Hoed
Het was op een nazomerse avond, zo’n 20 jaar geleden. Rond 20.00 uur liet ik onze hond Toto uit in een wandeling langs het water aan de Juliana van Stolberglaan.
Een fietser kwam me aan de overkant van de weg tegemoet. Een kleurrijke man zo te zien, in zijn helder groene broek, felgele overhemd en rode stropdas. En met een hoed op, een prachtige zwarte, leren hoed.
Hij stopte, stapte af en vroeg me de weg naar een adres in de buurt. Terwijl ik hem de route gaf keek ik onophoudelijk naar die hoed: een mooi model met een gevlochten band er omheen.
‘Wat hebt u een mooie hoed op’.
‘Komt uit Australië. Een kennis van me heeft een hakkenbar in Leiden. Twee keer per jaar gaat hij naar familie in Australië. Dan neemt hij er een paar mee. Voor verkoop hier. Dus u vindt hem mooi?’

‘Heel mooi en hij staat u goed’.
‘Als u er ook een wilt, kan ik daar wel voor zorgen, hoor.’
Oei, dat was niet direct wat ik bedoelde met mijn compliment, maar wat bedoelde hij precies?
‘Misschien heeft hij er nog een liggen. Zal ik eens kijken? Kom ik mogen terug. Zelfde tijd, zelfde plaats. Het verplicht tot niets’.
‘Eh, ja’, zei ik, ‘ik heb alleen geen idee wat die dingen kosten’.
‘Ze kosten € 80.00, een normale prijs voor dit soort hoeden. Kijk maar op internet’
‘Prima, tot mogen dan’ en daar ging hij weer.
De volgende avond op de afgesproken tijd ging ik weer met de hond naar buiten. En ja hoor, daar kwam hij al aan. Aan zijn stuur hing een ruime tas met, het kan niet anders, een hoed.
De man had een goed inschattingsvermogen, de hoed paste precies.
‘Hij staat u prima!’
‘Dat zal wel, ik kan het alleen zelf niet zien. Wilt u meegaan naar mijn huis hier vlakbij? Kan ik in de spiegel kijken.’
Dat was geen probleem. En ja, ik vond hem zelf ook mooi staan en lekker zitten. Deal dus.
Terwijl we onze thee dronken, vertelde de man dat hij ‘kwaliteitsmanager kleur’ was geweest bij een grote verffabriek. Hij bewaakte de kwaliteit, consistentie en scherpte van de kleuren wanneer de verfblikken klaar staan om de fabriek te verlaten. Kleuren maakten voor hem het leven vrolijk. Contrasten moest je daarom niet vermijden. Dat straalde hij met zijn eigen kleding inderdaad uit. De man was het fietsend bewijs van zijn eigen gelijk.
Nu hij er toch was met kennelijk verstand van kleuren en kleurcombinaties vroeg ik zijn advies over de combinatie van de hoed met de twee winterjassen die ik had hangen.
‘Laat maar zien’.
Bij de lange bruine jas met visgraatmotief droeg ik een onopvallende, vermoedelijk zwarte sjaal. Helemaal verkeerd dus. Een kanariegele zou veel beter staan.
Bij de lange effen grijze jas zou een rode sjaal heel goed passen in plaats van de donkergrijze die ik had.
Terwijl we zo bezig waren, zag ik de man regelmatig naar onze antieke Franse schoolklok kijken. Toen die negen keer sloeg om 21.00 uur aan te geven, zei hij dat het geluid niet goed was. Er was iets met de klepel.
‘Zal ik daar even naar kijken?’
‘Eh… ja … goed.’
En inderdaad, de klok maakte voortaan een iets ander, minder krassend geluid.
Rond 21.30 uur stapte hij weer op zijn fiets. Ik kreeg nog zijn telefoonnummer. Voor het geval dat.
Toen ik een paar jaar later een nieuwe hoed wilde kopen omdat ik de eerste kwijt was geraakt op het vliegveld van Delhi, bleek dat nummer niet in gebruik.
Even snel als hij kwam, verdween hij weer uit mijn leven.
Wat bleef was de hoed.
(Deze blog verschijnt gelijktijdig als column in de Nieuwsbrief van de VOV te Voorschoten)




