Het zou zo maar kunnen dat veel lezers van deze Nieuwsbrief met regelmaat zich verwonderen over hun eigen geheugen. Je gaat steeds vaker twijfelen aan de betrouwbaarheid ervan. Sommige dingen ben je totaal vergeten, andere dingen liggen jarenlang te sluimeren en komen opeens boven. Namen weet je niet meer, maar gezichten nog wel,… Of je ziet een voorwerp dat allerlei gedachten oproept aan vroeger…

Het geheugen is onbetrouwbaar, zo leert de psychologie ons. Nou, dat hadden wij op onze leeftijd dus allang door. Het geheugen is een raar ding waar we maar weinig en misschien wel helemaal geen grip op hebben, laat staan controle. En juist omdat we er zo weinig precies van weten, nemen we onze toevlucht tot beelden die we ontlenen aan andere ‘takken van sport’. Computerkunde bijvoorbeeld. Ons geheugen als ‘harde schijf’.

Als veellezer valt mij op dat schrijvers in hun romans vaak opmerkingen maken over het geheugen of over hoe het herinneren werkt. Ik werd daar onlangs nog eens bij bepaald door de laatste roman van Julian Barnes die bijna het hele boek Vertrek(punt) wijdt aan het geheugen. Zo citeert hij onder meer de Engelse schrijver T.S. Eliot die over herinneringen zei:

‘De mot kruipt erin, in hoeveel kamfer je ze ook verpakt.’

Met andere woorden, je herinneringen raken in de tijd en door de tijd aangevreten. Koester maar niet de illusie dat het toen precies zo was zoals jij het je nu herinnert.

Ian McEwan diept dit verder uit in Wat we kunnen weten. Daarin schrijft hij:

‘Het geheugen is een spons. Die zuigt materiaal op uit andere tijden, van andere plaatsen, en kleurt daarmee het moment dat je wilt terughalen.’

Jonge mensen zeggen tegenwoordig graag dat ze ‘mooie herinneringen gaan maken’ – herinneringen die ze willen opslaan, opbergen in hun geheugen.

We nemen ze met ons mee, waar we ook gaan, zoals ook Franco Faggiani duidelijk maakt in Het jaar dat Shizo Kanakuri verdween:

‘Herinneringen hebben geen vaste verblijfplaats: ze zijn een gemakkelijk te verplaatsen koffer, zelfs als die soms erg vol zit.’

Heel beeldend is de manier waarop Emma Brunt in Een rus over de vloer over een herinnering schrijft:

‘De herinnering is een schot hagel – je raakt altijd wel wat en dan laat het verleden zich even oprapen en betasten, als een dood vogeltje dat voor je voeten uit de lucht is gevallen. Maar het ligt stijf en verfomfaaid in je hand, geheimzinnig ontzield en beroofd van zijn essentie.’

Mooi gezegd, maar het klinkt wel wat sneu, nietwaar? Alsof herinneringen geen echte waarde voor je kunnen hebben.

Volgens Eric Chacour is die waarde er wel degelijk, maar maak het niet te groot want jouw herinneringen zijn er slechts voor een steeds kleiner wordend aantal mensen. In Wat ik van je weet schrijft hij:

‘Herinneringen hebben slechts waarde voor degene die er in voorkomen. Zodra die laatsten zijn vertrokken veranderen herinneringen in valuta die niet meer in omloop zijn, in dubieuze waardepapieren.’

Ook dit eindigt in mineur.

Arianne Baggerman is een stuk vriendelijker. Zij citeert in De storm die wij vooruitgang noemen een dichter die schreef:

‘De herinnering is het eeuwig paradijs waaruit niets meer ons kan verdrijven.’

Dat klinkt op het eerste gezicht aantrekkelijk. Maar het lijkt me dat dit alleen kan gelden voor fijne herinneringen en de meeste mensen zullen niet uitsluitend fijne herinneringen hebben.

Nee, dan Benedict Wells in Het einde van de eenzaamheid:

‘Het geheugen is een geduldige tuinman en de kleine zaadjes die (op mooie momenten in de jeugd) zijn gezaaid, zijn in de loop der jaren uitgegroeid tot prachtige herinneringen.’

Moge het zo zijn.

(Dit blog verschijnt gelijktijdig als column in de Nieuwsbrief van de VOV te Voorschoten en op www.blijmeteenboek.nl)

Share