Esther Maria Magnis, Kristien Hemmerechts, Francois Cheng, Berthold Gunster. Wat ik deze vakantie las -2-

Het waren er in het tweede deel van mijn vakantie beduidend minder dan in het eerste deel, maar wat heb ik een mooie boeken gelezen! Zo zie je maar weer, niet de kwantiteit maar de kwaliteit is wat indruk maakt en bijblijft.

Mintijteer

Het boek dat deze bijzondere titel draagt, krijgt in alle recensies die ik tegen kwam vijf sterren. En terecht wat mij betreft. Wat een kanjer. Het gebeurt me niet zo vaak dat ik geëmotioneerd ben na een roman, de laatste keer was na Knielen op een bed violen van Jan Siebelink dat zo’n prachtig eind heeft en na Stoner waarvan het eind zo mogelijk nog mooier is. Ik herinner me het ook uit mijn studententijd, na lezing van Een mens van goede wil van Gerard Walschap, en na Van de koele meren des doods van Frederik van Eeden. En nu dus na het wegleggen van Mintijteer van de Duitse magnisschrijfster Esther Maria Magnis, oorspronkelijk verschenen onder de titel Gott braucht dich nicht. Een opmerkelijke autobiografische roman (ook de hoofdpersoon heet Esther) waarin de auteur zich op indringende en zeer persoonlijke wijze verstaat met theologische en tevens filosofische thema’s.

Allereerst is er het thema ‘hoe om te gaan met het lijden’- een onderwerp dat in de filosofie bekend als de Theodicee. Maar daar speelt nog een ander filosofisch thema doorheen: niet alleen de vraag naar Gods rol in het lijden in de wereld is de rode draad in het verhaal maar ook de vraag naar het bestaan van God überhaupt, het thema van het Godsbewijs. Magnis is zonder twijfel bekend met deze thema’s – ze studeerde onder meer religiewetenschappen, maar haar boek is toch vooral en in de eerste plaats een roman, een autobiografische nog wel, geen filosofisch vertoog (hoewel…hierover later meer). Door te kiezen voor een roman wordt het haar mogelijk om haar persoonlijke ervaring te verbinden met deze thema’s in een vorm die veel ruimte biedt om ook dingen ongezegd te laten, om spanningen te verwoorden, om de verbeelding van de lezer in takt te laten. Het is wat lastig dit goed te verwoorden, maar wat ik bedoel is dat proza en natuurlijk ook poëzie het mogelijk maken om lastig benoembare onderwerpen voorbij de rationaliteit te verbeelden en wel met veel ruimte voor de lezer. Terwijl ook proza en poëzie gebonden blijven aan de mogelijkheden die de taal biedt en die zijn te enenmale beperkt.

Als ik de kille ‘data’ in het boek op een rijtje zet dan ziet dat er als volgt uit: meisje groeit op in christelijk meelevend gezin van vader, moeder, oudere zus en jongere broer. Het meisje is van jongs af gefascineerd door alles wat met God te maken heeft en kijkt al vroeg door allerlei religieuze conventies en theologische trends heen op zoek naar waarachtigheid. Haar directe momenten van Godservaring blijken doorheen het boek sterker dan de harde feiten. De vader krijgt kanker en sterft en dit laat haar mintijteerGodsbeeld niet onaangetast, integendeel. Ze zegt haar vertrouwen in God op onder de gelijktijdige erkenning en bevestiging van zijn bestaan. Wanneer het zingen van oude liedjes met haar oma haar plots herinnert aan een regel uit versje uit haar jeugd (‘en Hij bemint mij teder’ door haar onthouden als ‘mintijteer’) dan ervaart zij dat als een thuiskomen. Ook het moment met haar door kanker ten dode opgeschreven broer in de kelder van de ouderlijke woning is een moment waarop de ervaring van de aanwezigheid van God krachtiger is dan de harde realiteit van de naderende dood en krachtiger dan elke argumentatie tegen het bestaan van God.

Een tragische verhaal dus, een echt drama met momenten die je zelfs zou kunnen afdoen als ‘over de top’ maar die die kwalificatie juist niet verdienen omdat ze zo overtuigend zijn, zo doorleefd. ‘Doorleefd’ – misschien is dat een goede omschrijving van de manier waarop Magnis met de zware thema’s omgaat. Je proeft op elke pagina dat de auteur zich niet verliest in het traditionele (intellectualistisch) filosofische of theologische jargon en blijft bij haar persoonlijke ervaring met de harde realiteit. Al zou je over de literaire gaven beschikken, wie zou zonder de persoonlijke ervaring zo’n boek kunnen schrijven?! Ik vind dat dit meer dan indrukwekkend gebeurt, stil makend vaak.

Er waren momenten dat mijn gedachten gingen naar anderen die ook de persoonlijke ervaring waardig achtten. Ik moest aan René Descartes denken, de grote filosoof uit de zeventiende eeuw die in zijn beroemde Discours de la méthode na alle zekerheden weggestreept te hebben, zijn eigen denken als basis voor zijn bestaan (‘cogito ergo sum’, ‘ik denk dus ik ben’) erkent. Zo is ook Esther in dit boek opnieuw aan het opbouwen geslagen nadat zij ontdekte dat er (absolute) waarheid bestaat die God is, en waarna ze herontdekt dat vele anderen voor haar een traditie vormen waar ook zij op mag terugvallen.

Er waren ook momenten dat ik moest denken aan de roman De vriendschap van Connie Palmen dat een filosofisch essayïstisch einde heeft – een vertoog. Ook in Mintijteer zijn er passages die aldus gelabeld kunnen worden. Aan het slot van het boek slaat Esther zelfs de toon van een evangeliste aan: ‘Dat alles zag ik gebeuren. Ik was er steeds bij en kan ervan getuigen.’ Het stoorde me niet.

Ik heb de neiging en de gewoonte om bij het lezen van boeken mooie zinnen over te schrijven. Bij Magnis zou het niet moeten gaan om prachtige zinnen maar om hele alinea’s zoals die over een zakendiner waar Esther iemand die koketteert met zijn biologistische wereldbeschouwing vlijmscherp op zijn nummer zet. Zo zijn er meer prachtige passages te noemen, ik denk aan het korte hoofdstuk 15 over de stilte van God.

Nog even over de titel, Mintijteer – hoe je als kind een zin die je niet begrijpt onthoudt als klank. In mijn ouderlijk gezin hadden we er ook een mooi voorbeeld van. de Psalmregel ‘Eis van mij vrijmoedig’ werd door ons steevast gezongen als ‘ijsvrij van mijn moeder’.

Gitte

Kristien Hemmerechts staat altijd garant voor een goed verhaal. Gitte uit 2013 is zo’n goed verhaal: mooie compositie, heldere verhaallijnen, boeiend thema. Wat het laatste betreft: Hemmerechts neemt hemmerechtseen klassiek thema ter hand: dat van de generatievloek, een thema met Bijbelse referenties.

Ook in dit verhaal, toevallig, de lotgevallen van drie kinderen, twee jongens en een meisje (Gitte) die in een bos wonen op de plek waar eertijds hun overgrootvader werd vermoord. De drie kinderen zijn geografisch op elkaar aangewezen (ze wonen echt afgelegen) maar zijn ook psychologisch erg op elkaar betrokken en bovendien zeer serieus. Zo spelen ze in alle ernst missen na, gebruikmakend van de attributen van hun vader die de priesteropleiding volgde.

De oudste van de drie raakt psychisch in de knel, krijgt een psychose en herstelt daar maar beperkt van waardoor hij zijn verdere leven moet doorbrengen onder bescherming van een aantal broeders. De andere zoon is erudiet en vertrekt naar een prestigieuze Amerikaanse universiteit. Gitte raakt gittehierdoor steeds meer op zichzelf aangewezen en dat valt haar niet gemakkelijk. Ze is boos op haar moeder omdat die haar broer liet opnemen, ze verzaakt lange tijd school en verkeert regelmatig in de verkeerde kroeg.

Het thema generatievloek komt via verschillende verhaallijnen aan de orde: in de reacties van de omgeving op de ziekte van de oudste broer, in de relatie van de ouders met hun eigen verleden en hun eigen omgeving. Er gebeurt van alles en duidelijk is: ook al is de generatievloek objectief een onding, als je er in gelooft en je er door laat leiden, dan gebeuren er heftige dingen.

Omdenken: huh?!

Ja, wie leest niet regelmatig spreuken die afkomstig zijn uit de wereld van het omdenken? Nog kort omdenken 2voor het schrijven van dit stukje kwam er een aardige langs op Twitter. De kunst van het Omdenken behoeft geen nadere uitleg. Iedereen die ervan gehoord heeft zal onmiddellijk denken aan ‘Ja-maar’ en aan al die andere creativiciden, dodelijke opmerkingen die elke energie uit een goed idee en een leuke brainstorm de nek omdraaien. En iedereen kent het voorbeeld: trein gemist – o, mooi moment voor museumbezoek! Toch moet ik bekennen dat ik nooit een boek over Omdenken had gelezen, alleen brochures en flyers.

Nu verscheen er vorig jaar een bewerking van het oorspronkelijke boek uit 2008, nu onder de titel Huh?! En ik moet zeggen: ik heb het met veel plezier gelezen. Omdenken-voorman Berthold Gunster (neen, er zit niets Duits aan die man en die naam ;) geeft een mooi overzicht van de verschillende omdenk-strategieën (12 in getal, soms met subcategorieën) die hij vooraf laat gaan huhdoor een inleiding en een hoofdstuk waarin hij een kader neerzet, een soort fundering voor de strategieën. En dat is fijn dat hij dat doet, want kennisnemen van die strategieën is één ding, ze kunnen gebruiken is nog iets anders. Nou, precies daarvoor is dus dat voorwerk bedoeld. Het opent de ogen voor dingen waar je te vanzelfsprekend in mee gaat waardoor je jezelf op het verkeerde been zet: over hoe je meestal met een probleem omgaat, hoe je meestal geneigd bent naar de dingen te kijken, waar te nemen. Gunster is aan de hand van allerlei leuke en duidelijke voorbeelden in staat om je uit je routines, je reflexen te halen.

Het is zeker niet zo dat je na lezing van dit boek geschoold bent in omdenken. En Gunster is de eerste om je daar op te attenderen. Vandaar dat hij aanraadt het boek regelmatig ter hand te nemen, als bron van inspiratie. Ik neem mij voor dat inderdaad te gaan doen.

Over schoonheid

De Chinees-Franse schrijver en dichter Francois Cheng hield een aantal jaren geleden voor een select gezelschap van kunstenaars, wetenschappers, filosofen, en schrijvers een vijftal meditaties rond het thema schoonheid – een filosofisch en artistiek begrip bij uitstek en per traditie. De chengmeditaties verschenen in 2006 in het Frans en in 2008 in het Nederlands. De vertaling staat al een paar jaar in mijn boekenkast, ik las het boek al eerder en herlas het deze zomer. Om kort te gaan: ik moest opnieuw vanaf pagina één op mijn tenen staan. Cheng lezen is een uitdaging.

De Chinese filosofie heeft van oudsher veel aandacht voor het thema schoonheid en ook het westerse denken met Plato als initiator zonder weerga, is erdoor gefascineerd. Cheng is meer dan thuis in beide werelden.

schoonheidWe kennen allemaal de ervaring van schoonheid die stil maakt, ons de adem kan benemen maar wat is het dat dit veroorzaakt en wat gebeurt er met ons als we die concrete schoonheidservaring beleven? We realiseren ons dat het gaat om een ervaring die ons uit tilt boven ons gewone doen, die ons woordloos verbindt met de wereld, …. Inderdaad, het is een fascinerend begrip dat zich tastenderwijs wel laat duiden maar dat lijkt te ontsnappen aan elke rationele bepaling.De vijf meditaties eindigen dan ook niet in een operationele definitie of zo, maar laten de lezer wel achter met een veelheid aan mooie gedachten.

In de lezingen heeft Cheng aandacht voor zowel de schoonheid in de natuur als voor schoonheid in de kunst – het product van menselijke creativiteit. Over beide heeft hij zeer poëtische gedachten die hoog gaan en van de lezer veel vragen. Aardig is dat hij in de meditaties zelf ook herhaaldelijk de tegenstem inbrengt die hem weer met beide voeten op de aarde wil zetten.

Interessant is dat Cheng in de eerste lezing schoonheid niet plaatst tegenover lelijkheid maar tegenover het kwaad. Misschien is dit filosofisch niet ongebruikelijk, voor mij was het een nieuw en verrassend inzicht. En ja, dit is een boek dat zich wel leent voor weergave van prachtige, zinrijke zinnen. Ik geef er een paar:

Het bewustzijn dat elke schoonheid kortstondig is, verklaart waarom we de schoonheid haast altijd als iets tragisch ervaren. (…) Ware schoonheid kan onmogelijk een voor altijd verstarde toestand zijn.

De uniekheid vormt elk wezen om in een aanwezigheid die, zoals een bloem of een boom, streeft naar haar volle schittering in de tijd, wat de definitie zelf is van de schoonheid.

De ware schoonheid heeft te maken met het ‘zijn’ en niet met het ‘hebben’. Bijgevolg kunnen we haar niet omschrijven als een middel of een instrument. In dat bepaalde bewustzijn waar weemoed en hoop met elkaar versmolten zijn, wekt elke schoonheidservaring de herinnering op aan een verloren paradijs en roept zij een beloofd paradijs voor de geest.

En ter afsluiting een citaat van Henri Bergson:

Door de schoonheid heen kun je de genade zien, en in de genade schemert de goedheid door. Want de goedheid is de eindeloze edelmoedigheid van een (levens)beginsel dat zichzelf weggeeft. Beide betekenissen van het woord “genade” vormen slechts één begrip.

Mooi hè?

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Share
Posted in Boeken | Tagged , , , , , , , , | 1 Comment

Wat ik deze zomer las -1-

De e-reader is een mooie uitvinding, ondanks de beperkingen die er ook zijn. Toen we met een camper naar Zweden en Noorwegen vertrokken hadden we nauwelijks fysieke boeken bij ons maar vooral een goed geladen e-reader. Inmiddels staan daar tussen de 1000 en 1100 boeken op, deels van anderen gekopieerd, deels via een abonnement op Elly’s Choice, deels door aanschaf van e-boeken bij Bol.com. Kortom, een boekenkast met grote diversiteit in onderwerp en kwaliteit! In vakanties ben ik niet zo kieskeurig en lees ik ook boeken waarvan ik in meer gevulde perioden zou vinden dat het zonde is van de aandacht. Hieronder een overzicht van wat ik las in de eerste helft van mijn zomervakantie.

Rode waas

Ik begon met een spannende thriller van Patricia Cornwell, Rode waas waarin de patholoog-anatoom Dr. Scarpetti de hoofdrol speelt. Een lekkere pageturner al werd het slot wel wat afgeraffeld. Er kwam opeens wel erg veel nieuwe informatie in beeld die leidde tot de oplossing. Nou ja, lekker zitten lezen, toch?

Belegerde vesting

De Chinese schrijver Qian Zhongshu, wiens (vertaalde) Belegerde vesting werd verrijkt met een toelichting door de vertaler, wordt gezien als iemand die de spanningen tussen het traditionele en het sterk vernieuwende China thematiseert. Het boek is van 1947 en speelt zich af in de periode tussen de beide wereldoorlogen. Het was een heel aparte leeservaring.

Het verhaal heeft alles in zich van een soap die zo verfilmd zo kunnen worden, een soap over liefde vestingen huwelijk en over alle ongemak waarmee beginnende of toch niet relaties vergezeld kunnen gaan. Ongemak ook in de omgang met emoties. ‘Dat de roman oorspronkelijk verscheen als een feuilleton, verbaast me niets. Belegerde vesting’ verwijst in het verhaal naar verschillende zaken zoals de naderende oorlog met Japan en naar de perikelen rond het huwelijk. Mooie laagjes in het verhaal dus.

De hoofdpersoon is een jonge man die in alle situaties (als docent, als redacteur, als echtgenoot) waarin hij verkeert, mislukt en daar nauwelijks van lijkt te leren. De lichtvoetigheid van het verhaal wordt bij herhaling onderbroken door ironische reflecties van de schrijver/waarnemer – reflecties die, hoewel een stuk beknopter, doen denken aan die van Robert Musil in De man zonder eigenschappen. En ronduit grappig zijn de trucs die Chinese studenten uithalen met buitenlandse diploma’s. Kennelijk zijn die zo gewild en populair dat de geldigheid ervan er niet toe doet.

Grappig, en voor ons toch echt niet gebruikelijk, zijn de vele citaten uit het werk van fameuze Chinese dichters. Kennelijk staan de groten uit de poëtische traditie heel dicht bij de actualiteit van het dagelijkse leven. In het verhaal lijken alle aanwezigen deze verwijzingen steeds goed te begrijpen.

Het verborgen weefsel

Van Stefan Hertmans las ik vorige zomer het prachtig geschreven Oorlog en Terpentijn. Deze keer stond Het verborgen weefsel op het programma, een novelle over een schrijfster van rond de 40, getrouwd, moeder van een dochter, succesvol in de buitenwereld maar in haar binnenwereld weefselonderworpen aan langdurige buien van melancholie en permanent op zoek naar bevrediging van ongedefinieerde verlangens. Een minnaar, een reis naar Lissabon – ze brengen geen rust in haar bestaan. Ze is wispelturig en onberekenbaar in haar gedrag voor haar huisgenoten. Haar succesvolle buitenwereld biedt haar niet de zekerheid of structuur om haar binnenwereld te reguleren. Aan het slot laat ze alles achter, op weg naar een nieuw, irrationeel avontuur.
Ik vond Oorlog en Terpentijn boeiender dan dit boek maar ben opnieuw gefrappeerd door de rijkdom aan taal en beelden.

Rijkdom aan taal

Het viel me deze keer opnieuw op: de grote verschillen die er zijn tussen de boeken die je leest als het gaat om stijl, woordenschat, expressievermogen, subtiliteit in uitdrukking. Zo las ik twee romans van Nederlandse auteurs, beide uitgegeven door goede, gevestigde Nederlandse uitgevers, waarvan ik bij en na lezing me verwonderde over de poverheid van zowel het verhaal als (de wijze van) de vertelling. Ik las het romandebuut van Elisabeth Steinz, En een nacht en de roman Een zomer met Kim Bokaviet van Silvia Toebak. In beiden valt op: de hijgerigheid als gevolg van de vele korte zinnetjes, de beperkte woordenschat, de oppervlakkigheid van de karakters, het veelvuldig gebruik van populaire Engelse uitdrukkingen, het gebruik van cursief zonder dat de bedoeling daarvan duidelijk is of overtuigt, en de vermakelijke verwijzing naar de gebruikte bronnen aan het slot.

Om kort te gaan: bespaar je de moeite als je niet veel tijd hebt. Neen. Lees dan Kersen eten om middernacht. Muzikale herinneringen van de Vlaamse radioman en dichter Bart Stouten. Ik kende hem niet maar wat een verademing is dit boek na de voorgaande romans. Hè, hè, dit gaat eindelijk ergens over. Stouten blikt terug op zijn leven als man van klassieke muziek en als man van woorden en o, wat doet hij dat mooi, diepgaand, welsprekend (soms zelfs iets over de top) en wat een mooie kersen etenbrede kijk op muziek en wat muziek doet met mensen. En daardoorheen allerlei filosofische reflecties of literaire zoals in zijn adoratie van Marcel Proust.
Stouten heeft geen gemakkelijk leven achter de rug. Zijn ouders en tweelingzus verongelukten toen hij puber was. Opmerkelijk genoeg heeft hij van jongsaf mensen in zijn omgeving gehad die hem begrepen en stimuleerden dingen te doen die voor het gros van zijn leeftijdgenoten zeker niet in beeld waren.
Een rijk boek, op momenten te rijk voor mij met mijn beperkte muziektheoretische kennis. Even goed: aangeraden!

Trein met vertraging

Nog een Vlaming aan het woord: Christophe van Gerrewey die in Trein met vertraging een aantal passagiers in de trein van Oostende naar Antwerpen ‘volgt’. We maken kennis met onder meer een meisje dat net haar relatie heeft verbroken, met een man die de trein benut om contacten met vrouwen te leggen, met een jonge filosoof die ingeleverde kopij voor een tijdschrift grondig moet herzien en met de ‘treinbegeleider’ die klungelig reageert op de onduidelijke vertraging die de trein oploopt. Het aardige is dat al die personen de facto weinig met elkaar doen en vooral in hun hoofden op elkaar en op de situatie reageren. Ze redeneren er stuk voor stuk heel wat af. En knap vond ik de opsommingen die de auteur sommige reizigers in het hoofd legt, zoals bij de jonge filosoof die een schier eindeloze reeks van lezersreacties op boeken kan opsommen: lezers die ‘iets vinden’ van een boek, zoals ik in dit overzicht ;) maar weigeren het gelezene te interpreteren.
Van Gerrewey is een goede observant van wat mensen beweegt. Mooie roman!

Het verdwijnen van Robbert

De hoofdpersoon, die luistert naar dezelfde naam als auteur Robbert Welagen, heeft een succesvol debuut geschreven maar heeft geen zin in een vervolg. Het liefst geeft hij gehoor aan een wens die hij al van kindsbeen heeft: onzichtbaar zijn, er niet zijn, verdwijnen. Hij besluit dit daadwerkelijk te gaan doen en verdwijnt voor familie en vrienden van het toneel om zich ergens in Duitsland in een robbertflatje terug te trekken. Toch wordt hij op een dag op straat aangehouden door een detective in opdracht van zijn broer. De ontsnapping is mislukt maar Robbert weigert gehoor te geven aan de wens van anderen om terug te komen. Hij gaat opnieuw op pad, via Oost Europa reist hij naar een Grieks eilandje waar hij leraar wordt. Na een jaar of zeven neemt hij contact op met zijn oude jeugdliefde Chloe met wie hij altijd een liefdesrelatie wilde maar die hem nooit heeft gezien als meer dan een intieme vriend. Wanneer blijkt dat zijn verlangen ook nu niet realistisch is, laat hij opnieuw alles achter en vertrekt voor een nieuw levensdoel.

Een onderhoudend geschreven boek met verschillende thema’s daarin, waaronder: hoe omgaan met succes, hoe omgaan met verwachtingen van anderen, hoe lastig het is om je daar aan te onttrekken, hoe lastig het ook is om je te onttrekken aan het eigen onhaalbare verlangen, en over de moed die nodig is om je eigen weg te durven gaan. Knappe roman, zeker ook in de stevige dialogen tussen Robbert en Chloe.

In therapie.

De titel herinnert aan de gelijknamige televisieserie van een paar jaar terug – een mooie Nederlandse productie over een psychiater (gespeeld door Jacob Derwig). Maar in dit geval gaat het om de titel van een van de oudere werken van de bekende Amerikaanse psychiater Irvin D. Yalom, wiens kwaliteiten ik al kende van latere werken als Nietzsches tranen, De Schopenhauerkuur en Ik bel de politie – stuk voor stuk interessante boeken. Onlangs las ik dus In therapie, een van zijn eerste werken. Het was een merkwaardige ervaring die ik in het navolgende zo goed mogelijk zal proberen te verwoorden.

In In therapie lezen we het verloop van de behandeling van één patiënte die zelf ook, achteraf, mede auteur is van het boek – de onder pseudoniem schrijvende Ginny Elkin. Ginny heeft aan groepssessies meegedaan en ook daarvoor al in diverse therapieën gezeten. Omdat ze krap bij kas is, biedt Yalom haar aan haar individuele behandeling kosteloos te doen op voorwaarde dat beiden over elke bijeenkomst een reflectieverslag schrijven dat ze overigens pas na maanden met elkaar delen. Het grootste deel van het boek bestrijkt die reflectieverslagen, chronologisch geordend, per sessie eerste die van Yalom, daarna die van Elkin. Er is een ‘vooraf’ waarin de voorgeschiedenis wordt weergegeven en er zijn nawoorden van beiden. Yalom legt hierin uit welke vakmatige interventies hij heeft gepleegd, vanuit welke therapeutische optiek hij die heeft verricht en zo meer.
Ginny Elkin heeft al een behoorlijke geschiedenis met allerlei therapieën achter zich als Yalom aan het werk gaat. Hij weet dat en realiseert zich ook goed welke hypotheek dit legt op hun ‘contract’. Ginny lijkt hier veel losser in te staan, zich daar zelfs weinig van bewust.

Goed, het grootste deel van het boek bestaat dus uit de reflectieverslagen op de sessies – niet uit weergaven van de sessies zelf. We lezen bij zo goed als elke sessie twee heel verschillende belevingen met als constante dat er in de beleving van beiden sprake is van een opmerkelijke golfbeweging of beter: afwisseling van een goede en een minder of in het geheel niet als geslaagd te typeren sessie. Beiden zijn openhartig in hun reflecties, zeer openhartig zelf – zeker geldt dit voor Yalom. Zijn positie wordt daarmee ook wel kwetsbaar.

Ik ben geen vakgenoot van Yalom en matig mij geen oordeel aan over zijn professionele kwaliteiten Het enige wat ik heb zijn mijn leeservaringen bij deze reflectieverslagen en ik moet zeggen: af en toe (nou ja, laat ik eerlijk zijn: met enige regelmaat) was het tenenkrommend wat ik las, met name als het ging om Yaloms aandeel in de zaak. Yalom is doorlopend erg bezig met de bewuste en onbewuste werking van overdracht en tegenoverdracht in zijn relatie met Ginny terwijl Ginny zelf bijna met hem lijkt te spelen en keer op keer kan wegkomen door hem een kluifje toe te werpen. Van begin tot eind lijken de reflectieverslagen nauwelijks tot geen wezenlijke verandering in Ginny’s gedrag te genereren. Het proces sleept zich maar voort zonder dat er iets gebeurt. Misschien ligt het aan mijn verwachtingen ten aanzien van het verloop van een psychiatrische behandeling en is hier dus de niet-kenner aan het woord, maar toch. Ze spreken elkaar regelmatig gedurende twee jaar zonder dat er zoiets als een groei wordt getoond.

Het lijkt me niet ondenkbaar dat vakgenoten Yalom prijzen over zijn openhartigheid en over het, via de publicatie van dit boek, openbaar maken van de gevoelens die een therapeut kan hebben bij zijn patiënt. Ik sluit het niet uit. Neemt niet weg dat ik als buitenstaander me verwonder over deze reflecties, over de zelfingenomenheid die er in doorklinkt, de ijdelheid zelfs. Er zit iets exhibitionistischin therapie in. Is het een deugd om die persoonlijke rol zo te etaleren?
Overigens vond ik de theoretische onderbouwing die Yalom in zijn nawoord geeft verhelderend en leerzaam. Maar tegelijkertijd heeft het iets van een rechtvaardiging achteraf die bovendien niet congruent is aan de gevoelens die hij als therapeut na elke sessie heeft. Met andere woorden: er zijn veel sessies waarin hij aangeeft weinig grip te hebben gehad op het verloop van het gesprek – daar horen we hem niet over, wel over de interventies die hij wel gepleegd heeft en die hij achteraf uitlegt als succesvol.

Ergens in het nawoord toont Yalom zich erkentelijk jegens Elkin voor het gegeven dat hij door middel van dit boek heeft geleerd anders te schrijven dan hij daarvoor gewend was – minder op zakelijke verslaglegging, meer richting literatuur. Ik geloof hem onmiddellijk maar voeg er aan toe dat de reflectieverslagen van Ginny qua literaire kwaliteit tien keer beter waren dan die van Yalom al moet je dan wel voor lief nemen dat de grens tussen feit en fictie hierin wel vloeiend lijkt.
Per saldo kan ik niet anders concluderen dan dat ik in feite genoten heb van de literaire hoogstandjes van Elkin en me verbaasd heb over het soms als stuntelig overkomende gedrag van Yalom.
In de eindimpressie suggereert Yalom dat het een stuk beter gaat met Ginny en dat de therapie daar belangrijk voor is geweest. Ginny zelf geeft een genuanceerder beeld.

Ik las het boek uit op de dag dat Anne Hall van Woody Allen op de Nederlandse televisie werd uitgezonden. In deze film speelt Allen een neurotische stand up comedian die al 15 jaar (!) in therapie is. We kennen de ironische opvattingen van Allen over de populariteit van de shrink uit vele van zijn films. Raar, deze ironie sluit naadloos aan bij mijn leeservaringen bij In therapie.

Neem een geit

Nu we het toch over psychotherapie hebben: Claudia de Breij heeft er ook ervaring mee: het heeft haar geholpen om de echtscheiding met haar eerste partner te verwerken. Ze rept er een paar keer over in haar boek Neem een geit. Een slim gekozen titel trouwens want wie wil niet weten welke wijsheid achter dat advies schuilgaat?

De Breij is inmiddels veertig en maakt een soort morele balans op van de levenslessen die ze zelf heeft opgedaan, maar ze gaat ook te raden bij ‘wijze ouden’. Ze is geïntrigeerd door de vraag of het zo blijft dat je steeds alles zelf moet uitzoeken of dat er een moment komt dat je weet hoe dingen gaan. Niet dus. Geen mens ontkomt eraan om zelf vorm te geven aan zijn leven, om keuzes te maken, om te reflecteren op je ervaringen, en zo meer. Maar de Breij neemt wel het advies ter harte van de vorige Denker des Vaderlands, René Gude, namelijk dat anderen je daarbij kunnen helpen. Vandaar die ‘wijze mensen’ die ze, samen met haar huidige partner Jessica van Geel, interviewt: Willeke Alberti, Herman van Veen, Paul van Vliet, Hedy d’Ancona, Anne-Wil Blankers, Erica Terpstra, Hans Wiegel, Hanneke Groenteman en Nico ter Linden – me dunkt een illuster rijtje ‘ervaringsdeskundigen op hert gebied van het leven’ (maar wie is dat niet?).

De Breij bespreekt in een lange reeks van korte hoofdstukken allerlei zaken uit de persoonlijke en relationele sfeer: liefde, seks, eerlijkheid, gezondheid, positief denken, vertrouwen, liegen, verliefdheid, scheiden, verdriet, …. Waar dat relevant is haalt ze de wijze mensen aan of citeert ze rechtstreeks uit het interview dat ze met hem of haar had. Zoals de Breij zelf behoorlijk openhartig is in haar reflecties zo mededeelzaam zijn ook haar gesprekspartners en dat maakt sommige hoofdstukken krachtig en indruk-wekkend. Ik denk aan de vitaliteit van Hans Wiegel na tweemaal een verongelukte echtgenote, ik denk aan de rijpe inzichten van Nico ter Linden, aan de sterke wil van Willeke Alberti en ga zo maar door.

de breijNeem een geit past echt goed in de hedendaagse belangstelling voor praktische levenslessen. Kijk maar naar de weekendedities van landelijke kwaliteitskranten (zoals de serie Tien Geboden in Trouw, of de serie tegeltjeswijsheid) waarin meer of minder bekende Nederlanders reflecteren op hun levenservaring. Deze aandacht voor praktische levenslessen ligt weer in lijn met de meer filosofische belangstelling voor levenskunst, die voor velen een opvolger is van religie.
De functie van praktische levenservaring (van jezelf of wat je meekrijgt van anderen) wordt wel eens laatdunkend afgedaan als tegeltjeswijsheid maar ik deel dat niet. Ook veel levenslessen in Neem een geit zijn van het kaliber tegeltjeswijsheid maar dan wel van het doorleefde type. En dat spreekt me aan omdat die nog wel eens wil contrasteren met de inzichten uit de meer verheven levenskunstfilosofie. In feite geeft De Breij daar zelf ook een mooi voorbeeld van als ze het heeft over de functie van pijn. Zij citeert de levenskunstfilosoof Wilhelm Schmidt die over ‘pijn’ schreef: ‘de enige troost die je uit pijn kunt halen is dat het je heel dicht bij jezelf brengt, omdat het het meest intieme contact is dat een mens met zichzelf kan hebben’. Als De Breij dit inzicht aan Erica Terpstra voorlegt, reageert die hierop spontaan met: ‘Nou, me neus. Je moet gewoon zo snel mogelijk proberen er weer af te zijn’.

Het was zinvol dat De Breij het advies van René Gude serieus heeft genomen en heeft opgevolgd. Jammer dat Gude de presentatie van het boekje niet meer kon meebeleven. Terecht wordt hij vaak en met veel erkentelijkheid door De Breij geciteerd. Ik heb haar boekje met veel plezier gelezen.
O ja, de titel, die komt van Hanneke Groenteman die een Joodse parabel aanhaalt waarin de geit staat voor iets waar je graag van af wilt.

Erfenis zonder testament

De Breij is schatplichtig aan René Gude, de helaas overleden maar over zijn naderende dood opmerkelijk openhartige vorige Denker des Vaderlands. Zijn voorganger was Hans Achterhuis, die tevens de rij van DdV opende. Ik ben een fan van Achterhuis, las decennia terug al zijn boeken over de institutionalisering van de arbeid en van de ‘markt van welzijn en geluk’. Achterhuis schrijft altijd helder en goed gedocumenteerd. Verleden jaar verscheen Erfenis zonder testament, een verzameling filosofische reflecties bij de Tien Geboden (wat blijven ie heerlijk populair!) die hij samen erfenisschreef met literatuurwetenschapper Maarten van Buuren. In afzonderlijke hoofdstukken komen alle geboden aan de orde en wel volgens een min of meer vast stramien: eerst een historische achtergrondschets van het betreffende gebod (wat werd er toen mee geboogd), gevolgd door de bespreking van de opvattingen van een bekend filosoof die hetzelfde thema maar dan anders bespreekt, afgerond met een soort persoonlijke reflectie over de actuele waarde van deze inzichten.

Erfenis zonder testament – de Tien Geboden zijn ondanks de ontkerkelijking en ook ondanks de ontstane multiculturaliteit van de samenleving nog steeds een actief deel van onze cultuur maar de betekenis ervan, de duiding, is niet langer vanzelfsprekend. Achterhuis en Van Buuren doen wat mij betreft een zeer geslaagde poging om er weer een actuele betekenis aan de geven. Want ja, het is een veelzijdig boek, geschreven door twee erudiete geleerden die putten uit een diversiteit van culturele bronnen maar niet schuwen om (net als Claudia de Breij) ook hun eigen levenservaring in te zetten. Bij herhaling werd ik verrast zoals in het hoofdstuk over het gebod ‘Gij zult niet stelen’ en de verschuivende betekenis van dit gebod als gevolg van het veranderde eigendomsbegrip. En ja, het hoofdstuk over de begeerte kon natuurlijk niet zonder de bespreking van René Girard’s analyse van de mimetische begeerte.

De hoofdstukken laten zich goed los van elkaar lezen al is het wel handig om de rode draad in de aanpak goed in beeld te houden. Ik kan dit boek echt aanraden aan wie geïnteresseerd is in cultuurfilosofie. Het is echt heel informatief en toegankelijk geschreven.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Share
Posted in Boeken | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 2 Comments

Wat is toeristisch hardlopen toch leuk! -2-

We zijn weer terug na vier weken Noorwegen en Zweden en tijdens deze weken heb ik tien keer hardlopend de steeds andere omgeving verkend. In de eerste aflevering gaf ik al een ‘tussenstand’. Ook de lopen die daarna volgden waren bedoeld om indrukken op te doen van de directe omgeving van de plaats waar we met de camper stonden. Zo stonden we in Sveio pal aan een fjord met een hpim2506eigen visstek! Locatie: Victors Naturpark. Neen, we aten die avond geen zalm, maar toch – het was leuk om weer eens te hengelen. Tussendoor daar een stuk over de weg gelopen, lekker glooiend, dus mooie training. Krijg je na elke paar honderd meter echt weer een ander zicht op de fjord. Top!

In Amot (Noorwegen) stonden we op een prachtige camping aan de N 134 met aan de overkant van de weg een prachtig meer. Tja, daar lekker omheen rennen is dan een leuke en ook best inspannende uitdaging.

Op de terugweg door Zweden verbleven we twee nachten op camping Unda in Uddavalla – een leuk stadje trouwens. we fietsen er vanaf de camping naar toe en dat was langer rijden dan we dachten ;) Lopende die omgeving verkennen was een tocht op de bonnefooi. Ik startte langs het strand, ging vervolgens een stuk over de weg, daarna een grasveld over het bos in en kwam bij toeval uit op ongeveer 1,5 km van de camping. Dat tijdloze hollen en om je heen kijken, eventueel een stukje wandelen  waar de bodem te onregelmatig is als gevolg van boomwortels, soms stilstaan om vogels op te zoeken – dat is toeristisch hardlopen ten voeten uit!

In Angelsholm (Zweden) verbleven we ook op de terugweg in een natuurreservaat. Op de heenweg hadden we hier een zwarte specht gezien – een mooie ervaring die ik jaren geleden had in het zwarteDuinwaterleidinggebied van Amsterdam en nu dan vlak bij de camper. Prachtige vogel, groot voor een specht. Helaas, op de terugweg niet gezien, maar wel lekker weer dezelfde ronde van 9 km door het bos gelopen.

Eergisteren zijn we begonnen aan dik een maand op ons vakantiehuisje in De Bremerberg in Biddinghuizen. Gisteren mijn eerste loopje hier, richting de pas bremerbaaigeopende Bremerbaai, een mooi niet strandcomplex (strandjes, steiger, restaurant) aan de Flevoboulevard, ter hoogte van de afslag richting Biddinghuizen-dorp. Een aanwinst! Op de terugweg pakte ik een stukje mee van het laarzenpad, een route van vier kilometer door het bos vlak bij ons huisje die ook opnieuw is uitgezet. In het verleden zag ik hier regelmatig reeën en vossen. Dus dat pad ga ik de komende weken vaker lopen!

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Share
Posted in Lopen | Tagged | Leave a comment

Wat is toeristisch hardlopen toch leuk!

Het is al weer een tijd terug dat ik de leuke kanten van toeristisch hardlopen beschreef. Het gaat daarbij om hardlopen zonder dat er de prestatie (in tijd, in afstand, een persoonlijk record of wat dan ook) aan verbonden is zoals die inherent is aan wedstrijd lopen of recreatief hardlopen. Bij toeristisch hardlopen is er wel een opbrengst maar geen ander doel vooraf dan ‘genieten en je laten verrassen’.

Ik vind toeristisch hardlopen een volwaardige vorm van hardlopen, zeker in de niet commerciële versie zoals ik die bedoel. Ik merk namelijk dat er ook een commerciële versie is: bureaus die gidsen verhuren die hardlopend met jou een stad of een omgeving verkennen. Het gaat me dus om de niet- commerciële versie: zelf hardlopend op pad en je laten leiden door de mogelijkheden die zich aandienen: een plattegrond, een paaltjesroute of gewoon, je eigen nieuwsgierigheid. Na mijn afscheid van de marathon is dit toch echt wat mij betreft een prachtige en inspirerende voortzetting. Toeristisch hardlopen zou best wat meer bekendheid mogen hebben. Een LinkedIngroep die ik daarvoor in het leven riep, leidt helaas tot op heden een kwijnend bestaan. Het zij zo.

Scandinavië

We zijn op pad met een camper. Via Duitsland en Denemarken bereikten we zuid Zweden waar we een dag of tien op verschillende plaatsen hebben doorgebracht en op dit moment zitten we in Noorwegen. Ik probeer gemiddeld om de dag te lopen, al is het maar vijf kilometer – het hang af van het terrein: heuvelig? geschikt om hard te lopen?,  verkeersveilig?, enigszins bewegwijzerd? …

Ik liep inmiddels door een natuurreservaat, over het strand en langs de haven van een kleine kustplaats, door verschillende bossen en door de stad Oslo. Dat laatste leverde een mooie toevalstreffer op.

We stonden met de camper op een groot terrein aan de haven aan de rand van de stad. Ik wilde de stad verkennen en kwam al snel op een route van tien kilometer die apart is aangelegd voor voetgangers en fietsers (en toeristische hardlopers zitten daar net tussenin, toch?!) en die leidt langs verschillende mooie punten in de stad zoals de oude vesting, het stadhuis en het muziektheater (Opera). Alsof het toeristisch hardlopen in Oslo is uitgevonden. Hulde!

Ja, op vakantie gaan – wat is het dan fijn als de loopschoenen mee kunnen!

 

Share
Posted in Lopen | Tagged | 2 Comments

Open Mind Nr. 109 Gluren bij de buren

Neen, dit wordt geen pleidooi voor voyeurisme, althans niet naar de ongezonde variant daarvan. Het is de prikkelende aanduiding van een opkomend fenomeen in de wereld van de governance, ook in het onderwijs: toezichthouders die bij elkaar op bezoek gaan en na afloop hun waarnemingen als ‘de frisse blik van buiten’ en ‘kritische vriend’ teruggeven aan de ander. Noem het ‘collegiale visitatie’ of ‘bezoek met een opdracht’, zoals dat ook steeds meer terrein wint in de scholen zelf, onder bestuurders, onder schoolleiders en onder docenten.

Kop eraf

Op het moment dat deze Nieuwsbrief verschijnt zitten de eerste twee collegiale visitaties door toezichthouders erop. Initiatiefnemer is de VGS (Vereniging Gereformeerde Scholen) die de raden van toezicht van de zeven aangesloten scholen voor voortgezet onderwijs heeft uitgenodigd. Vier reageerden positief en doen actief mee, terwijl van anderen al signalen zijn ontvangen dat er interesse is voor het vervolg. De VGS verzorgt het secretariaat, zelf mag ik optreden als onafhankelijk voorzitter en verder doen er per visitatie andere toezichthouders mee aan het werk van de visitatiecommissie.

Leren van elkaar

De gedachte is dat toezichthouders van elkaar kunnen en willen leren. Daar zijn allerlei vormen voor. Bij visitatie gaat het om een blik in elkaars keuken: hoe heeft de ander ‘zijn boeltje’ georganiseerd? Waar houden ze zich mee bezig? Hoe doen ze dat? Hoe beleven ze dat zelf en welke beelden hebben het bestuur en de medezeggenschapsraad daarbij? Dat soort vragen.

Samen met vertegenwoordigers van de raden van toezicht is voor de visitaties een kader ontwikkeld waarin alle zaken die vanuit goed bestuur van belang zijn, geordend onder elf principes aan de orde kunnen komen.

Heldere procesgang

Er is een heldere procesgang: de raad van toezicht die bezocht gaat worden, stelt een beknopte zelfevaluatie op waarin een beeld wordt geschetst van het eigen functioneren. De zelfevaluatie heeft betrekking op de elf principes van goed bestuur, zoals het vertonen van rolvast gedrag en het actief kweken van vertrouwen door de beoefening van gezonde omgangsvormen.

Deze zelfevaluatie wordt vervolgens tezamen met allerlei stukken, zoals de statuten, reglementen, profielenlijst, jaaragenda en toezichtkader alsook de agenda’s en verslagen van drie vergaderingen, beschikbaar gesteld aan de visitatiecommissie.

Waarnemingen verzamelen en teruggeven

En dan is er de avond dat het gaat gebeuren: de visitatiecommissie bereidt de drie gesprekken voor die ze gaat voeren aan de hand van de leeservaringen bij het verstrekte dossier: het gesprek met (een delegatie van) de raad van toezicht, met het bestuur en met de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad. Vervolgens buigt de visitatiecommissie zich over haar waarnemingen. Deze worden geordend en waar relevant van een advies teruggegeven aan de bezochte raad van toezicht. Tot slot worden deze waarnemingen en adviezen in een beknopte notitie neergelegd.

Wanneer alle raden van toezicht aan de beurt zijn geweest, wordt het project geëvalueerd en wordt besloten over voortgang en eventuele wijzigingen in de werkwijze.

Vier lagen

Voor de visitatiecommissie is het interessant en leerzaam om te zien wat er in zo’n proces gebeurt. Er is namelijk sprake van vier lagen: er is een formele structuur zoals te vinden in de statuten en reglementen (‘zo hebben we het met elkaar afgesproken te zullen gaan doen’), er is een feitelijke situatie (die valt af te lezen uit de agenda’s en verslagen van vergaderingen en uit de zelfevaluatie), er is een beleefde werkelijkheid (die wordt gehoord tijdens de panelgesprekken op de avond van het bezoek) en er is een gewenste werkelijkheid (die eveneens uit de gevoerde gesprekken kan blijken).

Het zal duidelijk zijn dat deze vier lagen niet organisatie-breed congruent met elkaar zullen zijn. Dat geldt binnen een orgaan en het geldt tussen de organen uit de governancestructuur (intern toezicht, bestuur, medezeggenschap) – die hebben niet alleen niet dezelfde beelden van wat er feitelijk gebeurt, maar hebben, zo bleek, ook weinig beeld van de eigen verantwoordelijkheid van elk orgaan. Zo bleek (zoals vaker) dat medezeggenschapsorganen geen scherp beeld hebben van de verantwoordelijkheden van de interne toezichthouder hetgeen kan leiden tot allerlei misverstanden. (Zo maakte ik elders mee dat een medezeggenschapsraad in de veronderstelling leefde dat hij toezicht hield op de raad van toezicht. Niet dus.) Reden om die duidelijkheid wel naar elkaar toe te creëren, temeer nu de Wet Versterking Bestuurskracht, raden van toezicht en medezeggenschapsraden meer met elkaar in contact laat komen.

Dubbel bereik

Bij collegiale visitatie snijdt het mes naar twee kanten. Voor de bezochte raden van toezicht is het interessant en leerzaam om te weten wat collega’s vinden van de manier waarop ze hun taak uitvoeren. Voor de toezichthouders in de visitatiecommissie is het boeiend om te zien dat dingen ook anders kunnen, soms beter, soms maar liever niet zo. Die ervaring nemen zij mee naar de eigen raad van toezicht. Zo kunnen van een en dezelfde actie twee partijen groot voordeel behalen.

Deze column verschijnt binnenkort ook in de Nieuwsbrief van de VTOI.

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , , , , | Leave a comment

Open Mind Nr. 108 Loopt leren van het leven langs leuk?

We zeggen het bij B&T regelmatig tegen elkaar: ‘leren is leuk’. En dan zoeken we aantrekkelijke werkvormen die dit waarmaken. Ik heb collega’s die dat heel goed kunnen. ‘Leren’ en ‘leren leren’ hebben in mijn herinnering nog niet eerder zo in de belangstelling gestaan als nu. Dit geldt trouwens ook voor de wat oudere notie ‘levenslang leren’, een notie die een jaar of dertig geleden al veel aandacht kreeg, met name in de Franse benaming éducation permanente. Leren, het verwerven van competenties, jezelf ontwikkelen, open staan voor nieuwe dingen, elke dag beter, reflectie en zelfreflectie – het zijn even zo vele varianten van een antropologische constante – een niet te ontwijken menselijke opgave.

Neemt niet weg dat ik vroeger toch vaak gedacht heb dat je als mens op enig moment ‘af’ zou zijn: dat je weet hoe het leven in elkaar zit en dat je weet hoe je moet doen en niet moet doen. Niet dus. Het was een naïeve opvatting, dat zeker. Het bleek een illusie toen de waarheid tot me doordrong.

‘Toen viel het kwartje’

Ik denk dat het in diezelfde tijd was dat ik een lijstje begon aan te leggen van belangrijke leermomenten uit het verleden. Ik kwam niet zo ver als de Romeinse keizer en filosoof Marcus marcusAurelius die zijn Persoonlijke notities opent met negen pagina’s namen van ‘personen’ (afsluitend noemt hij de goden) van wie hij het nodige opstak. Wat mijzelf betreft; opmerkelijk genoeg waren die leermomenten zelden situaties van – zoals dat tegenwoordig vaak genoemd wordt – formeel leren: zoals op school of op de universiteit. Het waren veel vaker informele situaties die goed zijn te labelen als ‘toen viel het kwartje’, ‘o, zit dat zo?!’ Niet gearrangeerde maar ook niet louter toevallige leersituaties: het ging om momenten dat een ervaring van een ander exact een doorgang creëerde voor mij in de situatie van een impasse.

Pijnlijk

Maar er waren ook situaties die ik me herinner als confronterend, zelfs pijnlijk. Situaties die erin hakken. En het zijn die laatste situaties die ik zou willen omschrijven als ‘leren van het leven’. Anders dan bij het verwerven van competenties is ‘leren van het leven’ niet leuk maar een pijnlijk gebeuren met onomkeerbare gevolgen. Hoe ga je daar dan mee om?

Man met een missie

Onlangs sprak ik Philip Messak, directeur van het vmbo van CSG Vincent van Gogh in Assen. Philip heeft een rijk verleden, onder meer als beroepsmilitair. Als leidinggevende was hij erbij toen Nederlandse troepen de internationale opdracht in de enclave Srebrenica niet konden uitvoeren en bij terugkomst en nog lang daarna, daarop met veel onbegrip werden aangekeken. Ook zelf keek Philip de dood tweemaal in de ogen. Zijn ervaringen zijn vorig jaar opgeschreven door Kees Opmeer in het imagesboek getiteld Een man met een missie. Het is het aangrijpende verhaal van een opdracht die tegen de wil van de Nederlandse troepen en in volkomen onmacht als gevolg van het ontbreken van internationale luchtsteun, een zwarte pagina in onze nationale geschiedenis is geworden. Met traumatische herinneringen voor velen.

Lessen voor het leven

Philip heeft op zijn eigen wijze geleerd van deze diep ingrijpende ervaringen. Hij heeft daar een aantal ‘lessen voor het leven’ uit getrokken die hem nu helpen om jonge mensen te begeleiden op weg naar volwassenheid. Praten met Philip is een ontmoeting met ‘levend leiderschap’.

Inspirerende spiegel

In Man met een missie worden hoofdstukken over de missie van Dutchbat afgewisseld door hoofdstukken waarin Philip Messak een potentiële schoolverlater uitdaagt om te geloven in zichzelf. Op deze manier is een boek ontstaan dat ook voor leerlingen niet alleen informatief is maar hun bovendien een inspirerende spiegel voorhoudt.

Helden in het midden

Philip is bereid zijn ervaringen te delen en zijn ‘lessen in leiderschap’ ter beschikking te stellen van anderen. B&T geeft hem graag de gelegenheid om dat te doen. En op 11 oktober 2016 gaat dat ook gebeuren op de dag van de middenmanager, Helden in het midden. In de setting van College Tour verwachten wij een zowel indrukwekkende als inspirerende ‘oefening in leiderschap’.

Meer lezen

Kees Opmeer (2015). Man met een missie. Hoe Srebrenica het leven van schooldirecteur Philip Messak veranderde.

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , , | Leave a comment

Open Mind Nr. 107 Van burger tot gebruiker

Op 23 maart 2016 mocht ik een lezing houden op de eerste themabijeenkomst van RMU/GOLV, een onderwijsvakorganisatie in het reformatorische onderwijs, over ‘bijzonder onderwijs, bijzonder goed’. Neen, deze titel bedoelde niet een kwaliteitsoordeel over het bijzonder onderwijs uit te spreken. Het ging om ‘goed’ als zelfstandig naamwoord, ‘goed’ als een waardevolle verworvenheid. Ik heb deze lezing bewerkt tot een artikel.  Het accent is komen te liggen op de relatie tussen onderwijspolitiek en de consequenties daarvan voor het feitelijk aanwezige scholenbestand in de Nederlandse samenleving. In deze column een selectie citaten uit het artikel. Als ze uitnodigen het hele artikel te lezen: des te beter. De download is gratis.

Criteria voor scholenbestand

Het vertrekpunt ligt bij reflecties op mijn ervaringen als leerling, als student en als medewerker van de Besturenraad, thans Verus genaamd, waar ik van 1984 tot 2009 in verschillende functies actief was. Ook trek ik lering uit een aantal recente adviesactiviteiten vanuit mijn werk bij B&T. Ik gebruik deze reflecties om te schetsen hoe onderwijsbeleid zich ontwikkelt en hoe we dat merken in het feitelijk aanwezige scholenbestand in een bepaalde periode. Ik wil in deze historisch getinte schets een antwoord geven op de vraag ‘aan welke criteria moet het bestand van scholen in ons land voldoen in de zich voortdurend ontwikkelende samenleving?’ Met andere woorden, wat kunnen we oppikken uit die reflecties dat van betekenis kan zijn voor het opnieuw actuele publieke debat over onderwijsvoorzieningen?

Babyboomer

Ik ben van ’51, een babyboomer dus, groot geworden in de tijd van de wederopbouw. We woonden in Soestdijk, niet ver van paleis Soestdijk waar mijn vader hofkok was. Ik bezocht de Groen van Prinstererschool, genoemd naar de 19de-eeuwse grondlegger van de antirevolutionaire gedachte in de politiek. Daarna ging ik naar het Corderius Lyceum, nu Corderius College, genoemd naar Mathurin Cordier, de leermeester van Calvijn. De namen Groen van Prinsterer en Corderius spreken voor zich. Ze labelen het type onderwijs en opvoeding dat in de tijd van mijn jeugd behoorde tot een van de vier zogenoemde zuilen die Nederland in sociaal opzicht compartimenteerden – de Nederlands/Amerikaanse politicoloog Arend Lijphart schreef er in 1968 een bekend geworden studie over, over die verzuiling. Ik groeide dus op in de protestantse zuil; ons gezin was actief in de synodaal gereformeerde kerk.

In deze periode van wederopbouw en grote maatschappelijke activiteit was enerzijds soms sprake van sociale spanningen (denk aan de strijd om de eerste cao’s) maar anderzijds ook van een uitgesproken status quo op heel veel domeinen, zoals het onderwijs. Die status quo is herkenbaar terug te vinden in het aanbod van scholen in die periode: die waren levensbeschouwelijk verkaveld (vier grote richtingen protestants-christelijk, rooms-katholiek, bijzonder neutraal/algemeen bijzonder, openbaar onderwijs, en een aantal kleinere richtingen) maar voor het overige was de scholenstructuur zelf de weerspiegeling van de 19de-eeuwse standenmaatschappij: HBS, ambachtsschool, huishoudschool, handelsdagschool….

Scholen – ze waren niet van de overheid, die bekostigde slechts, ze waren echt van burgers zoals die verenigd waren in kerken, stichtingen en verenigingen (en ik zeg dus niet: ouders; ik heb het over burgers die vaak ook ouders waren). Enerzijds correspondeerde het beperkt pluriforme scholenbestand met de zuilen in de samenleving en pasten de scholen in de daarmee verbonden emancipatie van die zuilen, anderzijds reproduceerde de scholenstructuur de maatschappelijke verhoudingen. Daar zit iets paradoxaals in. Men emancipeerde in een zuil en gebruikte daarbij een scholenstructuur uit het verleden.

De VU en de UvA: het waren twee verschillende werelden en als filosoof in spé trek je je dan op aan het advies van de Duitse wijsgeer Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716) en ga je op zoek naar het beste uit die twee werelden.  Bij de VU leerde ik te kijken naar het waarom en het waartoe van de instituties in onze samenleving, bij de UvA leerde ik dat tradities permanent in beweging en ontwikkeling moeten zijn willen ze het commitment van haar aanhangers, de binding met de achterban, niet verliezen.

Opeenvolgende onderwijspolitieken

De vijftiger en zestiger jaren waren qua onderwijsontwikkeling betrekkelijk stilstaand. Idenburg spreekt hier van de periode van de distributieve onderwijspolitiek: tussen overheid en private onderwijsaanbieders zoals stichtingen en verenigingen, zeer overwegend bijzonder onderwijs, is er een staatsrechtelijke verhouding waarbij van overheidswege deugdelijkheidseisen en bekostigingsvoorwaarden worden gesteld.

Voor het openbaar onderwijs dat dan nog geheel in handen is van rijk en gemeenten, gelden deze eisen en voorwaarden als wet. De overheid is redelijk zuinig met eisen en voorwaarden en heeft zelf weinig politieke ambities met onderwijs. De onderwijspolitiek is volgend aan de maatschappelijke ontwikkeling. De overheid als distributieve overheid is vooral een eerlijke verdeler van middelen en onderhoudt daartoe een juridische relatie met de schoolbesturen.

Dit gaat veranderen in de jaren zestig met de invoering van de Mammoetwet, een initiatief van de katholieke onderwijsminister Cals. Maar echt iets veranderen gaat er ten tijde van het kabinet Den Uyl als Van Kemenade minister van Onderwijs is en zijn plannen voor de middenschool en voor de vernieuwing van het speciaal onderwijs (toen nog buitengewoon onderwijs genoemd) ontvouwt.  Onderwijspolitiek is niet langer volgend, maar geeft mede sturing aan maatschappijontwikkeling. Dat was in elk geval de bedoeling. De periode van de constructieve onderwijspolitiek breekt aan.

Overigens, zo’n bepaalde onderwijspolitiek is zeker niet het speeltje van een bepaalde politieke stroming of partij maar wordt breed politiek gedragen. CDA’er Deetman gaat er na Van Kemenade volop op door.

De constructieve onderwijspolitiek is van relatief korte duur(circa ) 20 jaar en vooral heftig. Na de constructieve onderwijspolitiek is er behoefte aan een nieuwe visie: één die een oplossing geeft aan de overbelaste staat, één die prioriteiten stelt en daarom selectief actief wil zijn: dan zitten we in de periode van de kerntakendebatten ten tijde van de kabinetten Lubbers waarin we zien dat bewindslieden als Ritzen en Wallage voor onderwijs een aantal duidelijke keuzes maken waarvoor ze breed draagvlak in onderwijs en politiek verwerven.

Als ik een typering zou moeten geven van de huidige onderwijspolitiek dan denk ik toch aan termen als efficiënt en effectief, kernwoorden uit de functionele benadering die zo eigen is aan deze tijdgeest. Deze functionele benadering is ingebed in een sfeer van prioriteitgeving aan het individu en toepassing van het profijtbeginsel, kortom een pragmatische onderwijspolitiek met enige liberale trekjes. Ik denk ook aan de opkomende betekenis van de onderwijssociologie (‘ongelijke kansen’).

Ik noem deze opeenvolgende onderwijspolitieken omdat ze enerzijds reageren op veranderingen in de samenleving en anderzijds die veranderingen ook kanaliseren. En ik vestig er de aandacht op dat deze onderwijspolitieken van langere duur zijn dan één kabinetsperiode en daarmee de steeds wisselende politieke coalities overstijgen.

Burger wordt gebruiker

Er voltrokken zich nog drie ontwikkelingen die relevant zijn voor ons thema: de afstemming van het scholenbestand op de wensen van en in de samenleving.

Allereerst de verstatelijking van het maatschappelijk middenveld door de vele initiatieven van de overheid, gesteund door de politiek. Je zou kunnen zeggen dat maatschappelijke organisaties, waaronder schoolbesturen, minder om zich heen keken om zich te laten aanspreken en vooral ‘naar boven’ keken, en dan bedoel ik niet de blik gericht op de Schepper maar op de overheid.

Als tweede: de verbestuurlijking van het maatschappelijk middenveld als gevolg van schaalvergrotingsprocessen. Met in het spoor hiervan: professionalisering van bestuur, van management en recentelijk: van intern toezicht.

Als derde: de ontzuiling van de samenleving. Deze gaat gepaard met toenemende culturele differentiatie en de daaraan verbonden behoefte aan nieuwe integratiemechanismen. Ten tijde van de verzuiling werd de samenhang overeind gehouden door koepeloverleg op het hoogste niveau. Met het afkalven daarvan werden nieuwe integratiemechanismen nodig. Denk voor wat betreft onderwijs aan de invoering van basiscurricula in de vorm van eindtermen, kerndoelen en examenprogramma’s.

We zien een beweging weg van de mondige, zichzelf organiserende en verantwoordelijkheid en daarmee risico nemende burger, richting een initiërende overheid die akkoorden aangaat met representatieve organisaties. Tegelijkertijd blijft er de vraag naar de grens van die verbestuurlijking, naar de grens van de bestuurlijke schaalvergroting en naar het behoud van de menselijke maat, ook in het onderwijs. De burger en diens behoefte om zich te verbinden met anderen gelet op een gemeenschappelijk ideëel belang, lijkt definitief uit beeld.

We zien veel politieke aandacht voor de belangen van ouders, leerlingen en studenten als gebruikers van onderwijs, en dus niet aandacht voor burgers en hun verbanden als aanbieders van onderwijs. En aldus zien we de opkomst van de fusietoets en intensivering van medezeggenschapsorganen en –procedures. De onlangs aangenomen Wet versterking bestuurskracht is hier een goed voorbeeld van.

Nieuwe bestuurlijke uitdagingen

Veel schoolbesturen staan voor belangrijke beslissingen die inspelen op lokale of regionale omstandigheden. Denk aan demografische krimp. Bestuurders realiseren zich dat ze elkaar nodig hebben, over de richtingen heen. Er zijn echter allerlei wettelijke belemmeringen voor samenwerking. Het is niet goed als integere bestuurders die adequaat willen reageren op ontwikkelingen in hun voedingsgebied en rekening willen houden met identiteitswensen van ouders, moeten uitwijken naar schijnoplossingen … omdat er politieke impasses zijn die verhinderen dat het scholenbestand opnieuw in rapport wordt gebracht met de actualiteit. Het stelt bestuurders voor de situatie dat ze persoonlijk risico’s moeten nemen omdat de wetgeving die hun bestaan eertijds mogelijk maakte, hen nu belemmert om vanuit dezelfde overtuiging dezelfde dingen te doen, zij het in een andere vorm.

Niet alleen juridisch, ook materieel zijn de grenzen tussen openbaar en bijzonder onderwijs niet meer zoals ze waren toen ze werden getrokken. Onze samenleving is veranderd, demografisch, cultureel, godsdienstig, levensbeschouwelijk, sociaal, noem maar op. Scholen staan opnieuw voor grote maatschappelijke opgaven die vaak niet langer geduid kunnen worden in termen van enkelvoudige identiteit. Ik denk aan de opvang van zorgleerlingen, aan integratie en cohesie in de samenleving, aan de opvang van vluchtelingen, aan het voorkomen van een tweedeling in de samenleving.

Bestaande structuren zijn niet altijd voldoende vernieuwende structuren. Waar burgers komen tot zinvolle initiatieven zouden zij steun mogen verwachten en mogelijk hulp van bestaande organisaties die langs dezelfde weg en vanuit dezelfde behoefte zijn ontstaan.

 

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , | Leave a comment

In stilte. Een filosofie van de afzondering.

Het boek In stilte van Jan Hendrik Bakker ligt na tweemaal lezen nog steeds op mijn bureau. Niet zonder reden. Mijn ambivalente leeservaringen vormen de achtergrond. Het thema is ronduit uitdagend, daar niet van. Ik verwacht een diepgaande filosofische analyse van wat portretafzondering met een mens doet of kan doen. Of over de al dan niet vruchtbare werking van stilte, zoals Joke Hermsen daar over schrijft. Er ligt zelfs de belofte in verscholen dat afzondering een na te streven goed is. De tekst op de achterflap klinkt even wervend en sluit bij deze verwachting aan. Hoe komt het dat dit op zich zo rijke boek die belofte wat mij betreft toch echt waar maakt?

De belofte

Ik citeer de hele tekst van de achterflap: “Ooit was het individualisme het grootste goed van de moderne mens, nu lijkt het ons grootste probleem: we willen vrij zijn, maar onze hebzucht dwingt ons in een economisch keurslijf; we willen authentiek zijn, maar de omgeving bepaalt in belangrijke mate onze identiteit; we willen betrokken zijn, maar onze digitale wereld weerhoudt ons van werkelijk contact. Hoe kunnen we het tij keren? Jan Hendrik Bakker pleit voor een herwaardering van afzondering in stilte, een toestand die in onze tijd wordt beschouwd als zonderling, zielig en ongezond. Maar, zo stelt Bakker, kijk naar belangrijke schrijvers en filosofen als Kierkegaard, Nietzsche, Baudelaire, Merton en Thoreau, die afzondering en stilte juist opzochten om er kracht uit te putten, om te protesteren tegen economische verspilling en weerwerk te leveren aan vervreemding en verlies van privacy. Je afzonderen is tegenwoordig moeilijker dan ooit, en daarom juist zo essentieel. In stilte laat zien dat afzondering dé manier is om onze individuele waarden te herijken.” Tot zover de flaptekst. Me dunkt, een heldere belofte.

Volheid van het leven

Voordat Bakker begint aan zijn reeks van ‘portretten en pleidooien’ introduceert hij in zijn inleiding een begrip dat later nog verschillende keren zal terugkeren: ‘volheid van het leven’, dat min of meer synoniem is voor de ervaring van zin.  De volheid van het leven wordt volgens Bakker ernstig titelbedreigd door het westerse individualisme dat mensen wijsmaakt dat de zinervaring in zichzelf te vinden is, als een soort geloof in jezelf – een bewust gecreëerd misverstand dat mensen pseudowaarden voorhoudt. Bakker omschrijft individualisme als de levenshouding die de gemeenschap niet als doel ziet, maar als middel ten behoeve van de enkeling. Tegenover het individualisme staat de ervaring van de volheid van het leven: het gevoel en de ervaring deel te zijn van een groter geheel. Deze ervaring kan zich op allerlei momenten en plaatsen voordoen.

Afzonderlingen

Bakker schrijft geleidelijk gefascineerd te zijn geraakt door allerlei filosofen en schrijvers die zich voor korte of langere tijd hebben teruggetrokken uit de wereld, uit de gemeenschap. Hij kiest het mooie woord: ‘afzonderlingen’, leest hun boeken en gaat met ze in discussie. In het afsluitende hoofdstuk trekt hij de verschillende lijntjes weer bij elkaar. Je hoopt dan dat dit een duidelijke afsluiting oplevert maar helaas is dat wat mij betreft niet het geval. Het was even zoeken naar de oorzaak maar ik denk dat het komt doordat Bakker in zijn boek niet consequent één lijn aanhoudt die hij ook expliciet maakt. Het komt mij voor dat Bakker de verschillende hoofdstukken op verschillende momenten en in verschillende gemoedstoestanden heeft geschreven. In het nawoord vermeldt hij dat slechts één hoofdstuk eerder verscheen – dus daar kan het niet aan liggen.

Mooie diversiteit

Bakker heeft niet geschroomd zich breed te oriënteren. Hij verdiept zich in de levenshouding van de asceten uit het begin van onze jaartelling, bespreekt romanciers die het leven in de natuur als onderwerp kiezen zoals Daniel Defoe (Robinson Crusoe) en de reactie erop van Michel Tournier (Vrijdag of het andere eiland), Tom Neale’s Een eiland voor jezelf en zo nog meer. Passend in onze nealetijd is zijn bespreking van Henry Thoreau’s Walden, or the life in the Woods: het streven naar autarkie. We kennen het van Frederik van Eden niet lang daarna. Bakker zet ernstige vraagtekens bij de zuiverheid van Thoreau’s motieven, hij noemt hem ongeloofwaardig omdat Thoreau een mooier beeld schetste dan de feitelijkheid. Maar later neemt hij dat oordeel terug omdat het immers om een literair werk gaat. Tja.

Grappig is ook het hoofdstuk over het dandyisme, het zoeken naar een esthetische levensstijl.  Oscar Wilde is het klassieke voorbeeld maar wij mogen ook denken aan Bram Moskowicz, Pim Fortuin of Mick Jagger. Bakker toont zjaggerijn grote belezenheid ook in dit hoofdstuk waarin hij Baudelaire en ook Huysmans bespreekt. Bakker is kritisch. Hij noemt de esthetische rebel een politiek castraat wiens hang naar het schone meestal niet leidt tot het produceren van het schone zelf (pag. 124). Ook Kierkegaard en Nietzsche ontbreken natuurlijk niet. Als meest recente afzonderling bespreekt Bakker het optreden van Ted Kaczynski bijgenaamd de Unabomber – een gewelddadige gek, een lone wolve. Ik kende hem niet maar het blijkt iemand die terreur niet schuwt.

Individualisme

Bakker gaat breed en toont een grote belezenheid die ik zeer bewonder. En juist dan is het zo jammer dat hij zichzelf toestaat om te gemakkelijk grote woorden te gebruiken die de lezer afleiden van het verhaal en (mij althans) snel gaan irriteren.

Om een voorbeeld te geven: Bakkers gebruik van het begrip individualisme. Ik gaf hierboven zijn omschrijving van dit begrip – een omschrijving die behoorlijk open is. Door het suffix ‘– isme’ overlaadt het woord zich met de connotatie ‘teveel van het goede, doorgeschoten’, maar op veel plaatsen had ik behoefte aan een scherp onderscheid tussen enerzijds aandacht voor de waarde van het individuele, het unieke en anderzijds de doorgeschoten betekenis ervan.

Ook over de actuele aanwezigheid van dit individualisme is Bakker niet eenduidig. De ene keer is het nog in opkomst, als een dreiging die ons te wachten staat als we niet ingrijpen (pag. 9), het andere moment is de werking ervan op zijn hoogtepunt (pag. 45) en op weer een ander moment lijkt de golf daar al weer overheen te zijn.

Wat ik ook lastig vind, is dat de auteur bij het schetsen van het huidige tijdsbeeld spreekt in de eerste persoon meervoud, in termen van ‘wij’ dus, waarmee hij klakkeloos veronderstelt dat iedereen die ervaring zal delen. Niet dus, althans, vaak niet. Een mooie zin die het voorgaande duidelijk maakt: “Zonder uitzondering komen ze (de besproken auteurs, hk) in opstand tegen de cultuur van geld en massaconsumptie. Hun extreme individualisme gaat veel verder dan het modieuze individualisme van de huidige neoliberale samenleving, waarin we ons willen onderscheiden van de ander om indruk te maken.” (pag. 23) Over wie heeft Bakker het hier? Over zichzelf en die hem lief zijn? Zo’n stijl creëert een schijnbare helderheid door extreme tegenstellingen neer te zetten waarbij de lezer ongevraagd wordt geplaatst op een van beide polen.

Vooroordelen

Ik schreef dat ik een heldere lijn in de verschillende hoofdstukken mis. Zo’n heldere lijn zou er zijn als Bakker helderder zijn eigen criteria zou hebben geformuleerd waarmee hij de werken van zijn gesprekspartners analyseert. Met het criterium ‘volheid van het leven’ kom je dan niet uit en andere normen blijven impliciet. Dat breekt echt op als Bakker met de filosofen en auteurs in discussie gaat. Hij lijkt dan stevig gehinderd te worden door zijn eigen vooroordelen en verwachtingen. Zo is het mij neale2volstrekt onduidelijk waarom hij Tom Neale verwijt dat hij oppervlakkig is (pag. 70). Misschien verwacht Bakker andere dingen maar dat zijn dan wel zijn eigen verwachtingen. Waarom verwijt hij de oude heremieten die kozen voor de weg van de innerlijke mystiek dat hun ascese ‘een vorm van autisme, een afsluiting van de ander’ is? (pag. 60). Soms zit Bakker zichzelf en daardoor een open omgang met zijn gesprekspartners behoorlijk in de weg.

Genoeg kritiek geleverd. Ik merk dat ik zuur ga worden en dat moet ik niet doen. Oordeel zelf.

 

 

Share
Posted in Boeken | Tagged , , | 2 Comments

Filosoferen over beweging en sport

Een paar jaar geleden liep ik regelmatig marathons, vaak meerdere per jaar. In die tijd speelde ik met de gedachte om een boek te schrijven over ‘filosofie en lange afstand lopen’. In dat boek wilde ik  begrippen en ervaringen uit het ene domein gebruiken om het andere domein te verhelderen.  Ik dacht aan filosofische begrippen(-paren) als tijd/duur en lichaam/geest en aan praktische deugden als doorzettingsvermogen en moed. En wat het lopen betreft dacht ik aan uithoudingsvermogen, lichamelijke verzorging (tot in de details: zoals tijdig nagels knippen), portretmentale voorbereiding, geritualiseerde handelingen en zo meer. En er zijn mooie, verbindende begrippen als discipline en training (dit laatste woord komt regelmatig voor in het werk van René Gude). Het is er (nog?) niet van gekomen. Er is wel een mooie vervanger verschenen: Filosoferen over beweging en sport van de jonge filosoof Damon Young.

Damon Young’s benadering van sport en filosofie sluit goed aan bij mijn voornemen. Hij volgt niet de gebruikelijke filosofische route van een actueel thema kiezen en omschrijven, dit thema verdiepen vanuit het werk van een of meerdere filosofen (filosofen staan graag – en terecht – op de schouders van de reuzen uit het verleden), gevolgd door een eigen herdefiniëring van het gekozen thema of discussie over het resultaat van het onderzoek. Young gaat anders te werk: hij vertrekt uit concrete ervaringen als beoefenaar van allerlei sporten: als hardloper, als gelegenheidsbokser, als tennisser, titelals zwemmer… Vanuit die ervaringen komt hij op thema’s als trots, offers, schoonheid, nederigheid, pijn en zo nog een paar die hij elk aanvliegt vanuit één sport. Voor hij daar aan begint, ruimt hij een hardnekkig  misverstand in de filosofie en in het dagelijks leven op: dat geest en lichaam twee gescheiden werelden zijn. En het is al helemaal niet zo dat lichamelijk goed ontwikkelde, sportieve mensen dom zijn en dat intellectuelen sportieve losers zijn. Een dergelijke tegenstelling verhult dat lichaam en geest elkaar hard nodig hebben, in wederzijdse richting. We zijn niet een geest die is opgesloten in een ons vreemd lichaam, we zijn beiden, ten voeten uit.

Young verhaalt uitvoerig de bewondering van de Grieken voor alles wat met het lichaam te maken heeft en de grote waardering voor de verzorging ervan door de beoefening van allerlei sporten, maar óók om de vormende waarde ervan voor een deugdzaam leven. Young concludeert: ‘Dat is de Griekse les: de sportschool levert meer op dan een strak lichaam – we ontwikkelen ook een beter gedefinieerde versie van onszelf. En dat is een levenslang project, niet een zomergril.’(pag. 29)

Lichaam en geest: ze werken op elkaar in. Young voert Charles Darwin (1809-1882) op als een mooi darwinvoorbeeld. Darwin maakte tot op hoge leeftijd bij ‘weer of geen weer’ wandeltochten (‘ergens tussen hobby en obsessie in’) en volgde dan steeds dezelfde route. Juist dat wandelen leverde hem veel nieuwe ideeën op. Wandelen als ‘een bewegende meditatie’. Ook Friedrich Nietzsche had die ervaring: ‘Alleen ideeën die tijdens het wandelen worden bedacht hebben enige waarde’.

Neuro-psychologen spreken over transient hypofrontality: door de lichamelijke beweging ontstaat er ruimte voor de vrijer denken, voor grotere toegang van zintuiglijke en motorische indrukken. Het is een vorm van ontspannen die de ruimte schept waarin nieuwe ideeën worden geboren en nieuwe verbanden worden gelegd. In een van de latere hoofdstukken staat de beoefening van het lange afstand lopen centraal en bespreekt Young de ervaringen die romanschrijver Haruki Murakami  daarmee heeft. (Young kan hier minder uithar3eigen ervaring spreken; hij bekent nooit een lagere afstand dan 14 km te hebben hardgelopen). Murakami erkent dat de cultivering van het fysieke uithoudingsvermogen van belang is voor zijn schrijverschap – dat vraagt immers ook om uithoudingsvermogen en discipline en om meer nog: een goede fysieke gesteldheid.

Sprekend uit persoonlijke ervaring kan ik alleen maar beamen dat het veelvuldig en langdurig hardlopen me behalve een goede gezondheid en goede conditie ook veel goede ideeën heeft opgeleverd. Vooral in de monotone tred, de vaste cadans van een uur of langer in eenzelfde tempo lopen en de gedachten laten komen en gaan, vooral dan valt alles op zijn plaats. Het creëert ook een prettig gevoel, een geluksgevoel. Het is populair om dit toe te schrijven aan de kweek van endorfineendor door de lichamelijke beweging, maar ik denk eerder dan de creatieve winst inderdaad komt door de ontspanning. Ik heb dezelfde ervaring ook op een ander moment, namelijk tijdens saunabezoek. Ik denk niet dat er dan endorfine wordt aangemaakt maar de werking van de sauna is dezelfde. Al in de eerste ronde zijn er de eerste effecten. (Ben ik de enige met die ervaring? Reageer!)

Young omcirkelt dus allerlei thema’s aan de hand van concrete sportervaringen – van zichzelf of van anderen. Mooi vind ik het hoofdstuk over ‘consistentie’ met als kernbegrippen constantheid en integriteit. ‘Integriteit wordt in veranderende omstandigheden bereikt; constantheid in veranderende tijden. Beide karaktereigenschappen zijn tendensen naar heelheid: het zijn deugden van consistentie, die onze verhalen tot eenheid maken’ (pag. 153) en ons daarmee een zelfbeeld geven, een verhaal over onszelf dat die heelheid omvat en ons leven in een perspectief zet.

Een beetje confronterend vond ik het hoofdstuk over trots. Gepokt en gemazeld in het calvinisme als 266px-David_Humeik ben, heb ik geleerd dat ‘trots zijn’ altijd intentioneel is: je bent trots op iets of iemand, maar in onze traditie nooit op jezelf. Young rekent daarmee af, of beter: hij zet David Hume (1711-1776) in die deze religieuze duiding van trots negeerde en het begrip definieerde als ‘plezier in jezelf’. ’t Is even wennen, maar het sluit wel aan bij mijn vreugde die ik elke keer ervoer als ik een marathon uitliep – een vreugde die ik zelf nooit labelde als trots maar als ‘wat een heerlijk gevoel dat ik dit zo maar kan’. Eerder een gevoel van dankbaarheid dan van trots.

Er is nog veel meer te vertellen over dit aantrekkelijke boek. Ik laat het erbij, ga zelf maar lezen. De boodschap zal duidelijk zijn: Young is een voorstander van wat hij noemt: intelligent sporten. Je zou zijn boek een moderne catechismus van de ASICS- gedachte kunnen noemen (zonder dat Young dat merk ook maar eenmaal noemt): anima sana in corpore sano, een gezonde geest in een gezond lichaam. Ik nam de kleine ergernisjes voor lief: de onbenullige reflectievragen en tips, de soms onnodige reflecties van de schrijver die steeds tussen haakjes zijn geplaatst, en de soms wat knullige vertaling. Gewoon even doorheen lezen en je niets van aantrekken. Er blijft veel waardevols over!

 

Share
Posted in Boeken | Tagged , , , , , | Leave a comment

Open Mind Nr. 106 Toezicht houden op onderwijskwaliteit is niet zo ingewikkeld

Toezicht houden op onderwijskwaliteit: het gaat toezichthouders in de regel minder gemakkelijk af dan toezicht houden op financiën. Ten aanzien van dat laatste bespeur ik weinig onzekerheid, als het gaat om onderwijskwaliteit is twijfel troef. Toch is ook dat niet zo ingewikkeld. In deze column een praktische benadering.

Drieslag

Soms helpt het als je de dingen eenvoudig probeert te houden. Noem het ‘ontbinden in factoren’. Voor onderwijskwaliteit stel ik voor om daarin drie lagen te onderscheiden.

Object van kwaliteitszorg
Bron
Houding toezichthouder
Basiskwaliteit
Oordeel inspectie en commentaar van het bestuur daarbij
Kennen, begrijpen, en ontwikkelingen in het externe toezicht volgen
Doelrealisatie ambities
Strategisch beleidsplan en voortgangsverslagen realisatie jaarplan
Volgen via rapportages, bijwonen activiteiten, schoolbezoek, ‘excursie’
Onderwijsontwikkeling
Omgeving
Themabesprekingen, studiedagen bijwonen enz.

 

Eerste laag: ‘de basis op orde’

Scholen worden van rijkswege bekostigd om te voorzien in onderwijs. Er zijn wettelijke eisen van deugdelijkheid en die moeten door de school in acht worden genomen om de bekostiging te behouden. Het is één van de taken van de Inspectie van het onderwijs om toe te zien of dit gebeurt. De Inspectie hanteert daartoe een kader waarin precies vermeld staat waar de Inspectie op let en welke normen daarin worden toegepast. Het niveau van kwaliteit zoals de Inspectie dat toetst kan worden aangemerkt als het basisniveau. Als je daaronder zit, gaat er echt iets niet goed en is een plan nodig om weer van rood groen te worden en liefst ook een plan om daarna groen te blijven. Dat laatste is soms lastiger dan het eerste. Basiskwaliteit is dus de kwaliteit die valt onder de verantwoordingsplicht van school en bestuur aan de externe toezichthouder. Iedere school is  opgelucht als de inspecteur tevreden is en dat is ook begrijpelijk. Maar voor de toezichthouder en het bestuur geldt dat de oogst niet groter is dan dat aan de eisen voor basiskwaliteit is voldaan. Oké, er volgt de mogelijkheid van het oordeel ‘goed’ van de Inspecteur. Dat is dan een mooie opsteker voor de school. Neemt niet weg: je zou kunnen zeggen dat basiskwaliteit een van de ingrediënten is van een gezonde bedrijfsvoering.

Tot de ‘plicht’ van het intern toezichthoudende orgaan behoort dat dit orgaan in eigen kring voorziet in kennis van het toezichtkader van de Inspectie en daarmee kennis om Inspectierapporten en –oordelen te kunnen interpreteren. Overigens reageert de interne toezichthouder niet op het rapport en oordeel van de Inspectie maar op het commentaar van het bestuur bij dit rapport en oordeel. Het is verstandig als degene(n) die in het interne toezichthoudende orgaan belast is met extra aandacht voor onderwijskwaliteit de ontwikkelingen in het externe toezicht ook volgt. Ik denk hierbij aan de operatie Toezicht in transitie.

Tweede laag: realiseren van ambities

Spannender wordt het als we kijken naar de tweede laag: die van de ambities. Waar de eerste laag betrekking heeft op ‘wat we moeten’, verwijst de tweede laag naar ‘wat we willen’: de eigen ambities, het eigen profiel van de school, de helder en zelfgestelde maatschappelijke opdracht van de school/scholen. ‘Waar we voor gáán met z’n allen!’ We richten ons dan niet op de normale eisen te stellen aan de bedrijfsvoering, zoals hierboven gesuggereerd, maar bevinden ons op het terrein van de doelrealisatie. Lukt het de school/scholen om idealen en strategische keuzes om te zetten in concrete doelen en praktijken? Voortgangsverslagen en beleidsevaluaties zijn de standaardmanieren om dit te volgen. Maar er is meer mogelijk: presentaties van betrokkenen uit de school in de vergadering van de raad van toezicht, schoolbezoek om het bereiken van bepaalde doelen mee te vieren –  dat soort acties. Het voordeel van dit laatste is dat deze bezoeken, die toezichthouders helpen zich een beeld te vormen van de praktijk van het onderwijs, daarmee een gerichte invulling krijgen.

Derde laag: onderwijsontwikkeling

De derde laag is die van de dialoog over onderwijsontwikkeling: het in eigen kring en/of met anderen uit de organisatie bespreken van trends en ontwikkelingen die mogelijk ook relevant zijn voor de eigen school/scholen. Ik raad raden van toezicht aan om de aandacht voor deze derde laag niet te isoleren tot een dagje op de hei of alleen het bijwonen van de jaarlijkse studiedag voor alle personeel. Juist als de basis op orde is en als ook de voortgangsrapportages over de doelrealisering in orde zijn, is het slechts een kwestie van organiseren om met regelmaat ook inhoudelijke themadiscussies met elkaar te voeren, al dan niet met betrokkenheid van anderen van binnen en buiten de school/scholen. En nu het gaat gebeuren dat raden van toezicht en (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraden voortaan twee keer per jaar om te tafel gaan zitten, raad ik aan die verplichte contactmomenten te besteden aan themabesprekingen over onderwerpen die de waan van de dag overstijgen en  beelden opleveren over wat er om ons heen gebeurt dat mogelijk ook relevant is voor de eigen school/scholen.

Share
Posted in Open Minds | Tagged , | Leave a comment