Open Mind (continued) Nr. 116 Leren van en met elkaar

Telkens ben ik weer verrast als ik zie hoeveel emoties leraren hebben bij het voorstel tot instelling van een lerarenregister. Kijk op Twitter @lerarenregister. Het schoolleidersregister lijkt op minder weerstand te stuiten. Hoewel ikzelf ook niet direct zal optreden als een vurig pleitbezorger van een dergelijk ‘instituut’ begrijp ik wel de maatschappelijke relevantie ervan en begrijp ik niet het paradoxale karakter van het protest ertegen onder leraren: je klaagt over het gebrek aan maatschappelijke waardering  en tegelijkertijd verzet je je tegen een probaat middel om die waardering te genereren.

Neen, ik ga niet serieus in op oneigenlijke tegenwerpingen als dat ‘registratie geen garantie voor bekwaamheid’ is. Natuurlijk is het dat niet. Dat weet een kind. Wat eerder curieus is, is het gegeven dat professionele registers in het onderwijs een zaak van de politiek zijn en van wetgeving. Je zou verwachten dat keuzes daarover gewoon zouden behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de beroepsgroep zelf.

Als ik al aarzelingen heb bij registers dan is het dat zulke instituten onvermijdelijk leiden tot normalisatie – in de dubbele, zowel positieve als negatieve zin van het woord: (a) negatief: reductie van veelvormigheid en uniciteit tot een standaard; noem het een vorm van isomorfisme, en (2) positief: (maatschappelijke) herkenbaarheid als categorie en als teken van (mogen we hopen) betrouwbaarheid.

Jezelf als beroepsgroep serieus nemen begint bij jezelf als professional serieus nemen. Bij dat laatste hoort: scherp blijven op je eigen ontwikkeling en op die van je collega’s, bevorderen van en bijdragen aan een professionele cultuur in je school, je niet verschuilen achter vage excuses als handelingsverlegenheid, en gewoon even een collega gaan raadplegen als je iets niet weet of kunt – dat soort dingen. Welnu, dat laatste kan in heel veel scholen beter. En het aardige is, als scholen daar echt werk van gaan maken, dan gebeurt er ook echt iets, zo merkte ik laatst weer bij een collegiale visitatie in het voortgezet onderwijs.

Een van de intrigerende vragen achter de idee van registratie is natuurlijk de vraag: wat doet ertoe? Anders gezegd, waar leer je als professional van? Het is een vraag die vanzelfsprekend in alle sectoren speelt maar die ik nergens zo expliciet en continu aan de orde gesteld zie als in het voortgezet onderwijs. Het is in mijn beeld een verdienste van de VO-academie dat aan deze vraag veel aandacht wordt besteed. Daarbij wordt breed gekeken, in lijn met de verschillende vormen van leren die in de leertheorie onderscheiden worden, zoals formeel leren, non-formeel leren en informeel leren.

Onlangs verscheen weer een update van het onderzoek onder schoolleiders en middenmanagers voortgezet onderwijs, de Monitor professionele ontwikkeling schoolleiders 2016 – een bescheiden document maar ook een leerzame stand van zaken die dicht bij de uitvoeringspraktijk blijft. Zelf heb  ik in 2014 in opdracht van de VO-academie samen met collega Gerben Zonneveld een onderzoekje gedaan naar de opbrengst van buitenlandse studiereizen door schoolleiders, ‘Met andere ogen kijken’. En vorig jaar mocht ik met Caroline Offerhaus en Martie Slooter, opnieuw in opdracht van de VO-academie, in een pilot onderzoeken of de door ons ontwikkelde werkvorm voor leren van elkaar, peer consultancy, een goede ingang vormt om de beroepsstandaard schoolleider voortgezet onderwijs tot een, noem het maar, levend instrument te maken voor de professionalisering van beoefenaars van dit beroep.

Interessant aan peer consultancy is dat deze methode van collegiaal leren van elkaar een aantal zaken combineert: reflectie op het eigen handelen, reflecteren op de reflectie van een collega/beroepsgenoot over zijn of haar eigen handelen, het leren geven en ontvangen van feedback, en het verantwoorden van gedrag en keuzes. In de pilot vormde de beroepsstandaard schoolleider voortgezet onderwijs de externe referentie voor de reflectiemomenten van zoals degene die reflecteert op het eigen handelen als voor degenen die daarop reageren. Het aardige van deze werkvorm was dat het leidt tot onomkeerbaar zelfinzicht, ondersteund met adviezen voor vervolg (vaak ook: voor ‘doorpakken’).

In de Monitor professionele ontwikkeling schoolleiders 2016 vallen interessante opmerkingen en ervaringen te lezen over de effectiviteit van bepaalde vormen van scholing. Zo worden scholingsactiviteiten die een verbinding leggen met de dagelijkse praktijk van de schoolleider in de eigen situatie, als zeer effectief gewaardeerd. Welnu, dit gebeurt dus bij werkvormen als peer consultancy en andere vormen van peer learning.

Het komt me voor dat beroepsregisters die open staan voor allerlei beweeglijke vormen van ‘leren van elkaar’, dus ook voor informeel en non formeel leren, een serieuze kans moeten krijgen.

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , | 1 Comment

Open Mind (continued) Nr. 115 Wat hebben raad van toezicht en (G)MR elkaar te bieden?

Wat veel raden van toezicht al deden, is sinds 1 januari jl. regel: raden van toezicht en (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraden zullen elkaar voortaan wettelijk verplicht tweemaal per jaar spreken. Het is een van de onderdelen van de onlangs in werking getreden Wet Versterking Bestuurskracht. Elkaar spreken is voor de meeste raden niet nieuw, maar hoe geven ze daar, gelet op de nieuwe situatie, een invulling aan die niet alleen voor elk van beide partijen iets oplevert, maar ook vanuit het perspectief van het geheel nuttig is?

In mijn frequente contacten met raden van toezicht was me allang duidelijk dat beide organen elkaar vaak wel zien staan, maar niet altijd goed weten wat ze aan elkaar hebben. Medezeggenschapsraden (ik laat het ‘gemeenschappelijke’ gemakshalve maar weg) hebben vaak geen goed beeld van wat de taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn. Er zijn er die de raad van toezicht benutten als klachtenbureau of menen dat ze opdrachtgever van de interne toezichthouder zijn. En omgekeerd zijn raden van toezicht weleens huiverig om het bestuur voor de voeten te lopen die immers het tegenover van de medezeggenschapsraad is. Vaak is er een jaarlijkse ontmoetingsbijeenkomst van beide raden of van vertegenwoordigers daarvan, al dan niet in aanwezigheid van het bestuur. Soms wonen toezichthouders als waarnemer een overlegvergadering bij, in andere situatie spreekt men elkaar op themadagen waar bepaalde onderwerpen besproken worden. Allemaal niks mis mee maar wel handig om, gelet op de nieuwe situatie, het er samen een keer over te hebben: hoe gaan beide raden invulling geven aan de halfjaarlijkse ontmoeting? Wat komt aan de orde? Wie initieert? Doet het bestuur mee of toch maar liever niet?

Twee organen, twee interne toezichthouders, toch verschil

Raad van toezicht en MR: beiden treden op als intern toezichthoudend orgaan. De taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn vastgelegd in de statuten en reglementen van de rechtspersoon (de stichting of vereniging). Raad van toezicht en bestuur zijn samen verantwoordelijk voor de rechtspersoon en voor de door de rechtspersoon in stand gehouden scholen een en ander met het oog op het maatschappelijk belang. De taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de MR zijn vastgelegd in de WMS. De bevoegdheden van de MR zijn van een andere orde dan die van de raad van toezicht. De opdracht aan de raad van toezicht is tenminste viervoudig: toezicht houden, belangrijke voorgenomen bestuursbesluiten goedkeuren, klankbord- en advies te zijn voor het bestuur en optreden als werkgever van het bestuur. Voor de MR draait veel, zo niet alles rond de bevoegdheden advies en instemming verlenen.

In de MR zijn de belangen vertegenwoordigd van ouders/leerlingen en personeel. Zij geven voice aan de belangen van twee groepen betrokkenen die directe belangen hebben bij veranderingen. Raden van toezicht worden geacht (en vaak dragen statuten dit ook op) om het opereren van het bestuur te beoordelen vanuit een zorgvuldige weging van drie soorten belangen: het belang van de stichting/vereniging als aanbieder van onderwijs (continuïteitsbelang), het belang van de scholen (in de regel verwoord door de MR) en het belang van de samenleving (een abstract en daardoor even lastig als essentieel te verdisconteren belang).

Contacten tussen raad van toezicht en MR zouden ertoe moeten dienen dat elk van beide partijen (en dat geldt evenzeer voor het bestuur!) zowel de eigen taak daardoor beter uitvoert als een meerwaarde beleeft van een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Dat zou in elk geval mooi zijn, toch?

Constructief samenwerken

Wat draagt bij aan een constructieve samenwerking tussen medezeggenschapsraad en raad van toezicht? Ik gooi er een paar wenselijkheden in bedoeld voor in tijden van goede verhoudingen (bij crisissituaties is meer nodig), ter overweging:

  • Vermijd onderwerpen waarover bestuur en MR actueel formeel overleg voeren en waarover het gesprek nog gaande is. Het kan alleen maar leiden tot onnodige verwarring, elkaar voor de voeten lopen, achterommetjes en dat soort onwenselijkheden. Bovendien: op enig moment zal de raad van toezicht hetzelfde voornemen van het bestuur ter goedkeuring voorgelegd krijgen en dan is een standaardvraag: hoe is het overleg met de MR verlopen? Daar tevoren invloed op hebben uitgeoefend door rechtstreekse communicatie tussen beide raden lijkt me minder zuiver.
  • Wees helder over de eigen verantwoordelijkheden van elk van beide organen. Zo is de raad van toezicht niet het klachtenbureau van de stichting en is de MR bedoeld om de visie van de bestuurder te toetsen aan het perspectief van de beroepskrachten en aan het perspectief van de vertrouwen-gevenden (ouders, leerlingen).
  • Geef elkaar de ruimte om te participeren in een volwaardige en gelijkwaardige relatie. Doe de leiding van de bijeenkomst om en om, kom samen tot agendavorming, evalueer samen de zinvolheid van de contacten,… Overigens, als raad van toezicht en MR tot de conclusie komen dat er een keer niets te bespreken is, dan kan een bijeenkomst natuurlijk gewoon gecanceld worden.
  • Bespreek onderwerpen die voor beide organen relevant zijn. Ik noem als voorbeelden:
    • De jaarlijkse update van het strategisch beleid: de notitie waarin het bestuur de raad van toezicht en de MR bijpraat over de relevantie van allerlei nieuwe ontwikkelingen voor de eigen organisatie en de gezamenlijke reflectie op deze update.
    • Een speerpunt uit het strategisch beleidsplan van de stichting/schoolplan van de school dat in uitvoering is. Hoe wordt dit op schoolniveau uitgewerkt? Hoeveel ruimte is daarbij voor het eigen profiel van de individuele school binnen een scholengroep? Waar loopt het team in de praktijk tegen aan? Levert het op wat er mee werd beoogd? Wat gaat goed, wat behoeft aandacht?
    • Een ontwikkeling waarvan verwacht mag worden dat die binnen afzienbare tijd gevolgen zal hebben voor de school/scholengroep. Denk aan krimp, aan personeelstekort, aan veranderde demografische verhoudingen, …..
    • Een ontwikkeling die onderwijs plaatst in een breder perspectief. Denk aan de bijdrage van onderwijs aan het lokale jeugdbeleid en het geheel van jeugdvoorzieningen.
    • Een ontwikkeling die actueel is in de professionele beroepsgroep, denk aan gepersonaliseerd leren, aan 21ste -eeuwse vaardigheden, aan doorlopende lijnen in de verticale kolom, aan rendementsvraagstukken, aan pedagogische en onderwijskundige vraagstukken, …
    • Een gezamenlijke evaluerende bespreking van elks bijdrage in een besluitvormingsproces inzake een bepaald onderwerp.
  • Neem de vrijheid om experts van buiten uit te nodigen, dus maak van een deel van deze ontmoetingen themabesprekingen en bevordering van deskundigheid.

Wat doen we met het bestuur?

Een vraagje in de sfeer van ‘wat doen we met moeder met Kerst dit jaar’? Ik hoop het niet. Sterker, ik hoop dat het bestuur de vaak geziene neiging om het contact tussen beide organen te controleren, in bedwang kan houden. Loslaten dus als je aanwezigheid niet nodig is. Zelf terugtreden en niet wachten tot het moment dat de voorzitter van de raad van toezicht vertelt dat ze het zonder jou ook wel kunnen. Maar omgekeerd, erbij zijn als er belangrijke inhoudelijke thema’s worden besproken die van strategisch belang zijn voor de school of scholengroep. Gezond verstand gebruiken dus.

Dat gezonde verstand blijkt ook als het bestuur voorstelt om regelmatig een informeel driehoeksoverleg te organiseren (Vz MR, Vz RvT, Vz CvB) waarin de verschillende processen en procedures op elkaar worden afgestemd.

Het lijkt me een onderwerp dat zich goed leent om ervaringen en suggesties te delen. Reageer gerust (harm.klifman@vbent.org). Misschien goed om in een latere column op door te gaan.

Doorsturen van deze (en andere) columns is natuurlijk toegestaan.

(Dank aan collega Jos van Elderen voor het meelezen en enkele suggesties)

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , | Leave a comment

De zevende functie van taal

Om maar gelijk bij het eind te beginnen: vijf sterren voor De zevende functie van taal van Laurent Binet. Want dat verdient hij! Wat een lekker boek. Origineel, gewaagd, verrassend, sprankelend, superieur, welsprekend, en zo kan ik meer welluidende kwalificaties geven. Van zevendezijn Hhhh was ik al erg gecharmeerd – een voortreffelijk geschreven en spannend verhaal over een aanslag op de man achter (gepaster: het brein van) Himmler. In De zevende functie van taal speelt Binet opnieuw met de werkelijkheid, nu die van het filosofisch milieu in het Frankrijk van het begin van de jaren ’80 van de vorige eeuw.

Alleen al het idee, hoe kom je erop. De periode van de grote kopstukken uit de Franse filosofie uit die periode: Sartre, Althusser, Derrida, Kristeva, Soller, Foucault natuurlijk en Roland Barthes, de schrijver van onder meer het ook in het Nederlands vertaalde Le plaisir du texte, met wie het allemaal begon. De laatste komt onder een busje en overlijdt kort erna. Historisch is nooit opgehelderd hoe dit kwam. Binet weet er wel raad mee en vult deze leemte met een verhaal dat op een vaak hilarische en regelmatig ironiserende manier ingaat op de grote filosofische controverses die in die tijd spelen. De grote namen in dat vaak in het publiek gevoerde debat (wat verschilt Frankrijk toch van Nederland als het gaat om de publieke aanwezigheid van het filosofisch debat) vormen allemaal een romanpersonage bineten Binet doet alsof hij er ter plekke bij was om niet alleen hun vaak chaotische dialogen vast te leggen maar ook en misschien wel vooral om hun hebbelijkheden en onhebbelijkheden, hun trots en kleinzieligheid te registreren.

We zitten in de tijd van de semiotiek, de wetenschap die gericht is op de betekenis der dingen, een wetenschap die niet alleen het talige als object heeft, maar in feite alle culturele uitingen beschouwt als systemen van samenhangende betekenissen. Dit is mooi te illustreren aan een van de hoofdpersonages genaamd Simon Herzog, docent semiotiek, die bij het zien van een gevaarlijke tegenstander deze aan de hand van allerlei uiterlijke kenmerken snel plaatst in een culturele en maatschappelijke context waarop hij vervolgens kan inspelen om de tegenstander onschadelijk te maken. Dit riekt allemaal naar geweld en dat klopt want daar is in dit boek volop sprake van.

Het verhaal gaat dat Roland Barthes tijdens zijn ongeluk dat plaatsvond na zijn lunch met presidentskandidaat Francois Mitterand, in het bezit was van een papiertje waarop de zevende functie van taal stond beschreven – een formule die de bezitter ervan de macht over het woord zou geven en daarmee over de werkelijkheid. Het zou gaan om een aanvulling op de dan bekende zes functies van taal die de linguïst Roman Jakobson eerder in beeld bracht. Politiek zeer gevoelig materiaal dus, temeer daar Frankrijk in een heftige verkiezingsstrijd om het presidentschap is verwikkeld. Al snel wordt duidelijk dat meerdere partijen geïnteresseerd zijn in dit document. In de roman volgen we inspecteur Bayart die opdracht heeft van de zittende president Giscard d’Estaing om het document te vinden. Bayart laat zich bijstaan door de genoemde Simon Herzog die de nodige kennis heeft op het gebied van de semiotiek. Samen gaan ze dus op zoek en zo belanden we in de kringen van een internationaal geheim genootschap waarin het disputeren aan de hand van stellingen tot kunst, of beter: tot strijd is verheven. Binnen de organisatie zien we een prachtige hiërarchie die regelt wie wie mag uitdagen. Aan de top staat Protagoras, daaronder de Sofisten, en zo lagere rangen. Binet schildert ons een paar van deze disputen en levert aldus prachtige staaltjes van welsprekendheid. O ja, een dispuut verliezen kost je wat: in elk geval een vingertop; wordt ter plekke ten overstaan van het publiek geregeld. Maar het kan nog erger en dat gebeurt ook. Philippe Soller, onder meer romanschrijver en echtgenoot van Julia Kristeva, kan ervan meepraten. Gelukkig is dit laatste bij mijn weten (tot nu toe?) alleen het geval in de roman, zoals ook Derrida die in de roman het loodje legt, nog in leven is. Maar dat geldt niet voor alle ‘feiten’ uit het boek zoals de moord die Althusser pleegt op zijn vrouw.

Het boek is op veel manieren te interpreteren en te waarderen.

Ik noem: als satire op het doorgeschoten Franse structuralisme dat soms verzandt in een soort geheimtaal dat velen intellectueel bevredigt maar dat ook volkomen buiten de werkelijkheid lijkt te staan. Tegenover deze geheimtaal zet Binet de zevende functie van taal in die ons niet echt wordt onthuld maar die alles lijkt te hebben van de perfecte performatief – een ‘uitvinding’ van Angelsaksische taalfilosofen, met name Austin en Searle: woorden die zelf de daad zijn waarnaar zij verwijzen, werkwoorden die de werkelijkheid door het uitspreken veranderen. Voorbeeld: de ambtenaar van de burgerlijke stand die met het uitspreken van de  woorden ‘ik verbind u in de echt’ het huwelijk voltrekt; het tekenen van de akte is slechts een formaliteit.  Ultiem voorbeeld: de goddelijke schepping uit het begin van het boek Genesis. Wie de zevende functie van taal goed vervult, beheerst de performatief perfect en heeft de macht over de wereld, zo lijkt het beeld.

De rechtstreekse ‘battle‘ tussen beide stromingen in de taalfilosofie (Amerika tegen Europa/Frankrijk, McEnroe tegen Borg, Searle against Derrida) wordt schitterend neergezet in de passage waarin het hele Franse milieu zich verplaatst heeft naar de VS. In het dispuut tussen beide richtingen is Binet werkelijk op zijn best. Overigens fascinerend om te zien hoe Binet speelt met de technieken van ecooverreding (dialectica) en overtuiging (retorica). En ja, bij wie zal hij dat geleerd hebben? Bij Umberto Eco misschien, die ook prominent aanwezig is in dit boek?

Ik noem: als satire op het genre detectiveroman: de alwetende rechercheur die verrassend steeds over nieuwe informatie blijkt te beschikken en er op andere momenten niets van begrijpt. Die een maatje nodig heeft om hem wegwijs te maken – waar kennen we dat van?

Ik noem: als satire op de serieuze karakterschetsen van het intellectuele Parijse milieu in die tijd door niet alleen de grote ideeën van de denker op te blazen maar door vooral hun kleingeestigheden daar doorheen te weven. En wat doet Binet dat knap. Zinnetjes met grote gedachten steeds afwisselen met zinnetjes die verwijzen naar banaliteiten. Klasse.

Ik noem: als satire op de heilige graal romans en al die andere verhalen waarin sprake is van een heilig voorwerp  dat opgespoord moet worden omdat het macht verleent over de wereld; verhalen met complotten waarin Dan Brown grossiert. Neem de bijeenkomsten van het geheime genootschap, zo treffend de Logos Club genoemd: je moet onwillekeurig denken aan Vrijmetselaars, aan alchemisten.

Ik noem de stijl: rechtstreekse taal, actieve zinnen, veel concrete woorden, veelheid aan beelden, vaak associndexiatief, vaak meerdere lagen in één dialoog.

Ik noem een echt Binet-dingetje dat me ook opviel in Hhhh: de auteur is af en toe zelf aanwezig in het boek, doet alsof hij stond toe te kijken en spreekt dan zonder blikken of blozen in de eerste persoon enkelvoud. Zo grappig.

Ik noem de mooie vertaling en las echt Nederlandse woorden als denkraam en Droste-effect. Ook klasse.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Share
Posted in Boeken | Tagged , , , | Leave a comment

Open Mind (continued) Nr. 114 Hoe openbaar bestuur en openbaar onderwijs uiteen gingen

Hoe duaal is ons onderwijsbestel eigenlijk nog? We hebben openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs. Maar we weten ook dat het openbaar onderwijs zich steeds verder heeft verwijderd van het openbaar bestuur waaraan het van oudsher is opgehangen. Op 17 januari 2017 mocht ik een inleiding houden op een bijeenkomst van raadsleden Gemeente Amsterdam en toezichthouders stichtingen voor openbaar basisonderwijs in Amsterdam. Onderwerp: de relatie intern en extern toezicht in het openbaar onderwijs. Deze column is een samenvatting van die inleiding. Rode draad: sinds 1993 is sprake van terugtreden van het lokaal openbaar bestuur uit het openbaar onderwijs en van toetreden als centrale speler op het gebied van het (brede) lokaal onderwijsbeleid. Een dubbele beweging dus.

Het is hier niet de plek om ons duale onderwijsbestel diepgaand te beschrijven. Laat ik volstaan met aan te geven dat we te maken hebben met twee grootheden, het bijzonder onderwijs en het openbaar onderwijs. Het bijzonder onderwijs berust traditioneel op particulier initiatief: burgers die zich organiseren in verenigingen en stichtingen om scholen op te richten die passen in een bepaalde richting (rk, prot.-chr., bijzonder neutraal, reformatorisch, vrije school enz.). Openbaar onderwijs is het onderwijs dat van oudsher door de overheid (aanvankelijk rijk en gemeenten, later alleen nog gemeenten) in stand wordt gehouden. De lokale overheid heeft lange tijd de volgende, klassieke functies vervuld: garant te zijn van voldoend openbaar onderwijs, zorgdragen voor bekostiging volgens dezelfde maatstaf (de zogenoemde ‘overschrijdingsregeling’ met als ultieme karikatuur ‘het gebroken ruitje’) alsmede natuurlijk het toezien op naleving van de leerplichtwet.

De dubbele beweging waar ik in het voorgaande op doelde is al even aan de gang maar start eerst echt goed in 1993. Na de hectiek die toenmalig minister van Onderwijs Deetman in 1988 veroorzaakt met zijn nota De school op weg naar 2000 volgt op instigatie van staatssecretaris Wallage een deetmanperiode van intensieve onderhandelingen tussen verantwoordelijk bewindspersonen en vertegenwoordigers van de vier toen nog levendige, zuilair georganiseerde onderwijskoepels (NKSR, NPCS, NABS en CBOO/VNG), het zogenoemde Schevenings Beraad Bestuurlijke Vernieuwing. Agenda: hoe bereiden we ons voor op een bestuurlijk sterke onderwijssector in het licht van open Europese grenzen? Onderliggende agenda: wie gaat waarover in het onderwijsbestuur?

In 1993 eindigt het Schevenings Beraad in een groots akkoord dat wel het startpunt kan worden genoemd van veel veranderingen die we in onze tijd normaal vinden maar die dat toen niet waren. Voorbeeld: in het Akkoord (juni 1993) en in het uitwerkingsoverleg dat daar op volgde (maart 1994), is voor het eerst afgesproken dat scholen dienen zorg te dragen voor een schoolplan, een managementstatuut, een schoolgids en een klachtenregeling en dat elke school een kwalitakkoordeitsbeleid dient te formuleren (uiteindelijk wettelijk vastgelegd in 1998).

Voor wat het onderwerp van deze column betreft, betekent het Schevenings Akkoord dat er voor het eerst afspraken worden gemaakt om te komen tot een andere verhouding tussen gemeenten en het openbaar onderwijs. Kenmerkend voor die andere verhouding is de ruimte die gemeenten krijgen om actief op te treden als subsidiegever van breed lokaal onderwijsbeleid, in het bijzonder van de toentertijd zogenoemde cumi-gelden. Ook worden er afspraken gemaakt over verzelfstandiging van het openbaar onderwijs, dus over een lossere relatie tot de lokale overheid, de gemeenteraad.

In 2004 start toenmalig minister Onderwijs mevrouw Van der Hoeven een interessante dialoog: ze agendeert de vraag naar de gewenste taakverdeling tussen openbaar (landelijk) bestuur en onderwijsbestuur – dat laatste heeft immers een forse bestuurlijke ontwikkeling doorgemaakt in de vorm van allerlei schaalvergrotingsoperaties, zowel op bestuurlijk als op instellingsniveau. Zij vraagt mariade Onderwijsraad om advies en die komt met het rapport Degelijk onderwijsbestuur – een titel die uitstekend past bij onze onderwijstraditie. In dit rapport komt onder meer de scheiding van bestuur en intern toezicht aan de orde. Niet verwonderlijk dat dit vragen oproept ten aanzien van de positie van het openbaar onderwijs. Antwoorden hierop worden in een aanvullend onderzoek in 2006 door de onderwijsjuristen Zoontjes en Vermeulen gegeven. En terwijl de volgende stap in de verwijdering van elkaar van openbaar bestuur en openbaar onderwijs wordt voorbereid, wordt de tegenbeweging verder geactiveerd in de instelling van het zogenoemde Lokale Educatieve Overleg/Agenda (‘LEA’) – die relatief nieuwe verantwoordelijkheid van Gemeenten als het gaat om onderwijs. Op deze educatieve agenda dient plaats te zijn voor onderwerpen op gebieden als de samenhang voorzieningen, de infrastructuur jeugd en het tegengaan van segregatie. Terugtreden dus aan de ene kant, toetreden aan de andere kant. Onderwijs-Nederland is er inmiddels aan gewend, aan het lokale, richtingoverstijgende onderwijsbeleid.

Parallel zien we een ontwikkeling waarin het bestuur van het openbaar basisonderwijs zich verdergaand verzelfstandigt: is het in eerste aanleg de Gemeenteraad als geheel die het bestuur vormt van het openbaar onderwijs, later wordt deze taak belegd bij een raadscommissie terzake, gevolgd door openbare stichtingen met een klassiek bestuur en een (algemeen) directeur).

Het debat dat minister Van der Hoeven in 2004 startte, mondt uit in de bekende Wet Goed Onderwijs Goed Bestuur waarin naast enkele andere onderwerpen ook de verplichte scheiding tussen bestuur en intern toezicht zijn beslag krijgt. Deze wet geldt voor alle onderwijsrichtingen dus ook voor het openbaar onderwijs. Voor die laatste richting wordt een belangrijke knoop doorgehakt: de begroting voor het openbaar basisonderwijs wordt in stichtingen met het raad van toezichtmodel maar eenmaal goedgekeurd en dat gebeurt door de (interne) raad van toezicht. Exit rol van de Gemeenteraad ten aanzien van deze bevoegdheid. Weer een stap dus.

De Wet Goed Onderwijs Goed Bestuur regelt nog iets: heeft de oudergeleding van de MR in het openbaar onderwijs al bijzondere, wettelijk geregelde, voordrachtrechten, nu krijgt ook de (G)MR het recht op een bindende voordracht van een lid van de (interne) raad van toezicht van stichtingen en verenigingen; deze regeling geldt voor alle onderwijs, inclusief het openbaar onderwijs. We zien dus de instelling van (beoogd) sterk intern toezicht én vergroting van de bevoegdheden van de (G)MR. In 2016 krijgt dit een vervolg in de Wet Versterking Bestuurskracht. Maar voor het zover is, passeren we nog het jaar 2013: het jaar waarin een wetswijziging leidt tot het opnieuw weghalen van een bevoegdheid van de Gemeenteraad ten aanzien van het openbaar basisonderwijs: de verzelfstandigde stichtingen voor openbaar basisonderwijs gaan voortaan zelf over het opheffen van een basisschool. Daarover moet wel netjes worden gecommuniceerd met de Gemeenteraad opdat die zijn garantfunctie desgewenst nog kan oppakken (wat op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is). En ook ouders die een vervangende school willen stichten, krijgen mogelijkheden aangereikt (maar hoe moeilijk is het stichten van een school niet?).

2016 dus, of eigenlijk 1 januari 2017, de datum van inwerkingtreding van de Wet Versterking Bestuurskracht die nieuwe bevoegdheden toekent aan de (G)MR, geldend voor alle richtingen. Door deze wet ontstaat er een soort driehoek bestuur – intern toezicht – medezeggenschapsraad waarbij wettelijk een contact is geregeld tussen raad van toezicht en medezeggenschapsraad, tweemaal per jaar. Het is bepaald niet overdreven om te stellen dat het toezicht op het openbaar basisonderwijs is jetverplaatst van de Gemeenteraad naar de (interne) raad van toezicht en de (G)MR. En dan laat ik alle toezichthoudende activiteiten van anderen maar even buiten beschouwing, zoals die van de accountant, van DUO en van de Inspectie van het Onderwijs. De Gemeenteraad is nog wel in beeld gelet op enkele wettelijk geregelde verantwoordelijkheden, samen aan te duiden als ‘externe toezichthouder op afstand’ waaronder het toezicht op de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs en de benoeming leden raad van toezicht. Daar staat dan tegenover dat Gemeenten als lokale overheden steeds actiever optreden als initiator op het gebied van onderwijs en jeugdbeleid. Ambities zijn lokaal verschillend, ingekleurd door de politieke samenstelling van de raden en besturen. De vraag wat voor soort interventies de gemeente kiest, is interessant. Faciliteert de gemeente op eigen inhoudelijke doelen boven hetgeen in landelijke wet- en regelgeving is geregeld of zet de gemeente in op ondersteuning van initiatieven van de lokale onderwijsaanbieders? Concentreert de gemeente zich op overstijgende onderwijsvraagstukken, zoekt zij naar samenhang met jeugdbeleid? Stuk voor stuk interessante vragen voor lokale politici. Lijkt me.

O ja, wat het duale bestel betreft: het openbaar onderwijs zal doorgaan met verbijzonderen waardoor alle onderwijs uiteindelijk bijzonder wordt en dus gewoon. Hoeveel kabinetten gaan we nog slijten voor dat het taboe doorbroken wordt en het duale stelsel wordt vervangen door een stelsel dat het beste van twee werelden in zich verenigt, dat meer is dan een compromis en dat een nieuw perspectief biedt voor een brede vorming van jonge mensen op weg naar volwassenheid?

 

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , , , | Leave a comment

Klant of lid?

Gisteren, op zijn vaste bezorgdag, kwam Ruben weer langs met de Beebox van deze week: een goed gevulde bak met verse Nederlandse producten, voornamelijk groenten. Zag er weer prima uit.

Ruben vertelde dat hij en zijn vrouw Marijke er binnenkort mee gaan stoppen. Naar aanleiding daarvan hebben we het over het aantal bakken dat zij wekelijks bezorgen. In zijn antwoord spreekt Ruben niet over het aantal klanten dat zij hebben maar het aantal leden dat lid is van de Beebox. Hé, dat valt op: Beebox (of beter: Ruben namens Beebox?) ziet mij niet als een klant maar als een lid. En als je ergens lid van bent dan is dat in mijn ervaring altijd van een vereniging.

Van een vereniging ben je lid omdat je een gemeenschappelijk doel of een gemeenschappelijk belang hebt. Volleyballen kun je niet in je eentje. Een serieuze wedstrijd spelen en daar voor trainen doe je in verenigingsverband, nietwaar? Autorijden doe je vaak wel in je eentje maar je bent niet alleen op de weg. En daarom ben je lid van de ANWB die je faciliteiten biedt die je in je eentje niet kunt realiseren. Dan gaat het om meer dan de verzekering dat ze je helpen bij pech onderweg, dus als je stilstaat. Er is als je op weg bent ook een gezamenlijk belang (veiligheid, overzichtelijkheid, heldere regels, en zo meer) en dat wordt gediend door de ANWB. Via de verenigingsstructuur hebben leden invloed op de manier waarop de ANWB met die belangen omgaat.

Terug naar de Beebox. Voor zover mij bekend geen club met een verenigingsstructuur. Toch heeft Ruben het over mij als lid en niet als klant. Dat laatste zou anders zo gek niet zijn geweest: ik betaal immers wekelijks € 30,– en krijg daar netjes een box verse en gezonde producten voor thuis bezorgd. Een eenvoudige transactie dus: geld schuiven, een box terugschuiven. Zoals in elke winkel gebeurt. Bij BCC ben ik nog nooit aangesproken met lid.

Ik vraag Ruben waarom hij er toch aan hecht om mij lid te noemen en niet klant. Zijn antwoord is helder: “door elke ontvanger van de box lid te noemen wil ik bijdragen aan de beleving waar het ons bij The Beebox om te doen is. Ik hoop dat die beleving daardoor groter wordt en bijdraagt aan de loyaliteit en het idee achter de box”.

Door een andere aanduiding te kiezen plaatst Ruben de handelingen die tussen ons worden verricht in een ander kader. De woorden klant en lid horen thuis in verschillende taalvelden, verschillende laadjes van samenhangende woorden. Het laadje waar klant in thuis hoort, bevat woorden uit het economisch verkeer: transactie, koper, verkoper. Het laadje waar lid toe behoort, is van een andere orde, heeft een andere statuur. Denk aan woorden als samen, gemeenschappelijkheid, belang, ideaal, …

Taal doet er dus toe.

Share
Posted in Reflecties | Tagged , , | 2 Comments

Open Mind (continued) Nr. 113 Integriteit in toezicht

Goed bestuur blijft in beweging. Het is nooit af maar evolueert mee met de maatschappelijke ontwikkeling. Zo duiken er steeds nieuwe thema’s op die in de aandacht staan. Denk maar aan thema’s als boardroom dynamics, diversiteit, aanspreekbaarheid en integriteit. Over dat laatste begrip wil ik het hier met u hebben.

Integriteit is een ingewikkeld begrip om met elkaar in een raad van toezicht te bespreken. Het is gemakkelijk om te roepen dat het aankomt op de inzet van een zuiver moreel kompas, maar waar is dat dan weer precies de metafoor voor? Hoe beeldend de vergelijking ook is, hij verduidelijkt niet echt.

Misschien is het handig om het begrip integriteit te ontrafelen in een aantal van zijn verschijningsvormen: in welk type situaties is er evident sprake van expliciete aandacht voor integriteit? Collega Jos van Elderen en ik hebben in ons boek De zachte kant van governance verschillende soorten situaties benoemd waarin integriteit er beslist toe deed. Zo is er echt verschil tussen institutionele integriteit, professionele integriteit en persoonlijke integriteit; elk van deze drie vormen stelt eigen eisen aan het intern toezicht.

Van institutionele integriteit is sprake als het gaat om het primaire belang van de stichting. Dit primaire belang betreft dan het stichten en in stand houden van scholen in een of meer sectoren en vaak ook met een bepaalde pedagogische of levensbeschouwelijke identiteit. Statuten voorzien in de regel van een goede markering hiervan. Het is aan de toezichthouders om voorstellen van het bestuur hier steeds te toetsen.  Dat klinkt wellicht wat ‘conserverend’ in een tijd die schreeuwt om verandering, maar toch … het is geen overbodige luxe om deze toets uit te voeren.

Professionele integriteit speelt op verschillende levels i de organisatie. Op dat van de raad van toezicht zelf maar ook op andere niveaus. Wat het eerste betreft, er bestaan amper maatstaven voor ‘de professionele toezichthouder’, maar dit betekent niet dat integriteit er niet toe doet. Hierover straks meer. Eerst wil ik melding maken van een spanning die kan bestaan tussen governance-regels enerzijds en professionele maatstaven die inherent zijn aan de beoefenaren van de kerntaak van de instelling: de onderwijsgevenden anderzijds. Om een simpel maar wel veelvoorkomend voorbeeld te geven: de spanning tussen aan de ene kant voldoen aan rendementseisen met het oog op de bekostiging en aan de andere kant pedagogische en onderwijskundige doelstellingen. In het voortgezet onderwijs is er vaak de spanning tussen onderbouw (kansen geven) en de bovenbouw (afgerekend worden op rendement). Maar ook een verschijnsel als diploma-stapelen is er een. De overheid houdt er niet van omdat het geld kost, maar vanuit een oogpunt van pedagogiek en ontwikkelingspsychologie zijn er goede argumenten pro aan te voeren.

En dan de persoonlijke integriteit – wanneer er expliciet over gesproken wordt is dat vaak omdat er iets aan de hand is. Denk aan de schijn van belangenverstrengeling die ontstaat door het niet tijdig melden van een wijziging in de persoonlijke situatie van de toezichthouder. Veel raden van toezicht hebben hier goede afspraken over, bijvoorbeeld de afspraak dat wijzigingen altijd worden voorgelegd aan de voorzitter van de raad van toezicht. Of de afspraak dat nevenfuncties jaarlijks worden geïnventariseerd ter gelegenheid van het jaarverslag. Maar helaas, dit blijkt niet te verhinderen dat het soms fout gaat en er gedoe ontstaat.

Er is nog een situatie op het vlak van persoonlijk integriteit die ik hier wil aankaarten, zij het met de nodige voorzichtigheid en voorbehouden. Ik doel op de vele gesprekken in raden van toezicht over de hoogte van de vergoeding. De discussies hierover en ook de meest gebruikte argumenten zullen bekend zijn. Waar het mij om gaat, is dat ik me niet aan de indruk kan onttrekken dat er situaties zijn waarin het argument ‘toezicht houden is een vak’ wel erg letterlijk wordt genomen. De richtlijn van de VTOI ondersteunt dit argument met bijgevolg een opdrijvende werking van de kosten van het intern toezicht.

Het Nederlandse onderwijsbestel kent van oudsher een sterke traditie van actieve ‘burgerparticipatie’ op allerlei posities: in de medezeggenschap, in het klassieke bestuur, in het intern toezicht en zo meer. Soms lijkt het er op dat we deze burgerparticipatie definitief aan het vervangen zijn voor een complete kolom van oude en nieuwe beroepsgroepen.

Moeten we dit zien als een natuurlijke ontwikkeling of zit hier ook een aspect van integriteit aan?

Deze column verschijnt ook in de Nieuwsbrief van de VTOI, december 2016.

 

 

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , | Leave a comment

Open Mind (continued) Nr. 112 Ignatiaanse levenswijsheid

De vorige column, over dankbaarheid, schreef ik tijdens een retraite op het prachtige kasteel Slangenburg bij Doetinchem. Ook deze column, over Ignatiaanse levenswijsheid, groeide tijdens een retraite, nu op mijn vaste stek: het Clarissenklooster in Megen – een clarissencontemplatieve gemeenschap, de vrouwelijke tak van de Franciscanen. Ik kom daar nu al meer dan 25 jaar, vaak enkele keren per jaar, om op verhaal te komen. Bezinning en persoonlijke vorming staan centraal terwijl ik me invoeg in het strakke dagritme rond de verschillende godsdienstoefeningen.

En ja, ze komen binnen: de zinrijke woorden, de zichtbare toewijding, de gezonde soberheid, de contemplatie, de hartelijke gastvrijheid, de devote wijze waarop handelingen worden verricht, de intense aandacht voor rituelen en de permanente en levendige herinnering aan een leven dat liet zien hoe een mensenleven en hoe samen-leven bedoeld zijn.

De stichter van de orde, de heilige Clara van Assisi (1193-1253) spreekt in haar testament van het verlangen om als gemeenschap de liefde van God voor de mens zoals zichtbaar geworden in Jezus,clara te spiegelen in de wereld opdat de wereld zich hier weer aan kan spiegelen. Tja, dat klinkt nogal verheven en wat pretentieus en dat zou het ook zijn als je niet beter wist en niet zag met welke bescheidenheid en oprechtheid dit dagdagelijks wordt gepoogd.

Kloostergemeenschappen – het zijn bijzondere gemeenschappen waarin het leven verloopt volgens eigen regels, gewoonten en rituelen. De tijd van de grote invloed van kloostergemeenschappen op het maatschappelijk leven ligt achter ons. Maar voor mij blijven het waardevolle en levende getuigen van inspirerende waardenpatronen. Ik hoorde dit weekend dat de belangstelling voor het kloosterleven weer aantrekt, met name bij jongeren. Ik hoorde over hun nieuwsgierigheid naar en openheid voor deze levensvorm. Rancune, cynisme of superioriteitsgevoelens (‘ik ben religie voorbij’) is de jonge generatie vreemd.

In retraite gaan, dat doe je niet onvoorbereid. Ik kies altijd zorgvuldig de boeken die ik mee wil nemen. Dit keer kies ik, naast een roman, voor het onlangs verschenen boek over ignatiaanse james-martinspiritualiteit van James Martin SJ, met de uitdagende titel Het Jezuïetenantwoord op (bijna) alle vragen. Over pretentieus gesproken, maar opnieuw geldt ook hier: de schijn bedriegt. De ondertitel Spiritualiteit voor het echte leven strookt volledig met de inhoud die getuigt van grote realiteitszin en van grote empathie voor de volkomenheden en onvolkomenheden van veel menselijke strevingen. st_ignatius_of_loyola_1491-1556_founder_of_the_jesuitsDe ignatiaanse spiritualiteit volgt de inzichten van de stichter van de orde der Jezuïeten, de Sociëteit van Jezus (vandaar SJ), Ignatius van Loyola. De orde werd in 1540 door de Paus erkend.

Bij spiritualiteit gaat het voor mij om de praktische verbinding van je geloof met je levenspraktijk. Spiritualiteit is daarmee minder een intellectuele fascinatie  dan de praktische uitdaging om jezelf niet te verliezen in een stroom die van buiten komt,  door het opbouwen van een innerlijk dat geïnspireerd door een heilige traditie, eigenstandige keuzes durft te maken. Spiritualiteit is geen vaag iets-isme maar is open staan voor de invloed van God op je leven.

anselmIk heb al veel over deze invulling van spiritualiteit gelezen, ben goed bekend met het werk van Anselm Grün (ook een heel toegankelijk auteur) maar las niet eerder zo’n praktische verhandeling over de toepassing van spiritualiteit op het praktische leven. Die James Martin, op Twitter goed voor 80.000 volgers, is een onderhoudend schrijver en kan ook personen aanspreken die zijn christelijke invulling niet tot hun persoonlijke zullen maken. Zeker in deze tijd van grote belangstelling voor filosofie en levenskunst heeft de ignatiaanse spiritualiteit een interessante boodschap. Ik zou dit willen illustreren aan de hand van twee voorbeelden uit het boek: het levensgebed en ignatiaanse noties rond leiderschap.

Levensgebed

Het levensgebed kan worden gezien als een methode voor innerlijke groei die verrassend veel lijkt op het eigentijdse seculiere pleidooi voor reflectie op het eigen handelen en op het verkrijgen van inzicht kierkegaardop de effecten daarvan op jezelf en op anderen. Het levensgebed combineert wat mij betreft organisch hetgeen de Deense filosoof S. Kierkegaard eens zo mooi opmerkte: “het leven moet voorwaarts geleefd worden maar kan slechts achterwaarts begrepen worden”. Het levensgebed bevat stappen om terug te kijken en om vooruit te kijken.

Het levensgebed wordt zo mogelijk eenmaal per dag gebeden en bestaat uit de volgende stappen:

-Dankbaarheid (daar is hij weer, hk): het oproepen van alle gebeurtenissen van de voorbije dag waarvoor je bijzonder dankbaar bent.

-Terugblik: het in herinnering nemen van alle gebeurtenissen van de dag, zo gedetailleerd mogelijk, met aandacht voor de momenten waarop er iets ‘gebeurde’(Martin: waarop je Gods aanwezigheid hebt gevoeld) of kansen had om te groeien of die hebt laten liggen.

-Verdriet: herinner je alle acties waar je spijt van hebt.

-Vergeving: door gebed of door te besluiten om je te verzoenen met iemand die je hebt gekwetst.

-Genade: de vraag om de volgende dag oog te hebben voor momenten dat er ‘iets gebeurde’ (ignatiaans: tekenen van Gods aanwezigheid).

jezuiIk heb van de stappen van het levensgebed een wat seculiere omschrijving gegeven omdat ik niet verwacht dat iedere lezer van deze column de christelijke duiding zal appreciëren terwijl de methode ook zonder die duiding waardevol is om innerlijke groei mogelijk te maken (of om te werken aan je ‘morele kompas’). Dat brengt mij gelijk bij het tweede voorbeeld: ignatiaanse noties rond leiderschap.

Ignatiaanse noties rond leiderschap

James Martin heeft zich hier laten leiden door de inzichten en ervaringen van Chris Lowney zoals beschreven in diens Heroic leadership. Best practices from a 450-year-old company that changed the lowneyworld. Lowney is ex-Jezuïet en investeringsmanager. Hij stelt dat het leiderschap van Jezuïeten is gebaseerd op vier pilaren: zelfbewustzijn, vindingrijkheid, liefde en heldendom. Opnieuw een rijtje woorden dat gemakkelijk op het verkeerde been zet. Daarom bij elke pilaar wat toevoegingen:

-Zelfbewustzijn: weten wie je zelf bent, weten wat je waardeert, kennis van je zwakheden en je tekorten door permanent reflecteren.

-Vindingrijkheid: open staan voor nieuwe ideeën, creativiteit, veranderen vanuit niet-onderhandelbare principes en waarden, weten wat er echt toe doet en kunnen relativeren van bijkomstigheden (durven ‘onverschillig’ te zijn), je kunnen aanpassen aan omstandigheden, goed afstemmen op contextueel bepaalde doel-middelverhouding.

-Liefde: anderen tot ontwikkeling laten komen, ‘openen in vertrouwen’ (wat klinkt dat anders dan het economisch equivalent ‘investeren in mensen’ hk), compassie, vriendelijkheid, barmhartigheid.

-Heldendom: beter willen doen als het beter kan, permanente groei, niet afwachten maar actief kansen benutten, initiatief nemen vanuit een beeld van toekomst die inspireert.

James Martin voegt zelf drie extra pilaren toe, specifiek gerelateerd aan werksituaties:

-Besef van waardigheid van werk (ongeacht het soort werk).

-Aanvaarding van mislukking: je hebt niet alles in eigen hand, zeker niet als je met mensen werkt; leer dit te aanvaarden.

-Vertrouwen op God: dit brengt nederigheid en vrijheid.

Afronding

Hiervoor gaf ik aan dat er onder jongeren belangstelling is voor levensvormen zoals kloosters die megenpraktiseren en voor spiritualiteit. Misschien bieden deze noties van leiderschap en de methode om daar aan te werken (levensgebed) hen inspiratie. En ach, dit geldt niet alleen voor jongeren, zo merkte ik zelf tijdens deze retraite in Megen.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , , , , | 2 Comments

De wraak van Vondel

Cabaretier en schrijver Frank van Pamelen schreef vorig jaar zijn eerste literaire thriller, De wraak van Vondel. frank-van-pamelen‘Literaire thriller’ – het is een aanduiding die we natuurlijk vaker tegenkomen, zeker bij auteurs van Esther Verhoef, Simone van der Vlugt en ga zo maar door. Maar in het geval van De wraak van Vondel krijgt dit label toch wel een echt geheel eigen invulling. ‘Literair’ is het minder door de belletristische vaardigheden van de schrijver dan door de centrale plaats die de literatuur er in inneemt, met name de poezie van de 16de en 17de eeuwse Rederijkers. En als ‘literair’ al van toepassing is op dit boek dan vooral door de taalkunstige trucjes die de auteur plaatst in diezelfde Rederijkerstraditie die net zoveel belangtelling had voor de vorm als voor de inhoud.

En ‘thriller’ dan? Nou neen, als je echt spanning zoekt, suspense, zweet in je handen, angstig om je heen kijken bij elk onverwacht geluid, dat niet. Maar het is wel een meer dan vlot geschreven verhaal met een snelle aaneenschakeling van onverwachte momenten in een thema dat heel dicht staat bij onze nationale historie: de dynastie van de Oranjes zoals die in 2013 door de abdicatie door Beatrix en kroning van Willem Alexander een volgende episode is ingegaan. Ja, deze nationale recente gebeurtenis staat centraal, of beter: de voorafgaande avond en nacht, want daarin gebeurt het meeste van hetgeen zich afspeelt in de roman. Hartje hoofdstad dus met allerlei prominenten dien zich voorbereiden op de grote dag: de burgemeester, de premier, de kabinetchef, een niet nader genoemde prinses en schoonzuster van de koning in spé. En twee gewone burgers: de jonge journaliste Maaike van Reede van NRC Next die onverwacht historisch bloed in zich heeft en de Leidse historisch letterkundige Olivier Huizinga (inderdaad, de ene helft van Olivier en Adriaan) die samen via allerlei fragmenten van, vooral wraakVondeliaanse, poëzie een spoor volgen door de binnenstad van Amsterdam om uiteindelijk terecht te komen op de plaats waar de wraak van Vondel zich zal voltrekken. Het zijn vooral al die leuke verbindingen met personen en plaatsen die we allemaal kennen maar die net even anders uitpakken dan je had verwacht, die het boek zo onderhoudend maken.

Het gaat om een eeuwenoud verdriet als gevolg van een schanddaad, voltrokken door een lid van de Oranjes, die op enig moment gewroken moet worden. Nou dat gaat ook gebeuren en voor het zover is,  heeft menigeen het loodje gelegd. Ja, er vallen doden in die dag en die nacht voorafgaand aan het grote event.

Heerlijk zoals Van Pamelen kan spelen met letterkundige feiten en gebeurtenissen in een ingenieus bedachte aaneenschakeling van intrigerende gebeurtenissen. En wat me vooral aanspreekt is de speelse wijze waarop taalkunstenaar Van Pamelen daar ook zelf al schrijvend deel van wordt.  Neem, ter illustratie de regelmatig voorkomende zogenoemde basaltwoorden. Naast die speelse taal is er ook de humor in het verhaal. Ik denk aan de leuke correcties die de Leidse Huizinga plaatst bij het doorgeschoten Amsterdamse cosmopolitisme.

Hoewel er een eeuwenoud geheim centraal staat in dit boek zou je kunnen denken aan een nieuwe Dan Brown, maar dan in het Nederlands. Dat is het dus niet geworden, daarvoor mist het verhaal teveel echte spanning, maar voor de rest: ik heb ervan genoten.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Share
Posted in Boeken | Tagged , | Leave a comment

Open Mind Nr. 111 Drie maal dankbaar op kasteel Slangenburg

Ze liggen al een tijdje op mijn bureau, gelezen en wel, twee van de drie zelfs tweemaal. Drie boeken met ‘dankbaar’ in de titel: Dankbaar van Paul van Tongeren (2015), Dankbaar en aandachtig van Ger Groot (2013) en Dankbaarheid van Oliver Sacks (2015).  Drie boeken rond eenzelfde begrip. Toeval? Er zijn er die beweren dat toeval niet bestaat. Het lijkt in elk geval een signaal dat de idee van dankbaarheid in beeld is en benoemd wordt. Is dit uitdrukking van een actuele behoefte? Zo ja waarvan?

Voor Paul van Tongeren is een filosofische reflectie op het wezen van dankbaarheid nodig omdat we in onze tijd niet zo goed meer weten wat we met dankbaarheid aan moeten, zeker niet als het gaat om de adressant van onze dankbaarheid. Lange tijd bestond daar weinig twijfel over. Als ouders de mededeling van de geboorte van een kind vergezeld lieten gaan van het uitspreken van dankbaarheid dan wist de ontvanger van deze mededeling dat deze ouders daarbij aan God dachten. paul-v-tHet grondschema is in dit geval, maar ook in alle andere adressanten, dat van de retributie: je ontvangt iets en je geeft daarvoor iets terug: je erkentelijkheid, je dankbaarheid. Er zijn dus twee partijen: een schenker, en een ontvanger en er is een gave en een tegengave. We kunnen hierin het principe van de rechtvaardigheid herkennen; alleen geldt in de situatie van dankbaarheid dat de tegengave in een ongelijke verhouding staat tot de gave.

Maar hoe zit dat in onze tijd, een tijd die in de beleving van velen afscheid heeft genomen van God waardoor de geïmpliceerde retributie in de lucht komt te hangen? Tot wie richten we ons als God niet langer de adressant van onze dankbaarheid is? En als blijkt dat daar geen antwoord op is, als een gemarkeerde adressant niet te benoemen is, betekent dat dan ook het einde van onze dankbaarheid? Of is het misschien toch mogelijk om een goede omgangsvorm te vinden voor een ervaring die we kennelijk ondergaan en die we aanduiden als dankbaarheid?

Zulke vragen stelt Paul van Tongeren aan de orde in een filosofisch essay, een uitwerking van zijn afscheidscollege als hoogleraar filosofie in Nijmegen. En Van Tongeren is een meester in het systematisch omcirkelen van een begrip, door daar laagje voor laagje van af te pellen. In zijn essay doet hij dat door de drie onderdelen van het traditionele grondschema van de retributie grondig te analyseren: de wederkerigheid, de relatie tussen de personen, en de handelingen die verricht worden, geven en teruggeven.

Wat betreft de wederkerigheid laat hij zien dat we die niet te smal hoeven op te vatten, als uitsluitend gericht tot een herkenbare, te benoemen gever. Je kunt ook dankbaar zijn jegens een meer abstracte schenker: je voorouders, een volk, je leermeesters,… De wederkerigheid die ten grondslag ligt aan de dankbaarheid kan dus heel ruim worden opgevat, is daarmee veel minder vaak symmetrisch en vooral asymmetrisch.

Ook over het tweede is meer te zeggen: zo lijkt er een vorm van dankbaarheid mogelijk die niet het onderling verkeer tussen personen betreft, die niet triadisch is maar dyadisch, waarbij de ontvanger zijn of haar vreugde toont over een kennelijk gunstige situatie die zich voordoet. Daarmee verandert de aard van de dankbaarheid en wel in een fijn gevoel, in blijdschap o.i.d.

Een grappige illustratie van deze vorm van dankbaarheid die nog zoekend is naar een adressant las ik in de Trouw-bijlage Letter en Geest van 15 oktober jl. waar een aardige tweet werd geciteerd:

Weet niet bij wie ik moet zijn dus wil ik God dan maar bedanken voor het fietsknooppuntennetwerk in dit land want dat is echt fenomenaal” (@tasvolverhalen 12 oktober 05:02).

Deze tweet getuigt van een ervaring van blijdschap die een uitweg zoekt door zelf te willen schenken. Dankbaarheid als een echo van de vreugde waardoor ze delen is en zelf tot gift wordt. In de analyse die André Comte-Sponville geeft van dankbaarheid in zijn Kleine verhandeling over de grote deugden is het met name deze dyadische interpretatie die bij hem de meeste aandacht krijgt.

En zo komen we vanzelf bij het derde element in Van Tongerens essay: de teruggave. Is dat een handeling of gaat het veeleer om een gevoel, of misschien een soort houding? Is bij dankbaarheid sprake van een ervaring dat we iets ontvangen wat we zelf niet bewerkt hebben – een ervaring die ons nederig stemt? Zó naar onze ervaring kijken, gebeurt niet vanzelf maar behoeft ook vorming en onderhoud. En daar hebben we ook instituties voor zoals kerken en scholen. Denk aan al die scholen die er op uit zijn om kinderen te leren zich te verwonderen: oog te hebben voor schoonheid waar je deel aan mag hebben – leren die te ervaren als niet vanzelfsprekend. En ja, religies zijn bij uitstek fenomenen die zo’n manier van omgaan met de werkelijkheid inoefenen, die de ervaring van dankbaarheid voor hetgeen je geschonken wordt, cultiveren.

Dankbaarheid is dan niet zozeer de opdracht om ‘iets terug te doen’ maar is veeleer uitdrukking van een ervaring van ontvankelijkheid voor hetgeen je geschonken wordt – een ontvankelijkheid die de dankbaarheid oproept en aanzet tot zelf iets te willen schenken. Het is deze interpretatie van religie die de door Van Tongeren geciteerde Dreyfus en Kelly toeschrijven aan de aard van de Griekse goden: die gingen niet aan de ervaring van dankbaarheid vooraf maar werden erdoor voortgebracht: ‘zeggen dat er een god zit achter elke gebeurtenis is benadrukken dat dankbaarheid en verwondering de passende reactie zijn” (citaat in Van Tongeren, pag. 78).

ijsselingDeze interpretatie van religie keert ook terug in de woorden van de medio 2015 overleden Nederlandse filosoof Samuel IJsseling die in een serie interviews met zijn leerling Ger Groot terugblikt op zijn leven. In Dankbaar en aandachtig wordt de lezer deelgenoot van ger-grootdeze terugblik waarin alle ‘groten der aarde’ uit de wereld van de contemporaine filosofie wel terugkeren, te beginnen bij Heidegger en verder Ricoeur, Derrida, Gadamer, Deleuze, …. Prachtig zoals IJsseling de geschiedenis van de grote filosofie weet te verbinden met allerlei concrete situaties uit het dagelijkse leven van de filosofen die zijn pad kruisten. Aan het slot van het boek doet de oorspronkelijk tot priester gewijde maar vooral als Husserl en Heidegger-specialist en filosoof bekend geworden IJsseling een prachtige uitspraak die ik graag in zijn volledigheid citeer:

Ik denk dat er een nieuwe betekenis van religie zou kunnen ontstaan. Niet in de zin van ‘ietsisme’, asjeblieft niet. Maar in de sensatie dat er zich in de werkelijkheid plotseling een nieuwe betekenis opent. Wat dat betreft staat ze niet zo ver van de filosofische ervaring af. En misschien wel vooral in de radicale erkenning dat alles in ons bestaan ons geschonken wordt. En vraag dan niet onmiddellijk: wie heeft er dan geschonken? Dan zit je meteen op de verkeerde weg. Het gaat om de ervaring van afhankelijkheid, en vooral van dankbaarheid. De wereld valt mij toe. De tijd van leven die mij geschonken is, valt mij toe.”(pag. 140)

Om hetzelfde in de woorden van Comte-Sponville te zeggen: het leven is genade, het zijn is genade en dat is de hoogste les die dankbaarheid ons leert.

Dit besef dat het leven vooral een geschenk is dat de mens om niet toevalt, dit besef is niet alleen duidelijk aanwezig in de gedachtenwereld van IJsseling, het klinkt ook prominent door in de brief die sacksOliver Sacks begin 2015 in de New York Times schreef nadat hij van zijn artsen te horen had gekregen dat hij was uitbehandeld. Hij sluit die brief Mijn eigen leven (My Own Life, 19 februari 2015) af met het uitspreken van dankbaarheid:

“Ik kan niet doen alsof ik niet bang ben. Maar mijn overheersende gevoel is er een van dankbaarheid. Ik heb van mensen gehouden en zij hebben van mij gehouden, ik heb veel gekregen en ik heb iets teruggegeven, ik heb gelezen, gereisd, nagedacht en geschreven. Ik heb in contact gestaan met de wereld en de bijzondere uitwisselingen ervaren tussen een schrijver en zijn lezers.

Maar in de eerste plaats ben ik op deze prachtige planeet een bewust denkend wezen geweest, een denkend dier, en dat alleen al was een enorm voorrecht en avontuur.”

Wat mooi als je met zoveel waardering voor wat je mocht meemaken, kunt terugkijken op je leven.

Tot slot

Terug naar het begin: de vraag van Paul van Tongeren, ‘bij wie moeten we terecht om onze dankbaarheid te tonen als dat God niet meer is?’ Het zoeken naar het antwoord op deze vraag heeft ons gebracht bij een levenshouding die weet heeft van de begrenzing van de eigen mogelijkheden. Dat is een levenshouding die in alle nederigheid open staat voor het wonder van het leven zelf. Het is een levenshouding die het soms moeilijk heeft met het maatschappelijk gewenste gedrag van de burger die al kiezend en calculerend zijn eigen route door het leven schept, zich scherp bewust is van zijn eigen rechten en van de plichten van de ander. Misschien is dat wel de diepere reden die de idee van dankbaarheid in onze tijd zo lastig maakt: wie niet blij is voor wat hij ontvangt omdat hij meent daar recht op te hebben zal de dankbaarheid niet kennen en daarmee ook niet de vreugde die haar vergezelt en die aanzet om de ander in die blijdschap te laten delen.

Deze column werd geschreven tijdens een verblijf van 72 uur op het prachtige Kasteel Slangenburg, mogelijk gemaakt door mijn werkgever. De adressant van mijn oprechte dankbaarheid heeft een naam: B&T in de persoon van Robbin Haaijer.

Literatuur:

Paul van Tongeren. Dankbaar. Denken over danken na de dood van God. Zoetermeer: Klement 2015.

Ger Groot, Dankbaar en aandachtig. In gesprek met Samuel IJsseling. Met een voorwoord van Hans Achterhuis. Zoetermeer: Klement/Pelckmans 2013.

Oliver Sacks, Dankbaarheid. Amsterdam/Antwerpen: De Bezige Bij 2015.

Geraadpleegd: André Comte-Sponville, Kleine verhandeling over de grote deugden. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas 1997.

 

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , , , , | 4 Comments

Open Mind Nr. 110 Beleid, beleid en beleid

Het is nog niet eens zo lang geleden dat schoolbesturen werden aangezet tot het schrijven van beleid. Sterker nog, de datum dat bestuurlijke activiteiten voortaan werden ingekaderd binnen een set beleidsafspraken is zelfs vrij precies te bepalen: het moment van invoering vanwallage het formatiebudgetsysteem in het PO en VO op basis van het akkoord dat toenmalig staatssecretaris Wallage in de zomer van 1990 sloot met de onderwijsorganisaties. Cao-akkoorden voegden er vervolgens nog allerlei onderwerpen aan toe. Beleid maken was opeens helemaal in.

Beleid en protocol

De invoering van het formatiebudgetsysteem was een tussenstap in de overgang van het declaratiestelsel naar de lump sum financiering zoals we die nu kennen. In de deal zat besloten dat schoolbesturen op tal van onderdelen beleid moesten formuleren zoals een formatiebeleid, taakbeleid, nascholingsbeleid, seniorenbeleid, en ga zo maar door. Al spoedig circuleerden er lijstjes met zeker 20 onderwerpen waarop beleid diende te worden geformuleerd. En het hield niet op. Het woord beleid werd vervangen door het woord protocol en hup, daar ging de slinger weer.

Sindsdien is het hek van de dam en wordt alom geklaagd over de grote regeldruk in het onderwijs. Deze druk wordt niet alleen veroorzaakt door centrale regelgeving maar ook door regelgeving op andere niveaus zoals door de lokale overheid of door de schoolbesturen zelf. En ja, keer op keer verzekeren bewindspersonen het onderwijs dat zij er nu echt iets aan gaan doen.

Overvloed van aanwezigheid

Er is veel moois te zeggen van beleid: het geeft structuur aan het handelen, het creëert vertrouwen, het toomt wispelturigheid in, het verschaft zekerheid en rechten, het voorkomt willekeur, het bevordert het overstijgen van de waan van de dag, het schept een gemeenschappelijk beeld, het bevordert samenhang, het bindt. En zo is er vast meer te noemen. Als het allemaal maar niet teveel van het goede is,… Met als ultieme grens dat het beleid de eigen verantwoordelijkheid van de professional niet ondersteunt maar uitholt.

De overvloed van aanwezigheid van beleid in het onderwijs wekt gemakkelijk de suggestie van een eveneens aanwezige grote vaardigheid in het omgaan met beleid: in het ‘maken’ ervan en het volgen beleidervan. Ik heb daar wel eens mijn twijfels over. Ik merk het als ik betrokken ben bij audits en collegiale visitaties. Schoolleiders zijn zich in de regel bewust van de wenselijkheid of noodzaak van beleid en beleidsafspraken, maar hebben niet altijd even scherp in beeld waar het dan precies om draait en welke handelingen daar vervolgens bij horen. Daarom het volgende.

Misschien helpt het als we gebruik maken van een onderscheid in drie soorten beleid, want je hebt beleid, beleid en beleid. En elk van die drie varianten heeft een eigen bedoeling en werking.

Drie soorten beleid

Laten we voor het gemak drie soorten beleid onderscheiden. Ik heb de verwachting dat we dan he meest wel ergens onder kunnen brengen.

Beleid als zelfportret: denk aan de schoolgids. ‘Dit zijn wij en zo zijn onze manieren’. Als ouders vragen wat het beleid is ten aanzien van verzuim, overblijven, huiswerk en zo meer, dan kunnen zij daar terecht. Andere voorbeelden: schoolregels voor leerlingen, het profiel van de raad van toezicht, afspraken ten aanzien van de tekeningsbevoegdheid. Beleid dat transparant maakt welke sets van afspraken de dagelijkse gang van zaken in de school ondersteunen en reguleren.

Beleid als kapstok: beleid in de zin van algemene regels die de basis vormen voor concrete kapstokbeslissingen. Veel cao-beleid en veel protocollen hebben deze intentie. Er doet zich iets voor en dan kan worden teruggevallen op eerder geformuleerd beleid over hoe te handelen. Het gaat dus om algemene regels en procedures die worden gehanteerd in concrete situaties. Denk aan sollicitatieprocedures, aan pestprotocollen, om risicobeleid en zo nog veel meer.

Beleid als toekomstontwerp: de voornemens die er zijn met het oog op de toekomst en de route die wordt uitgezet om daar te komen. Denk aan het strategisch beleid op stichtings- of verenigingsniveau, denk aan het schoolplan op schoolniveau, aan meerjarige huisvestingsplannen en zo meer. Dit type beleid reageert op vragen als ‘waar staan we in 2021?’ en ‘hoe gaan we om met de verwachte krimp?’

Kenmerken

De drie onderscheiden vormen van beleid hebben eigen kenmerken. Ik denk dat er verschil gemaakt kan worden tussen vaste kenmerken en variabele kenmerken.

Vaste kenmerken

Beleid/kenmerk Zelfportret Kapstok Toekomstontwerp
tijdsperspectief heden heden toekomst
intentie, doelstelling voorlichting, duidelijkheid houvast, zekerheid ontwikkeling, verandering
aard descriptief procedureel prospectief
bewaken periodieke check op wenselijkheid update periodieke beleidsevaluatie PDCA met accent op C en D (efficiëntie en effectiviteit)
evalueren tevredenheidsonderzoek toepasbaarheid, actualiteit doelrealisatie

Variabele kenmerken

Naast deze relatief vaste kenmerken is er ook een aantal variabele kenmerken te noemen die de verschillen tussen deze vormen van beleid markeren. In de linkerkolom voorbeelden daarvan. Ik veronderstel dat zich hier verschillen voordoen tussen organisaties en binnen eenheden (scholen, locaties) van organisaties.

Beleid/kenmerk Zelfportret Kapstok Toekomstontwerp
wijze van totstandkoming
wijze van betrokkenheid (G)MR
wijze van verantwoording

Het aantal variabele kenmerken is vast uit te breiden. En ik verwacht dat de praktijken binnen organisaties op deze kenmerken veel zeggen over de cultuur in die organisaties. Wellicht een onderwerp voor een volgende keer.

Voor zolang: hoe gaan dingen bij u?

Bewaren

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , , | Leave a comment