Ik wil het graag met u hebben over taal, want ja, daar bedienen we ons elke dag van. Al was het maar dat we bekenden op straat groeten of als we bij onze bakker een tijgerbrood kopen.

Taal is het voertuig waarmee we ons in het sociale verkeer voortbewegen. We beschouwen het meestal als een middel voor iets anders: om iets te kopen, om een afspraak te maken bij de huisarts, een koffie te bestellen en af te rekenen. We gebruiken taal om ons ongenoegen te uiten of onze bewondering over iets, onze vreugde of ons verdriet. Taal is ons huis, we wonen erin.

Er zijn ook mensen die taal niet alleen gebruiken als een middel, een instrument, maar ook om er iets meer mee te bereiken.

Romanschrijvers bijvoorbeeld, die taal vaak op een heel eigen manier (hun persoonlijke stijl) gebruiken om een denkbeeldige wereld op te roepen en daar dingen in te laten gebeuren.

Tekstschrijvers van reclames bijvoorbeeld. Die gaan op zoek naar woorden en beelden die klanten verleiden om iets te kopen. Dan zie je weer die snoezige, in blauw gestoken knagertjes luidkeels roepen dat het weer ‘hamstereeeeeeen’ bij Albert Heijn is. Dat beestje heeft door zijn speelse gedrag een weinig verheffende activiteit als ‘hamsteren’ kennelijk sociaal aanvaardbaar gemaakt (‘genormaliseerd’).

Ik moet ook denken aan standwerkers die op marktpleinen en concoursen met hun vaak humoristische taalgebruik de meest onbenullige messensetjes en snijplankjes weten te verkopen.

Politici en beleidsmakers behoren ook tot het slag ‘taalcreatievelingen’. Politici staan erom bekend dat ze graag ‘framen’. Ze zetten dan ingewikkelde maatschappelijke problemen (of groepen mensen) op een sterk vereenvoudigde manier neer/weg. U kent de voorbeelden.

Beleidsmakers gebruiken regelmatig nieuwe zakken voor oude wijn. ‘Bezuinigen’ wordt dan ‘ombuigen’ of ‘afslanken’. Zulke woorden worden ook wel eufemismen genoemd: vriendelijke woorden voor vervelende zaken.

Ook wetenschappers zijn scheppers van taal. Ze voorzien nieuwe verschijnselen van een eigen ‘label’.

En dan de dichters. Die zijn op zoek naar originele maar treffende woorden en beelden voor hun gedachten. Dat maakt gedichten soms (lang niet altijd gelukkig) nogal cryptisch. Alsof het puzzeltjes zijn die moeten worden opgelost. Niet direct mijn persoonlijke smaak, eerlijk gezegd.

Wat ik maar wil zeggen is, we gebruiken taal niet alleen als instrument zoals we een hamer gebruiken om een spijker in hout te slaan, we scheppen er ook nieuwe beelden mee en creëren daardoor nieuwe werkelijkheden.

Zelf ben ik gecharmeerd van een bepaald type ‘taalcreatie’, dat bestaat uit twee woorden die heel tegengesteld zijn maar in hun combinatie het denken juist prikkelen. Ik geef een paar bekende voorbeelden: ‘oorverdovende stilte’, ‘vreedzame oorlog’, ‘gecontroleerde chaos’, ‘negatieve groei’. En ‘Zeeland’ is er ook een. ‘Basalt’ is ook een mooie maar wel een onechte.

Oud premier Jan Peter Balkenende schreef in 2013 een stuk in NRC waarin hij er ook een paar noemde: ‘duurzame groei’ (enerzijds zekere rust, anderzijds beweging want ‘stilstand’ is immers achteruitgang’), ‘collectieve verantwoordelijkheid’ (we moeten het allemaal samen doen maar dat kan alleen als ieder individu zijn of haar eigen verantwoordelijkheid neemt), en ‘bottom up-strategie’: bij ‘bottom up’ weet je nooit wat er komt, bij strategie wil je juist doelgericht ontwikkelen.

Onlangs nam ik afscheid van een adviesbureau waar ik nog zijdelings aan verbonden was. De collega’s van dit bureau oefenen zich in wat ze kleine vaardigheden noemen zoals anders kijken, beter luisteren, wijzer beslissen. Vanuit deze vaardigheden komen ze tot ‘liefdevol confronteren’, ‘lichtmoedige diepgang’ en ‘activistisch beschouwen’.

Als mensen wonen we in het huis van de taal; door aandacht te schenken aan ons taalgebruik en wat dat teweeg kan brengen, maken we van dit huis een thuis.

(Dit blog verschjnt gelijktijdig als column in de Nieuwsbrief van de VOV te Voorschoten)

Share