeloze beroepsmogelijkheden die wij zelf in ons rechtssysteem hebben opgenomen? 

Howick en Lili -2 

Het is zaterdag, hardloopdag. Ik loop een zogenoemde lange duurloop: ik ben met de trein naar Delft gegaan om vandaar terug te lopen naar ons dorp en ons huis. Een route van een kleine 20 kilometer langs de Vliet, een route die gemakkelijk uit te breiden is tot een loop van meer dan 25 km. Koolhydratengelletjes mee voor de tussentijdse toevoer van energie. Mobiel in de heuptas. In de trein naar Delft toe lees ik dat beide kinderen die nacht de benen hebben genomen. In een tweet vraag ik me af wat er in hemelsnaam nog meer nodig is om de staatssecretaris te bewegen tot een positieve beslissing.

Niet lang daarna lees ik op Teletekst dat Howick en Lili mogen blijven. Ik ben er erg blij mee maar heb tegelijk moeite met het gegeven dat dit heeft moeten duren tot de laatste minuten voor de uitzetting. Ik vind dit wreed. Maar ik heb ook respect voor de staatssecretaris – het kan niet anders of hij moet zwaar hebben geworsteld met allerlei tegenstrijdige principes en belangen van juridische, humanitaire en politieke aard. 

Dat laatste is niet iedereen met me eens. Sterker nog: als ik weer thuis ben en door de tijdlijn op Twitter scroll, lees ik naast enkele opgeluchte berichten vooral berichten waarin de staatssecretaris slappe knieën wordt verweten. En erger, veel erger, inclusief drieletterwoorden. Ik schrik ervan. Op Facebook niet anders. Het is om het er koud van te krijgen, zo veel keiharde oordelen, in de richting van de (‘criminele’) moeder, in de richting van de staatssecretaris, in de richting van iedereen die in Nederland enige verantwoordelijkheid draagt voor het bestel. Een groot gevoel van plaatsvervangende schaamte komt op.

Ik kijk naar de foto’s van de mensen die op Twitter en Facebook, soms grofgebekt, hun gal spuwen over dit besluit. Ik zie hoofden van mensen die heel goed hebben kunnen staan rond het veld op de camping in Gelderland terwijl hun kinderen leren fietsen. Ik zie gezichten van mensen die ik ook op Lowlands tegen had kunnen komen, samen kijkend en luisterend naar de prachtige liedjes van Spinvis. Waar ik eerder, op de camping en op Lowlands, een soort nostalgische verbondenheid voelde, ervaar ik nu vervreemding. Wat is er met Nederland gebeurd?

Ja, natuurlijk weet ik dat Twitter en Facebook emotiekanalen zijn die vooral bagger vervoeren. En natuurlijk weet ik dat de ratio het moet winnen van de emotie. Maar met een dergelijk statement zijn de emoties niet van tafel – die blijven daar gewoon liggen, tot ze opgeveegd worden door populistische bewegingen. Neen, los hiervan: waar komt die harde toon vandaan? Dat cynisme? Die stoten onder de gordel? Die volstrekte afwezigheid van respect voor wie verantwoordelijkheid draagt? Die grote rancune jegens de moeder waardoor compassie voor de belangen van haar kinderen volledig overspoeld wordt?

Mijn nostalgische ervaringen op de camping en op Lowlands krijgen een flinke correctie. Mijn associaties bij de harmonieuze vakantiebeelden, dat er ondanks alle veranderingen die Nederland heeft doorgemaakt toch iets van bewaard is gebleven, kloppen niet of maar zeer ten dele. Ik ben terug in het nu, dit is de realiteit. 

Erfenis Europa

Het is de zondagmiddag na die zaterdag. Voor me ligt het boek Erfenis Europa. De toekomst van een stervende zwaan geschreven door de vorig jaar overleden theologe en hoogleraar Europese cultuur Christiane Berkvens-Stevelinck. De achterkant van het boek is duidelijk over de strekking en vat die mooi samen: “Europa is een fenomeen. Volgens eurosceptici is Europa een stervende zwaan, de brkvensgeschiedenis laat echter een feniks zien, de mythische vogel die steeds uit haar as verrijst. Ernstige situaties zijn een constante in de Europese geschiedenis, evenals haar veerkracht. Uit elke crisis kwam ze sterker te voorschijn. Europa wist altijd haar culturele kroonjuwelen door te geven aan de volgende generaties.” En die kroonjuwelen zijn volgens de auteur: verwondering, nieuwsgierigheid, vertrouwen in de vooruitgang, verantwoordelijkheid, tolerantie, geduld, vrijheid, idealisme en schoonheid. 

Ik vind de aanduiding ‘kroonjuwelen’ heel passend: het zijn verworvenheden die er niet zo maar kwamen, zonder slag of stoot. Ze zijn vaak resultaat van strijd. Ze kwamen niet aanwaaien maar moesten groeien, soms tegen de verdrukking in. Daarom verbaas ik me er over als ik regelmatig in het publieke debat het verwijt lees dat Europa zich met deze kroonjuwelen superieur meent te mogen voelen aan andere culturen. Ik vind dat een raar verwijt, zeker nu er steeds meer erkenning is voor allerlei minder mooie kanten van de Europese geschiedenis in mondiaal perspectief. Maar deze zelfkritiek hoeft niet te leiden tot vermindering van onze trots op en zorg voor een aantal fundamentele waarden die ons ver gebracht hebben. 

Van elk van de negen kroonjuwelen geeft Berkvens-Stevelinck aansprekende en herkenbare voorbeelden uit de Europese culturele geschiedenis. Het boek laat zich goed vergelijken met Made in Europe. De kunst die ons continent verbindt van Pieter Steinz en ook met De geest uit de fles. Hoe de moderne mens werd wie hij is van filosoof Ger Groot. Maar wat me in het boek van Berkvens-Stevelinck vooral triggert is dat zij het heeft over Europese waarden die zij labelt als ‘kroonjuwelen’. Wie gebruikt dat woord nou nog?

Kroonjuwelen 

Ik kom de aanduiding ‘kroonjuwelen’ de laatste decennia alleen nog tegen als gesproken wordt over de ideeën van D’66 over staatkundig vernieuwingen zoals recent over de rol van het referendum. Andere contexten waarin kroonjuwelen werden ingebracht kan ik me niet herinneren. ‘Kroonjuwelen’ zijn niet langer populair: die van D’66 niet meer en die van de Europese cultuur ….. die ook niet meer? 

Er is veel aanleiding te vermoeden dat ook dat laatste het geval is. Het is niet eenvoudig sectoren aan te wijzen waar de negen kroonjuwelen het kompas van zijn. De sector die als eerste mag worden aangesproken op haar cruciale en fundamentele taak in dezen, de onderwijssector, helaas ook niet. Die kreunt en steunt onder het juk van het efficiëncydenken. Dat geldt voor alle fasen, van basisonderwijs tot het hoger onderwijs toe. Er is sprake van een grote verwaarlozing – financieel door de overheid maar ook intellectueel, ook door de sector zelf trouwens. Noem het intellectuele bloedarmoede. Leerlingenstromen moeten zo snel mogelijk door het systeem gepompt worden. En niet voor de winstwat er in dat systeem gebeurt, wordt vooral bepaald door het economisch nut dat het moet opleveren. Nederland staat hierin niet alleen. De filosofe Martha Nussbaum (Niet voor de winst) heeft er een en ander maal op gewezen dat dit een mondiaal fenomeen is, ondersteund door nationale rankings en door internationale PICA-en OESO-lijstjes. Van Europese kroonjuwelen die doorgegeven worden, geen spoor te bekennen.

Het ingewikkelde van boeken als die van Berkvens-Stevelinck, Steinz, Groot en Nussbaum is, dat moeilijk is vast te stellen wanneer cultuur in het algemeen, of de Nederlandse in het bijzonder, daadwerkelijk ‘verschraalt’, zoals dat meestal genoemd wordt. Er zijn altijd wel weer sociologen die vaststellen dat onze jeugd tot de gelukkigste van de wereld behoort en dat onze zorg voor de oudere mens van hoog niveau is, ondanks alle kritiek hierop. Wat is waarheid? Er is de waarheid van de statistiek, er is de waarheid van het wetenschappelijk onderzoek en er is de waarheid van de persoonlijke ervaring. En al die verschillende waarheden sluiten elkaar niet uit maar bestaan naast elkaar en vullen elkaar aan.

Terug naar de laatste, de persoonlijke ervaring. Scrollend door Twitter en Facebook schrik ik van de onverdraagzaamheid, van de botheid, van de harteloosheid en het gebrek aan mededogen. Ik lees harde taal die in schril contrast staat met de taal van hen die, eveneens op Twitter, eerder pleitten voor een verblijfstatus voor de kinderen. Wat is er gebeurd? De harde oordelen lezend herken ik niets van die prachtige kroonjuwelen: verwondering, nieuwsgierigheid, vrijheidsdrang, tolerantie, geduld en idealisme. 

Temperatuur in de samenleving

Mocht het zo zijn dat Twitter en Facebook een representatief beeld geven van de temperatuur in de Nederlandse samenleving, dan kan de conclusie geen andere zijn dan dat het mijn generatie inclusief mijzelf (autochtone Nederlanders als erfgenamen van de Europese cultuur) maar slecht gelukt is om de kroonjuwelen uit die Europese cultuur hoog te houden én om die ook nog eens (trots of bescheiden) door te geven aan de volgende generatie(s). In de decennia die liggen tussen de jaren dat ik opgroeide in het dorp van mijn jeugd en nu, is Nederland grondig veranderd, economisch, demografisch, cultureel. Ik neem het als een gegeven. Dit andere Nederland staat bol van spanningen en het gaat hard tegen hard. Nederland staat hierin niet alleen, het is een Europees verschijnsel. Het zal horen bij de strijd die inherent is aan ontwikkeling. Cruciaal is de vraag of de kroonjuwelen van de Europese beschaving deze strijd overleven. Mijn zorgen liggen bij de conclusie dat al die zo belangrijke en fundamentele waarden, aangeduid als ‘kroonjuwelen’, bij grote groepen burgers buiten beeld lijken te zijn en dat stemt niet vrolijk of optimistisch.

Het zal dus nog een hele toer worden voor de vogel Phoenix om zich opnieuw uit de as omhoog te werken. Ik wil daar wel een handje bij helpen want ook ik heb iets laten liggen.

Share
Posted in Reflecties | Tagged , , , , , | Leave a comment

Over oprechtheid. Spontane associaties bij een bijzonder woord.

Tweemaal per jaar ben ik een weekend in retraite, in een klooster in Megen. Bij de zusters Clarissen om precies te zijn. Ik doe dat al zo’n 25 jaar. Ook in de zomer van 2013 was ik daar. En het was weer een topweekend: zeer inspirerend. Zaterdagavond, tijdens de vigilie vroeg een van de zusters ons om in gedachten te zijn bij onze diepste verlangens. Spontaan kwam toen het woord oprechtheid in me op en dat voelde heilzaam. Ik mediteerde 5, 10? minuten over dit woord. Ik weet het niet. We kregen ruim de tijd maar ik heb de duur niet kunnen vaststellen. En wat maakt dat uit. Zinvolheid is niet aan tijd gebonden. In elk geval was er voldoende gelegenheid om tot reflecties te komen. Onlangs kwam ik mijn reflecties weer tegen. 

Oprecht en ongeveinsd: ze lijken bij elkaar te horen. Ze kunnen in een adem genoemd worden. En toch is er verschil. Ongeveinsd is een ontkenning, het is de negatie van veinzen, de aanduiding van een afwezigheid of van een bewuste omkering. Veinzen zelf is negatief geladen, de ontkenning ervan of omkering slaagt er amper in het tegendeel te bereiken. Als je een negatieve lading van een woord/begrip moet ontkennen, maakt dat daar geen einde aan maar blijft die meespelen in de gedachten. Aan ongeveinsd blijft de smet kleven van gekunsteldheid, inderdaad: van onoprechtheid.

Oprechtheid klinkt als een deugd, ongeveinsd klinkt als een  on-deugd (ook een ontkenning trouwens), als iets wat niet of minder gewenst is.

Oprechtheid behoeft geen nadere uitleg, zij spreekt voor zich, is in zichzelf voldoende mededelend en behoeft geen toelichting. Oprechtheid spreekt voor zichzelf in lichaamstaal, het verleent woorden overtuigingskracht en geloofwaardigheid. 

Soms gebruik ik het woord oprecht als een versterking in een zin als: ‘ik ben oprecht benieuwd naar….’ Zoiets. ‘Oprecht’ functioneert dan als een versterking die dient om bij de ander mogelijke vermoedens van veinzen bij voorbaat de kop in te drukken, met het nadrukkelijk risico die vermoedens juist in deze ambities op te roepen. Het zou zo maar kunnen.

Oprechtheid: het is iets waarvan je weet van jezelf of je het bent; zoals je het ook van jezelf weet als je het niet bent. Of ligt dit ingewikkelder en is de reflectie hierover zelf gelijk al een ontkenning van haar object: oprechtheid?

Als je expliciet zegt oprecht te willen zijn (zoals in het voorbeeld ‘ik ben oprecht benieuwd’), wil je dan feitelijk en alleen deze keer minder niet-oprecht zijn of niet onoprecht? Dat bedoel je niet en toch voelt het zo. Hoe zit dat dan? Waar zit het verschil? Is het gebruik van het woord ‘oprecht’ als versterking, dus als bijwoord bij een bijvoeglijk naamwoord (‘benieuwd’) wel bedoeld om aan te geven dat je nu nadrukkelijk oprecht bent? Of wordt het woord niet om zichzelf gebruikt maar om ‘benieuwd’ van een ongebruikelijke en nu nadrukkelijk bedoelde lading te voorzien, bijvoorbeeld die van: ‘meer dan gewoon nieuwsgierig’, ‘wezenlijk geïnteresseerd’, ‘niet oppervlakkig’, ‘niet als social talk’,…?

Oprecht zijn verwijst naar: waarde toekennen aan wat je echt vindt, aan wat je echt meent. Gehoor geven aan je echte, eigen verlangens. Niet: wat je uit sociale wenselijkheid, strategische overwegingen of om tactische redenen meent te moeten zeggen. Wat je oprecht zegt, is zonder bijbedoelingen, zonder andere belangen die wellicht ook aanwezig zijn maar tijdelijk worden gesmoord, de kop ingedrukt.

Oprechtheid lijkt op eerlijkheid, maar eerlijkheid gaat over het spreken van (feitelijke) waarheid of om het doen van waarheid (of wat als zodanig wordt beschouwd). Oprechtheid is moreel geladen.

Als je zegt dat iemand ‘oprecht berouw’ heeft dan is dat eerlijk (namelijk: waar), maar ook gemeend (moreel). Oprecht zijn en integer zijn, zuiver zijn. Ze liggen in elkaars verlengde.

En zo filosofeerde ik daar in die kapel tijdens de vigilie over een woord, een begrip dat me als een daad van genade werd geschonken. Een Godsgeschenk inderdaad, ze bestaan, ze overkomen je en stemmen je dankbaar.

En nu ik toch bezig ben met de vieringen in dat klooster voeg ik twee citaten toe uit de overweging van de priester tijdens de hoogmis de volgende morgen naar aanleiding van de parabel van de barmhartige Samaritaan:

“We zijn vaak erg gemakzuchtig. Een vorm van ‘luiheid die zich verkoopt als correct gedrag’.”

En later in zijn verhaal: “het vreugdevolle, het nieuwe ontstaat zelden uit de toepassing van regels”.

‘Wie is mijn naaste?’ “Typisch een vraag van een Schriftgeleerde die wil weten wat de termen zijn van de ander opdat en zodat die mijn naaste wordt – in plaats van de omkering: voor wie ben ik barmhartig?” 

Nogmaals, het was een topweekend!

Zie ook Over nederigheid:http: //harmklifman.nl/2018/02/20/over-nederigheid/

Share
Posted in Reflecties | Tagged , , , | Leave a comment

Premier Modi (India) en plogging in Biddinghuizen

Nu de temperatuur hoogzomerse waarden bereikt, is het verstandig om maar niet te hard te trekken aan het hardlopen. Dat scheelt maar liefst twee inspanningen: hard trekken en hardlopen 😉 De situatie nodigt uit tot #omdenken. Ik ruil mijn voornemen om pittige intervallen te trainen in voor een activiteit waar dit weer zich heel goed voor leent: voor ‘plogging’. Ik ben inderdaad al weer een paar dagen doende met ‘plogging’: tijdens het rustig hardlopen (joggen) zwerfvuil opruimen. Ik schreef er al eerder over. De mededeling deze week van de premier van India, Narendra Modi, dat zijn regering in 2022 af wil zijn van allerlei plastic wegwerpartikelen stimuleert me. Wat een verschil met de slappe aanpak van de Nederlandse regering!

Ik verblijf een paar dagen in onze vakantiebungalow op het prachtige park De Bremerberg aan het Veluwemeer. Vanuit het park loop ik na 700 meter het Spijk-Bremerbergbos in. Daar heb ik gisteren logo_bbeen rondje van 6,5 km gemaakt. Anders dan voorgaande keren kreeg ik de vuilniszak nu niet vol (amper halfvol). De vorige keren vond ik behalve een lading petflesjes en lege bierblikjes een compleet luchtbed van degelijke kwaliteit mét pomp. Kijk dan gaat het hard met zo’n zak. Los daarvan: ik merk dat als je de boel een beetje bijhoudt, dit zich vertaalt in het karakter van de looptraining. Immers, de afstanden tussen het telkens bukken en rapen worden groter waardoor de training toch weer intensiever wordt. Dit belette niet dat ik op verschillende plekken een koekoek hoorde en op het Strandgaperpad een vos zag lopen. De wielewaal heb ik dit jaar nog niet gehoord en ook ben ik dit jaar niet aangevallen door een buizerd. Kan allemaal nog.

Vandaag ben ik de andere kant opgegaan: over het evenemententerrein (parkeer- en kampeerterreinen) van Biddinghuizen richting Elburg en via de dijk lang het Veluwemeer weer terug. De laatste keer dat het evenemententerrein is gebruikt, was tijdens de Pinksterdagen toen de opwekkingsbeweging haar jaarlijkse weekend had. Hoewel het terrein heel behoorlijk schoongemaakt was, vond ik nog wel allerlei restanten van dit weekend zoals bordjes met een bijbeltekst, en papieren oproepen om ‘je geloof een stem te geven’. Ik vraag me af of de onaangebroken rol Wilheminapepermunt ook iets van doen heeft met de geest van dit weekend….wilhelminapepermunt Evengoed raakte de vuilniszak nu wel aardig gevuld. Ik was blij dat ik langs restaurant De Klink en de jachthaven kwam. Kon ik tussentijds de zak even legen in een grote vuilnisbak. Tja, langs de dijk zijn het toch vooral de blikjes en de plastic flesjes. Maar vlak de vele papieren zakdoeken ook niet uit. Zo slordig om die zo maar weg te gooien. Het zien van kwikstaarten op de weg won het gelukkig van mijn ergernis. En dan had ik al heel wat tjiftjaffen gehoord.

Deze week maakte de minister-president van India bekend dat hij zijn land wil verlossen van het vele plastic afval. Hij neemt er drie jaar voor om dit te realiseren. Dat wordt hard werken! Ben benieuwd of dit gaat lukken. Neemt niet weg dat ik veel bewondering heb voor deze uitzonderlijke ambitie, want wat is het land groot en wat wonen er veel mensen! Daar steekt het slappe optreden van de Nederlandse regering bleek bij af. Die gaf de verpakkingsindustrie en de gemeenten opnieuw en voor de zoveelste keer respijt (drie jaar) door een slappe opdracht met dreiging van statiegeld te zullen heffen op plastic flesjes. Dat statiegeld zou dus alleen plastic flesjes betreffen, en niet óók voor blikjes gelden. Wat een halfbakken gedoe. Kijk in mijn vuilniszak van vandaag en zie: het aantal blikjes is twee maal zo groot als het aantal plastic flesjes. Gepolder is kennelijk belangrijker dan doorpakken. Zei Gert-Jan Segers van de ChristenUnie dit weekend niet iets over het doorschieten van privatisering? Nou, dat geldt ook voor convenanten met het bedrijfsleven. Komt in de regel niets van terecht.

Gelukkig zijn er heel veel burgers die niet op de regering of het bedrijfsleven wachten en die zelf wat gaan doen. Steeds meer mensen veranderen hun kooppatronen, scheiden afval en ruimen zwerfvuil op. Ik heb daarbij mijn hoop gevestigd op de vele hardlopers. Ik merk dat veel hardlopers al actief zijn als ploggers. Maar toch opnieuw de oproep: wat zou het mooi zijn als zij (individueel of tijdens een clubtraining) hun eigen parcoursen en vaste rondjes zouden schoonhouden.

Denk je dat je relaties ook geïnteresseerd zijn in dit blog? Verspreid dan gerust een link in je persoonlijke netwerken.

Share
Posted in Lopen, Reflecties | Tagged , , , , , , , | Leave a comment

Er zijn als leider

Regelmatig ontvang ik Managementboek Magazine met daarin stukjes over de laatst verschenen managementboeken, interviews met auteurs en recensies. Boeken over leiderschap maken daar een belangrijk deel van uit. Begrijpelijk, het gaat immers om management, maar het is ook wel wat vermoeiend. Houdt het nou nooit op, dat bedenken van nieuwe typen? In het laatste nummer is het de klantgerichte leider die een paar keer voorbij komt. De opvolger van het dienend leiderschap en het gespreide leiderschap? Je hebt soms het idee dat boeken over leiderschap allemaal rond een bepaalde formule zijn opgebouwd: beetje onderzoek, paar concrete gevalsbeschrijvingen, rijtje tips, snufje breinleer, een aantrekkelijke afkorting om het verhaal te kunnen onthouden, overvloedig gebruik van metaforen, iets over de turbulente tijd waarin we leven en over de aanstormende toekomst,… en jij, ja jij, de leider die daar mee hebt te dealen, jij vindt in dit boek je receptuur. Doe wat ik je adviseer, oefen en ziedaar, jij gaat het kunnen. Succes verzekerd!
Oké, ik maak er een beetje een karikatuur van, maar evengoed, herkenbaar toch? Wat een verademing als je eens een boek leest dat leiderschap op een volstrekt andere manier aan de orde stelt.

Er zijn als leider – dat is de titel van een boekje dat organisatieadviseur Hartger Wassink schreef over leiderschap. ‘Er zijn’ – wat een mooie vondst want een even eenvoudige als treffende, alles omvattende betekenis van goed leiderschap. Er is in één keer alles mee gezegd, of beter: samengevat. Want de titel dekt de lading: in het boekje komen allerlei dimensies van dat ‘er zijn’ aan de orde: aandacht hebben voor anderen, verantwoordelijkheid nemen (en dat is iets anders dan: formele verantwoordelijkheid dragen en je daarop voorstaan) als kenmerk van leiderschap, ruimte geven aan initiatieven, verantwoord omgaan met machtsrelaties door de inherente asymmetrie die er nu eenmaal is (men ziet je als leidinggevende altijd óók als baas) zo te neutraliseren dat er ruimte is om elkaar feedback te geven en de dialoog te voeren. Leiderschap betekent ook dat je het voortouw er zijn als leiderneemt in het onderling gesprek over waar de organisatie voor gaat, wat de toegevoegde waarde ervan is, ‘de bedoeling’ in de term van Wouter Hart (Verdraaide organisaties. Terug naar de bedoeling) die Wassink overneemt. Als jij als leider dat hogere doel niet helder verwoordt en anderen daaraan steeds aan herinnert en uitdaagt om de eigen handelingspraktijken daaraan te spiegelen, wie doet dat dan wel?
De leider is in dit beeld van leiderschap niet iemand die de organisatie van buitenaf bekijkt en meent met enige doeltreffende bewegingen een andere kant op te krijgen, een soort beste stuurman aan de wal – neen, de leider is allereerst zelf deel en startpunt van de verandering die hij of zij beoogt, degene die de verandering daadwerkelijk voorleeft. En Wassink voegt daaraan toe dat leiders die hun waarden echt voorleven en de verandering die ze voorstaan allereerst zelf voordoen, verrast zullen staan van de snelle bijval en navolging die dat krijgt.

Op verschillende plekken gaat Wassink in op de functie van verhalen, vooral persoonlijke verhalen over hoe je in je werk zit en over hoe je je verbindt met ‘de bedoeling’ van de organisatie. Door elkaar steeds verhalen te vertellen blijft die bedoeling niet alleen levend en levendig maar ook actueel omdat daardoor geleerd wordt van ervaringen. Dat maakt dat de bedoeling enerzijds ijkpunt kan zijn en anderzijds mee kan ontwikkelen. Het veronderstelt de aanwezigheid van open staan voor elkaar en van veiligheid, en dan gebeurt er ook wat. Een goede leider zal veel zorg besteden aan de goede condities daarvoor. Dit alles neemt niet weg dat er, juist omtrent die bedoeling van de organisatie sprake kan zijn van spanningen tussen wat anderen (ouders, inspectie, ‘klanten’) van je verwachten en van wat jezelf als organisatie als toegevoegde waarde wilt leveren. En dat laatste valt niet samen met de vraag van buiten, zoals Wassink lijkt te suggereren, maar heeft ook te maken met de eigen inzichten van professionals. Juist een goed verhaal over de eigen organisatie geeft taal aan die spanning tussen ‘waar heb je boodschap aan?’ en ‘wat is je boodschap?’

Dat steeds herinneren aan de ‘bedoeling’ van de organisatie zou er naar mijn mening mee gediend zijn als Wassink het woord ‘resultaten’ in de volgende druk zou vervangen door ‘effecten’. Die laatste term, ‘effecten’ verwijst veel directer naar de essentie van de organisatie, ‘de bedoeling’, dan termen als ‘resultaten’ of ‘opbrengsten’. ‘Resultaten’ (of, zoals in onderwijs meestal: ‘opbrengsten’) zijn gerelateerd aan doelstellingen, ‘effecten’ verwijzen naar een situatie en dat omvat meer. (Constateren we een veiliger school omdat het aantal geregistreerde incidenten is afgenomen (beoogd resultaat) of omdat zowel leerlingen als leraren zichtbaar ontspannen met elkaar omgaan en daardoor nieuwe activiteiten ontwikkelen?)

In wat ik in het voorgaande als rode draad samenvatte, klinkt nog niet door wat ik het meest bijzondere van dit boekje vind. (Dat ik een verkleinwoord gebruik (‘boekje’) is niet om Er zijn als leider klein te maken maar omdat het juist klein en dun is en, zoals Wassink zelf ook vermoedt, in één avond uit te lezen.) Het bijzondere van het boekje vind ik dat het is ontdaan van elk managementjargon en ingewikkelde taal; dat maakt het boekje heel breed toegankelijk. (En als eenvoud beoogd is, waarom dan Engelse titels noemen als er Nederlandse vertalingen beschikbaar zijn?) Daardoor komt het verhaal juist in die eenvoud dichtbij zonder op je huid te zitten. Het is ook een echt Nederlands boek geworden, niet alleen door de taal maar ook door de toon. Hoe kan ik dit duidelijk maken?

Je zit in de kroeg ….

—- en maakt kennis met iemand die zeer enthousiast begint te vertellen over zijn bedrijf en hoe hij daar leiding aan geeft. Het is een aanstekelijk verhaal, goed verteld ook en zelfs terwijl je meent dat je er doorheen prikt, raakt het je toch. Het verhaal klinkt overtuigend en als het echt klopt wat hij vertelt…. Je vraagt naar tips want zoiets wil jij ook wel, en je krijgt die zomaar. Je neemt je voor er morgen al mee aan de slag te gaan. Maar morgen is een andere dag en het toepassen van de tips blijkt minder gemakkelijk dan het aanvankelijk leek. De werkelijkheid blijkt ingewikkelder in elkaar te zitten dan de tips deden voorkomen. Je verliest daardoor je interesse, je motivatie verdampt en dat gaat snel. Zo’n boek is Er zijn als leider niet.

—- en maakt kennis met iemand die zeer enthousiast begint te vertellen over zijn bedrijf en hoe hij daar leiding aan geeft. Je luistert gefascineerd maar merkt dat degene die vertelt steeds iets dichter naar je opschuift. Naarmate de avond vordert begint dit echt hinderlijk te worden – het leidt je af, je luistert niet goed meer en je constateert dat de ander je privé-zone definitief is binnengedrongen. Je voelt je niet vrij meer om te luisteren maar juist klem gezet. De toon van de ander maakt het daar ook naar: je hebt het gevoel dat je dingen steeds verkeerd deed, het voelt als verwijten. Zo’n boek is Er zijn als leider ook niet.

—- en maakt kennis met iemand en die vraagt wat je doet en waarom en hoe. Zij is geïnteresseerd in jou en voor je het weet vertel je meer dan anders. Je merkt dat je gesprekspartner echt belangstelling voor je heeft en dat gegeven wekt ook jouw belangstelling voor haar. Ze is zelf ook leidinggevende en aan de manier waarop ze vertelt merk je dat er, ondanks de verschillen in de sectoren waarin jullie werken en de problemen die zich daarin voordoen, een ruimte ontstaat waarin je ook je aarzelingen neerlegt en vertelt van de momenten waarop je onzeker was. Jullie wisselen uit wat het met jezelf deed toen je voor het eerst ‘afscheid’ van een verder gewaardeerde collega moest nemen omdat die niet langer paste in het toekomstbeeld van de organisatie. En het grappige is, door dit gesprek ga je jezelf op een andere manier bekijken – het zet je op een prettige manier aan het denken. Zo’n gesprek wil je vaker omdat je voelt dat niet alles in een keer aan de orde kan komen. Er blijkt veel uit te wisselen en daarmee te leren. Zo’n boek is Er zijn als leider.

Aanbevolen!

Hartger Wassink, Er zijn als leider. Uitgeverij Kloosterhof, Neer, 2018. ISBN: 9 789078 876113.

https://www.managementboek.nl/boek/9789078876113/r-zijn-als-leider-

Share
Posted in Boeken | Tagged , , , | Leave a comment

‘Literatuur opent nieuwe werelden’

‘Literatuur opent nieuwe werelden’: een goed boek geeft je de mogelijkheid om kennis te maken met werelden en met leefstijlen die je niet of nauwelijks kende. Je leest dit wel vaker: literatuur verrijkt je blik op de werkelijkheid en geeft je de mogelijkheid om kennis te maken met de manier waarop anderen omgaan met de condition humaine. Het omgekeerde kan ook: literatuur kan ook werken als een spiegel die je eigen werkelijkheid die je steeds zo vertrouwd was, op een andere manier aan je toont. En het grappige is: het ondergaan van dit soort leeservaringen is niet leeftijdgebonden, het is niet voorbehouden aan de jeugd die de wereld nog moet ontdekken. Dat ondervond ik onlangs toen ik tijdens een lange vakantie flink aan het lezen was en voor mij totaal nieuwe literatuur ontdekte.

Functies literatuur(-onderwijs)

Als geschreven wordt over de functie van literatuur, dan gaat het meestal over de functie van literatuuronderwijs. Neem het aanstekelijke blog van Kris van den Branden die de verrijkende ervaringen van het lezen door leerlingen belangrijker vindt dan het aanleren en toepassen van literatuurtheoretische vaardigheden. Prompt wordt daarop gereageerd door een leraar die vindt dat beide van belang zijn. Leraren zijn het zelden met elkaar eens, ook als het gaat om literatuuronderwijs (het lijken wel juristen).

Twintig jaar geleden deed Tanja Janssen promotie-onderzoek naar het literatuuronderwijs in het VO en hoe leraren daar vorm aan geven. Zij kwam tot vier typen docenten. Verreweg de grootste groep wordt gevormd door het type cultuurvormer, de verteller, die de nadruk legt op historische feitenkennis en die de meeste aandacht besteedt aan vooroorlogse literatuur. Tegenpool van de cultuurvormer is de ‘individuele ontplooier’. Deze docenten (een kwart van de onderzochte groep) leggen de nadruk op moderne literatuur en streven ernaar leerlingen zelfkennis te laten opdoen. En dan zijn er nog twee kleinere typen: de literair-esthetische vormer, met veel aandacht voor de technische kant van literatuur, zoals opbouw van de tekst en vertelperspectief, en de maatschappelijke vormer, die via boeken de leerlingen een kritische kijk op de wereld wil meegeven. In de praktijk verschilt deze groep niet duidelijk van de individuele ontplooier. Dat ‘literatuur nieuwe werelden opent’ voor de leerling is zeker geen  gemeengoed in het voortgezet onderwijs van dat moment. Zouden deze vier typen de afgelopen twee decennia na dit onderzoek hebben overleefd?

Klassiekers en bestsellers

Er zijn van die boeken die je op enig moment met een dermate grote intensiteit en ononderbroken aandacht leest dat je achteraf en nog jaren later constateert dat ze een blijvende indruk achterlaten. Boeken die een stempel zetten op je ziel in een onomkeerbaar proces. Titels die een onuitwisbare indruk op mij maakten, zijn Van de koele meren des doods van Frederik van Eeden, Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel Garcia Marquez, Niemand is onsterfelijk van Simone de Beauvoir, Een mens van goede wil van Gerard Walschap (ook diens Houtekiet en diens Zuster Virgilia vond ik geweldig), Vaders en zonen van Ivan Toergenjev, Lolita van Vladimir Nabokov. En zo waren er meer. niemand-is-onsterfelijk-simone-de-beauvoir_885_1Noem het gerust de bekende, voor de hand liggende titels, maakt niet uit. Het zijn niet voor niets klassiekers. (En het zijn zelden de kortstondige bestsellers waarvan er drie of vier per jaar langskomen, zoals De tolk van Java van Alfred Birney die ik wel interessant vond om te lezen, al was het maar om kennis te nemen van de politieke chaos uit de beschreven periode van de Nederlandse geschiedenis, maar die ik literair gezien niet bijzonder vond. En het was ook niet De heilige Rita van Tommy Wieringa die ik literair wel sterk vond en die me vooral fascineert door de vraag waarom dit boek zo populair is – wordt dit veroorzaakt door onderhuidse nostalgie naar een ‘premoderne’ leefwijze?)

Genoegen en ervaring

Door mijn studie Nederlands kan ik me niet meer ontdoen van de geïnternaliseerde neiging om op literatuurtheoretische manier naar een roman te kijken. Je wordt opgeleid tot het bovengenoemde type literair-esthetische vormer. Het is een natuurlijke neiging geworden en daar is ook niets mis mee om de simpele reden dat de opbrengst hiervan de leeservaring (wat mij betreft) zeker verrijkt. Maar deze opbrengst is wel van een geheel andere orde dan die van de indringende, blijvende ervaring. Ik weet niet of ik de juiste termen kies maar laat ik het verschil benoemen als het verschil tussen esthetisch genoegen, opgewekt door analyse (‘goed kijken’) enerzijds en existentiële ervaring anderzijds. Tegelijk realiseer ik me dat ik dit verschil niet absoluut moet maken omdat boeken die een existentiële ervaring geven tegelijk een esthetisch genoegen bezorgen – ik denk zelfs dat het eerste niet zonder het tweede kan, het tweede wel zonder het eerste.

‘Foute’ titels

Literatuur blijft verrassen – dat is het leuke van literatuur en dat is wat me gebeurde toen ik twee boeken las die nieuwe werelden voor mij openden. Ik kreeg de boeken toegestuurd vanwege mijn abonnement op Bookchoice. Elke maand ontvang ik acht nieuwe e-booktitels. Ik download die op mijn e-reader en zie de omslagpagina’s langskomen. Zou ik ze in de boekhandel zien staan, ik zou ze niet uit de kast pakken. ‘Foute’ titels en lelijke omslagen creëren gelijk al een fikse hindernis. Maar, het was vakantie en ik besloot me open te stellen. Toen kwam het goed.

Het ‘nieuwe’ in de uitdrukking ‘nieuwe werelden’ was voor mij dat ik kennis maakte met boeken die vallen buiten het gangbare patroon van de West-Europese literatuur waar ik gewoonlijk op georiënteerd ben. Het zal mijn gebrek aan belezenheid zijn maar ik las niet eerder een roman die speelt in een roerige banlieu van een grote Franse stad. Evenmin las ik eerder een roman waarin de Irakese samenleving onder Saddam Hoessein wordt geportretteerd.

Taboes, liefde en chantage

Wie kent niet de beelden van de rellen in Franse voorsteden waar de problemen zich stapelen tot ongekende hoogten? Nog deze week publiceerde president Macron een actieplan om daar iets aan te doen – het zoveelste geloof ik. In de roman De Franse bruiloft (deel 1 van De wilden) van Sabri Louatah bevinden we ons in St. Etienne waar zich een grote Algerijnse gemeenschap bevindt. En bruiloftzoals de titel al aangeeft, er wordt getrouwd. De huwelijksdag is de eenheid van tijd waarin de verwikkelingen zich voltrekken en waarin we kennismaken met oude tradities in een nieuwe omgeving, met de heiligheid van het familieverband en de plaats van het zwarte schaap, met jongeren die zich hebben ontworsteld aan de lokale ellende (door weg te gaan) en met jongeren die in de criminaliteit verzeild raakten, met taboes en chantage, met stevige vormen van geweld tegenover aandoenlijke manifestaties van grote liefde, met onderlinge twisten over de ware islam en over de verschillen tussen Algerijnen en Marokkanen. Met tussendoor als rode draad de voorverkiezingen van een nieuwe president met dit keer een allochtone kandidaat. Een roman over het gewone leven dus en over hoe dingen kunnen gaan – in een wereld die ik niet zó kende.

Deel 2 van het drieluik De Wilden, getiteld Broers, vijanden verscheen eind 2017 in vertaling. Het staat op mijn lijstje.

Een ziel in een tunnel

Dat laatste geldt ook voor het bijzonder gecomponeerde Schoonheid die in mij raast tot ik sterf van Hazim Kamaledin. In deze roman voert de schrijver zichzelf op nadat hij overleden is door een onduidelijke oorzaak: is hij vermoord door terroristen of omgekomen bij een bombardement door de Amerikanen? Wie zal het zeggen in een wereld die beheerst wordt door chaos, onzekerheid en terreur? Zeker is dat de hoofdpersoon een geroemde film maakte met dezelfde titelhazim als het boek nu heeft en waarin hij kritiek leverde op Saddam Hoessein. Toen de autoriteiten dit merkten pleegden zij zodanig censuur dat er niet meer dan een lofuiting op de grote leider overbleef. De filmmaker Kamaledin, of beter: zijn ziel, is in een tunnel onderweg naar het licht en wordt tijdens die tocht overvallen door allerlei stemmen, onder meer van familieleden. Telkens vertelt een stem een gebeurtenis en samen creëren deze verhalen een bizarre eenheid waarin zijn vader en moeder kibbelen over de plaats van begraven, waarin soennieten en sjiieten elkaar naar het leven staan, waarin zich zeer bijzondere familieverbanden voordoen, waarin ironische beschrijvingen van de realiteit afgewisseld worden met magisch-realistische verhalen over monsters. Hallucinerende situaties, satirisch beschrijvingen van pijnlijke processen, slinkse afleidingsmanoeuvres om de autoriteiten te omzeilen, het doet zich allemaal voor. En bovenal: chaos en onzekerheid.

Literatuur die nieuwe werelden opent: ja dat zeker, maar die je ook je vertrouwde wereld opnieuw doet waarderen.

 

Share
Posted in Boeken | Tagged , , , , , , , | Leave a comment